man van de heuvels     
        HANS COUMANS
introductie wikipedia biografie oeuvre artikelen boek stichting contact

 

biografie

 

Kunstschilder Hans Coumans (1943-1986) trok zijn eigen plan. Hij zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 op zoek naar culturele en artistieke bevrijding naar de belangrijke Europese mondaine steden trokken waar de nieuwste ontwikkelingen zich afspeelden dan wel aansluiting vonden bij de mainstream Postmoderne (abstracte/conceptuele) kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans te zeer gehecht aan het Bourgondische Heuvelland en schilderde hij non-conformistisch buiten de mainstream om in impressionistische stijl, het zelfbenoemde Coumansisme, het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was. Door de grote liefde voor het fenomeen het leven (de numineuze natuur) zouden de natuurmotieven van het Heuvelland gedurende zijn gehele leven een centraal thema vormen in zijn schilderkunst en als zodanig kenmerkend zijn voor zijn oeuvre. - deze zijn zodoende te beschouwen als zijn persoonlijke oeuvre. Naast de landschapskunst was Hans Coumans bedreven in de portretkunst alsook enige tijd in de decoratieve kunst en vervaardigde hij bovendien talloze kritische werken. Zijn kunst is zeer emotioneel en intens, en getuigt van een grote verwondering over het natuurschoon van de zuidelijke provincie, welk in de ogen van de schilder in Nederland onovertroffen was. Hoewel Hans Coumans als kindschilder al bedreven was in de landschapskunst, zou hij lange tijd een vluchtig vrijbuitersbestaan leiden en zou vooral de ware levenskunst op de voorgrond staan, vooraleer hij zich volledig zou wagen aan de ware schilderkunst en hij uiteindelijk begin jaren 80 artistieke reputatie zou verkrijgen in de Limburgse provincie.

Zondagskind

Johannes Jozef (Hans) Coumans werd op 16 maart 1943 als vijfde telg geboren uit een doorsnee mijnwerkersfamilie in het lommerrijke Strucht, onderdeel van het Zuid-Limburgse kerkdorp Schin op Geul. Vlak na de oorlog was Schin op Geul een typisch Zuid-Limburgs dorp, waar de tijd langzaam verstreek, een sober leven heerste en hard werd gewerkt voor de kost. In het dorp golden zoals elders in de regio de oude waarden en bovenal de Roomse moraal, die diep doordrong in het dagelijkse leven en verenigingsleven (kerk, carnaval, schutterij) en enigszins voor saamhorigheid zorgde onder de doorgaans gescheiden groepen, de mijnwerkers en de boeren. De familie Coumans woonde halverwege de Grachtstraat, op dat moment een mijnwerkerskolonie, in de volksmond 'De Kolonie' genoemd, aan de voet van de groene Sousberg. Vader des huizes was de in Strucht geboren mijnwerker Peter Alphons (Funs) Coumans (*21-10-1907; +Valkenburg 11-02-1991), zoon van een eeuwenoude boerengeslacht (sinds de 17e eeuw) en overigens een zeer fanatieke en zeker niet onverdienstelijke wedstrijd-duivenhouder, die geregeld prijzen in de wacht sleepte. Moeder des huizes was Maria Johanna (Maria) van der Loo (*Duisburg 07-08-1912; +Valkenburg 10-07-1992), dochter van de uit Dinther in Noord-Brabant afkomstige architect-uitvinder-ondernemer Henricus van der Loo, die na het huwelijk op jonge leeftijd met Funs Coumans het huishouden voor haar rekening nam. Ondanks de invloed van de Roomse kerk in het dorp praktiseerden zij geen streng geloof, maar genoten de kinderen wel een conservatieve opvoeding geheel conform de normen en waarden uit die tijd.
Het zou niet lang duren voordat duidelijk was, dat Hans Coumans als een onconventioneel figuur door het leven zou gaan. Al op vierjarige leeftijd vertoonde hij een opmerkelijke aanleg voor tekenen - heel wat behangrollen en houtskool normaliter bestemd voor de kachel en het opwarmen van het eten zouden het moeten ontgelden - waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar diverse tekenwedstrijden won van onder meer de Staatsmijnen, maar net zo vaak werd gediskwalificeerd, omdat de jury twijfelde over de authenticiteit van de tekening en men de inzending niet van een kind achtte - dit tot grote ergernis van datzelfde kind. Een keer ontving hij voor een tekenwedstrijd, uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan maar liefst 50.000 kinderen deelnamen, de tweede prijs, dit was een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs maar liefs 600 Gulden bedroegt, omdat de jury er niet van overtuigt was, dat de inzending van een 8-jarig kind afkomstig was.
Rond zijn 8e levensjaar leek zijn levenspad al definitief te zijn uitgestippeld zodra Hans Coumans in nogal vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigde, terwijl zijn ouders, die geen affiniteit met kunst hadden (ondanks een creatieve geest in de familie) geen idee hadden wat ze ermee moesten aanvangen en dorpsgenoten tezelfdertijd enkel geamuseerd hun schouders ophaalden. Hij zou (later) gaan studeren aan de kunstacademie in de grote stad (Maastricht) en het tot die tijd vooral rustig aan kunnen doen, luidde zijn voornemens. Rond diezelfde tijd onderhielden de familie Coumans en de familie Van Kempen, een gegoede hotelfamilie uit het nabijgelegen toeristische Geulstadje Valkenburg, als gevolg van een liefdesrelatie tussen de oudste kinderen een vriendschappelijke band met elkaar, en verbleef de jongere schoonzus Christine van Kempen gedurende de drukke vakantieperiodes met enige regelmaat als logé bij de familie Coumans in het rustigere Strucht, van waaruit zij gezamenlijk excursies ondernamen in de groene omgeving en toeristische attracties bezochten in Valkenburg zoals het Sprookjesbos, de dierentuin van Kasteel Oost en het park van Kasteel Schaloen, waar men met roeibootjes op de kasteelvijver kon ronddobberen. Niemand kon toen vermoeden dat Christine van Kempen met de herhaaldelijk opvallende bezwerende bewoording, dat zij en Hans Coumans ooit in het huwelijksbootje zullen stappen, waarop de jonge Hans Coumans hevig geschrokken het hazepad nam, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zou zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.
Op de basisschool was de jonge Hans Coumans één en al kunst. Hij voorzag geregeld het gehele schoolbord van (strip)tekeningen voorafgaand aan de lessen en nam steevast het voortouw zodra het vak Tekenen & Handvaardigheid aan bod kwam. Sporadisch maakte hij vluchtige 'portretjes' van zijn medeleerlingen, die afgaande op de meningen van medeleerlingen toen al verbazingwekkende gelijkenis moeten hebben vertoond. Het hoofd van de basisschool, zelf gepassioneerd amateurschilder die eerder al andere kunstenaars waaronder 'trots van het dorp' kunstenaar en buurtgenoot Guillaume Stassen op weg had geholpen met zijn schilderscarriere, herkende ook al vroeg het bijzondere artistieke talent van Hans Coumans en moedigde de ouders aan om dit verder te ontwikkelen, maar ondanks zijn persoonlijke inspanningen om de jonge cratieveling te voorzien van gratis tekenmateriaal en ondanks zijn (tevergeefs) poging om hem na de basisschool direct toegelaten te krijgen tot de kunstacademie, had hij allesbehalve een hoge pet op van de kindschilder vanwege diens weerbarstige temperament en daar deze allesbehalve ontvankelijk was voor goedbedoelde adviezen - hij ging er zelfs lijnrecht tegenin. In de buurtgemeenschap verspreidde de ambitie van de jonge Hans Coumans zich spoedig, en zodra de overburen vernamen van de behoefte voor een werkruimte, stelden zij het schuurtje naast hun boerderij ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiële' atelier betrok en waarmee zijn artistieke loopbaan 'officieel' van start ging. Vanaf dat moment experimenteerde de kindschilder, soms vergezeld door een enkele artistieke buurtgenoot volop met aquarel-, goache- en olieverf en vervaardigde hij sculpturen van zacht mergelsteen, een veel voorkomend bouwmateriaal uit de regio dat rijkelijk voorradig was. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, bezorgde hem gratis papier en tekenmateriaal en onderwees hem de beginselen van het perspectieftekenen.
Van de productie uit deze vroege periode is niets bewaard gebleven, behalve een olieverfschilderij van een boerderij met een brug uit 1953 () alsook een olieverfschilderij van een boerderij () en het woonhuis van de overburen () - dit werk maakte hij als dank voor het ter beschikking stellen van de schuur - beide uit 1954, toen de jonge Hans Coumans 10 respectievelijk 11 jaar oud was.

 

 

De vrolijke vagebond

Rusteloosheid, wat zich kort na zijn artistieke talent openbaarde, dwong Hans Coumans al vroeg tot een onzeker en ongebonden (zwervend) kunstenaarsbestaan. Hans Coumans zou schilder worden, hierover was geen compromis mogelijk. Hij was schilder in hart en ziel, als kind al, echter de onenigheid over een in die tijd gebruikelijke financiële bijdrage van de kinderen aan het huishouden en het onbegrip en bezorgdheid van zijn ouders die afkeurend stonden ten opzichte van het kunstenaarschap - kunst bracht geen brood op de plank, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - leidde spoedig tot een periode van opstand en verzet en toenemende explosieve conflicten binnen de familie - vooral met zijn moeder ontstond een moeilijke verstandhouding. Terwijl de andere kinderen in de familie al vroeg in de weer waren met allerlei banen, weigerde de jonge Hans Coumans zich te conformeren aan de gezinsregels. Hij had op dat moment de kunst van het werken zeker nog niet uitgevonden en op de momenten dat hij al iets had verdiend, dan was dat al ruiterlijk gespendeerd in de plaatselijke kroegen voordat hij thuis arriveerde. Liever dan school en werk struinde hij langdurig solistisch door de natuur in het Heuvelland, waar hij diep onder de indruk van de natuur raakte en doordrongen van de grootsheid van het leven. Omdat geld (verdienen) en bezit in zijn ogen niet belangrijk was, lag zijn prioriteit elders en richtte hij zich hoofzakelijk op de kunst van het levensgenieten. "Ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb..." luidde zijn wijdverspreide motto. Hoe zwaar het arbeidersleven ook was, zijn moeder zorgde er te allen tijde voor dat ze verzorgd de deur uit ging - door haar bondjas werd ze ook wel 'de chique madam' genoemd - maar de jonge schilder gaf hier totaal niks om en droeg dikwijls afgedankte kleren van zijn vader, waardoor hij in het dorp werd gezien als een schande voor de keurige familie. Zo had hij een keer zijn gloednieuwe winterjas ter waarde van 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, aan een zwerver geschonken, omdat deze de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij vond hij, dit tot grote verbazing van zijn ouders.
In zijn vroege tienerjaren, na het (na twee jaar) vroegtijdig beëindigen van de Ulo in Valkenburg, gevolgd door een diploma van de Ambachtsschool in Heerlen in 1960 tot huisschilder - hier had hij op dat moment nog te jong voor de kunstacademie om zijn ouders tevreden te stellen volgens eigen zegge "... vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan ..." - zou hij zich verder afzetten tegen het (in zijn ogen) petieterige ouderlijke gezag en het al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om de wijdte te verkiezen en de wereld in te trekken. De jonge rebel liep veelvuldig van huis om vervolgens geheel onverwacht weer bij zijn ouders aan de deur te staan, maar gaandeweg liet hij zich gelden door langere afwezigheid en een leven in ballingschap. Rusteloosheid als gevolg van "... de beknelling van de leuning van de Schinse stoel..." dreef hem tussen zijn 15e een 19e levensjaar tot diverse langdurige solistische reizen soms van enkele maanden tot zelfs driekwart jaar door diverse landen in het op dat moment gesloten Europa waaronder Duitsland (Laurensberg onder de studenten van de Akense universiteit, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs) en Spanje, op zoek naar vrijheid en andere manieren van leven, terwijl zijn ouders in de tussentijd tot groot verdriet veelal geen idee hadden waar hun zoon zich ophield. Gedurende al die ondernemingen leerde de avontuurlijke vagebond met doorgaans amper meer dan 2,5 Gulden op zak de kunst van het (over)leven en vergaarde hij schamele inkomsten als vrijbuiter (decorateur, barkeeper, bordenwasser, kermishulp) en door middel van zijn tekentalent waarmee hij als portrettist het uitgaande publiek op de terrassen, in de kroegen en op andere openbare gelegenheden tekende. Zijn enige trouwe metgezel bij al die solistische reizen was op dat moment zijn tekenblok, waarin hij onderwerpen vastlegde die hem gedurende zijn reizen intrigeerden (zoals de uitgesproken Teutoonse 'bonkige' koppen), maar ook talloze ideeën en gedachten van religieuze en wereldbeschouwelijke aard passeerden de revue. Meermaals werden door zijn ouders zoekacties georganiseerd, een enkele maal zelfs Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na een afwezigheid van ruim driekwart jaar in het Schwarzwald aantrof en hem met enige dwang thuis bezorgde. Tussendoor, in 1961, vergezelde de jonge vagebond het internationaal vermaard circusgezelschap Toni Boltini als olifantendompteur en rekwisiteur - Tony Boltiny was een klant van Klants Zoo en dressuurschool uit Valkenburg, die dompteurs en dieren aan internationale circusgezelschappen verhuurde - een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland, totdat ook de circuspiste hem benauwde en hij wederom zijn vrijheid opzocht. Opnieuw had de familie Coumans geen idee waar hun zoon verbleef, totdat de familie toevallig via een documentaire op de televisie met als onderwerp het circusleven over diens avonturen moest vernemen.

 

 

Op de momenten dat hij bij zijn ouders in Schin op Geul verbleeft en zodra hij niet als boerenknecht of als huisschilder-vrijbuiter (geregeld vergezeld van een collega-schilder uit de buurt) her en der aan het werk was, struinde hij met zijn schildersattributen door de vrije natuur in de omgeving van zijn geboortedorp Schin op Geul (de Sousberg, het Sint Jansbos, het Geerendal) en Oud-Valkenburg (kasteel Schaloen en de Drie Beeldjes) om plein air te schilderen. De wonderbaarlijke fenomenen in de natuur maakten hem lyrisch en wakkerden een schilderkoorts aan. De jonge schilder was overweldigend en verwonderd door de vele indrukken van de fenomenen, dat hij deze wilde doorgronden, blootleggen en andere mensen hiervan deelgenoot wide maken. Plaatselijke bekendheid zorgde gaandeweg voor opdrachten van natuurmotieven, portretten en decoratieve wandschilderingen (natuurmotieven) bij particulieren en enkele établissementen in het dorp.
Door de emotionele verbondenheid met het leven (de numineuse natuur) behoorde het typische landschap van het Geuldal al snel tot een geliefd motief: dit motief zou gedurende zijn verdere schilderscarriere een centrale positie zou gaan innemen en uiteindelijk kenmerkend worden voor zijn artistieke oeuvre. De emotionele verbondenheid resulteerde ook (al vroeg) tot een interesse in de wereld en een maatschappelijke betrokkenheid, vermoedelijk nog eens versterkt door de persoonlijke ervaringen in het dorp en wat hij van de wereld gezien had gedurende zijn reizen. Die betrokkenheid uitte zich in diverse religie- en maatschappijkritische werken. Zo getuigt zijn schetsblok van verscheidene Bijbelse thema's, dikwijls met de jonge schilder zelf in de hoofdrol - als martelaar, verstotene of de broer van Jezus - maar ook onderwerpen over de Verlichting en het Humanisme passeren de revue. Sociaal onrecht (jegens andersdenkenden) blijkt een groot en terugkerend thema. Een voorbeeld van een kritisch werk is de zogeheten Kruisiging, een groot werk waarmee de jonge schilder verwees naar een wereld van oorlog (zie de twee soldaten), het oppervlakkige genot (de 2 wellustige vrouwen), daarnaast een verwijzing naar de onschuld van kinderen (het meisje links). Geregeld kende de schilder momenten van neerslachtigheid en grote woede uit machteloosheid over al het onrecht in de wereld waar hij duidelijk niet mee kon omgaan - in de huidige tijd zou hij hiervoor waarschijnlijk psychologische begeleiding krijgen - wat ertoe leidde dat er veelvuldig schilderijen in rook op gingen (in de achtertuin van zijn ouders).
Zonder enige kunstopleiding maar met de opgedane kennis van materialen en schildertechnieken op de Ambachtschool maar bovenal door het intensief bestuderen van de grote meesters wist Hans Coumans zich het schildervak op jonge leeftijd eigen te maken. Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn, Frans Hals, maar ook Francisco Goya en Diego Velázquez zag hij op dat moment als groot voorbeeld. Later zou de jonge schilder ook het frivole werk van Claude Monet en Édouard Manet alsook de krachtige grafische werk van Vincent van Gogh gaan waarderen - er gaat het gerucht dat hij een keer een werk had gesigneerd met 'Vincentje' om vervolgens de volgende dag rond te lopen met een opvallend pleister aan zijn oor. Het ging de jonge schilder bij het bestuderen niet zozeer om het één-op-één kopiëren van de overwegend langdurige klassieke laag-over-laag technieken, maar veeleer om de gecreëerde effecten, zoals de weergave van materialen, de compositie-typen en de dramatische Barokke licht-donker effecten, die hij via een eigen 'ontwikkelde' losse en toen al buitengewoon vlotte nat-op-nat-schildermethode nabootste. Terwijl zijn voorgangers veelal de luxe hadden van een uitgebreid kleurenpalet, was de Struchtse schilder in de vroege periode veelal toegewezen op enkel de primaire kleuren en zwart en wit, een enkele keer een ondersteunende kleur, omdat verf duur was. Hoewel thema's, technieken en vooral dramatiek geleend waren uit de barok, zijn de werken beslist impressionistisch: het zijn de impressies van het ogenblikkelijke moment. Al op jonge leeftijd beschikte Hans Coumans over een verbluffende virtuoze hand en wist hij in een mum van tijd een krachtig, vanzelfsprekend beeld neer te zetten. Met name de portretten, zonder twijfel de grootste uitdaging in het schildervak, die hij toen vervaardigde zijn niet alleen sprekend als beeltenis; hij was in staat om het karakter, het wezen des persoons, werkelijk te laten spreken. Een een van de eerste zelfportretten in de trant van Rubens genaamd 'de Zigeuner', welk hij op 16-jarige leeftijd vervaardigde en hij van zijn ouders mocht laten inlijsten, wekte zozeer de interesse van een Valkenburgse verfhandelaar en zelf enthousiaste amateurschilder, dat deze het werk maar liefst een half jaar in zijn etalage tentoon stelde wat plaatselijk tot belangstelling leidde voor de jonge schilder.

De militaire dienstplicht, eenmaal (na vijf niet beantwoorde oproepen) gestationeerd in de barakken van de Willem II kazerne in Amersfoort, maakte in 1963 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden, maar al gauw verwierf de jonge, anarchistische en pacifistische schilder, die geen enkele autoriteit erkende en pertinent weigerde een wapen ter hand te nemen om te schieten - pas op: hij was geen dienstweigeraar: "ik doe overal aan mee, maar schieten verrek ik!!" - een uitzonderingspositie en bleek hij enkel geschikt om de officieren en hun families te portretteren. Als een geluk bij een ongeluk werd de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening op de stormbaan plotsklaps slachtoffer van een zwaar ongeluk met een verbrijzelde voet en enkele weken verblijf in het militaire ziekenhuis Dr. A. Mathijsen (MHAM) in Utrecht tot gevolg en mocht hij van defensie, die weing kon aanvangen met deze schilder en deze liever kwijt was, na een deal - hij mocht vrijuit gaan na een overeenkomst, dat hij defensie niet aansprakelijk zou stellen voor het gedurende zijn diensttijd opgelopen letsel - vroegtijdig 'glansrijk' afzwaaien en zijn vrijheid opnieuw tegemoet treden.

 

 

Verlost van "... de tucht van het leger", eenmaal terug in het Geuldal, trok hij weer in bij zijn ouders, die inmiddels overtuigd van het bijzondere talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken van hun woonhuis inmiddels hadden laten verbouwen tot atelierruimte. Toch zouden na aanvankelijke rust de emoties spoedig weer hoog oplopen totdat de situatie wederom onhoudbaar werd, waarop zij hun zoon definitief de deur wezen. Vanaf dat moment verkaste de jonge vagebond - de pauperschilder met enkel 3 penselen op zak - van het ene naar het andere adres, soms kortstondig in leegstaande hotelkamers gedurende het laagseizoen, soms op een zolder of een langere tijd bij een boer op de Keutenberg in Schin en via een kennis van zijn oudere zus een tijd lang boven een kroeg in Oud-Genhei, en verrekende hij bij gebrek aan geld kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Anderzijds was geld geen thema en hoefde hij geen honger te lijden, aangezien hij door zijn manier van leven en zijn charismatische persoonlijkheid door de mensen, niet in de laatste plaats door de kasteleins, werd omarmd en in de kroegen en restaurants dikwijls een warme maaltijd aangeboden kreeg. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, kreeg hij her en der in de kroegen en in etalages van winkels in Valkenburg en omstreken de mogelijkheid aangeboden om zijn werk op te hangen en struinde hij de vele Zuid-Limburgse kroegen, de wekelijkse markten, kunst- en ambachtsmarkten en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld een werkje van het typische Heuvelland op de kop konden tikken. In pension 't Hoonderhöfke in Schoonbron, dat gerund werd door een sociaalbetrokken familie die gedurende het laagseizoen hun pension openstelden voor probleemjongeren (die in die tijd nergens terecht konden) en waar Hans Coumans, moe en gedeprimeerd van het ongebonden bestaan, gedurende de winterperiode van 1964 en 1965 af en aan verbeef, en later in het restaurant van Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, waar de jonge schilder veelvuldig in de schilderachtige omgeving werkte, organiseerde hij zijn eerste serieuze exposities. Nadien zou het pension en restaurant geregeld volhangen met zijn werk bestemd voor de verkoop.

In 1965 verruilde de jonge aspirant-schilder het lieflijke Geuldal voor de logge Maasoever en mocht hij eindelijk (inmiddels oud genoeg) toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte ambachtelijkheid van het schilderen Hans Coumans erg aansprak, stuitte de harde hand van de academische scholing - de technische aard als ook het strenge didactische schoolsysteem (de eindeloos herhalende oefeningen en het verplichte gebruik van hulpmiddelen zoals de schilderstok) - stuitte de aspirant vrije kunstschilder, die sterk emotioneel en intuïtief werkte zo zeer tegen de borst, dat hij het na een aantal verhitte discussies al binnen een paar weken voor gezien hield en de academie vroegtijdig verliet om zich vervolgens, eigenzinnig en overtuigd van zijn kwaliteiten, eigenhandig verder plein air te bekwamen in de schilderkunst. Hij concludeerde al gauw op de academie niks te kunnen leren - "zij kunnen nog iets van mij leren!" stelde de jonge schilder - en dat de academie dus niet de geschikte plek was om hem verder te brengen. De academische werken waren vanuit technisch oogpunt dan wel perfect, maar de werken leefden niet, was hij van mening. De techniek ondermijnde de spontaniteit van het schilderen en het gevoel, de emotie, wat nou juist de essentie was van een schilderij. "Een schilderij moet leven!!", was hij stellig. Toch zou het ontbreken van een gedegen academische scholing hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en anatomie een rol speelden.
Na de weinig succesvolle academietijd stortte Hans Coumans zich enige tijd in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Hier in de vele kroegen die de stad rijk was ontmoette hij jonge geestverwanten, andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er gefilosofeerd over het leven, geouwehoerd, hard gezongen en op tafels gedanst en niet minder enthousiast gedronken - hier kreeg hij de bijnaam De Kozak, vanwege zijn interesse in de Russische cultuur, Russische zangkoren maar ook omwille zijn opvallend ruig ogend Russisch uiterlijk. Met mede-aspirant-schilders volgden vele nachtelijke discussies over kunst en het kunstenaarsschap, en ook dat volgens de algemene opvatting "kunstenaars parasieten van de samenleving waren". Om het tegendeel te bewijzen (dat een vrije schilder zelf zijn brood kon verdienen en niet afhankelijk hoefde te zijn van overheidssubsidies) ondernam de jonge, eerzuchtige schilder samen met academie-kameraad de schilderende schipper of de schipperende schilder (daar was eigenlijk niemand het over eens) gedurende de winter van 1965-1966 een 3 maanden durende voettocht door de Eifel (met enkel tien Gulden als inleggeld), waarbij het opvallende tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen goed geld verdiende - dit werd overigens door betrokkenen net zo goed ter plekke gespendeerd - en bij terugkomst bleek dat de reis ieder zelfs enkele honderden Guldens had opgeleverd.

de vrijbuiter

Terug in Zuid-Limburg vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder definitief in het bekoorlijke toeristische Geulstadje Valkenburg, waar hij zich intensief bezighield met een bruisende schilderkunst en een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Hoewel de vrije schilder zich na de academietijd eigenhandig plein air verder bekwaamde in de landschapskunst, ontplooide hij zich hier in het toeristische stadje aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als plein air sneltekenaar van houtkool portretten in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën, evenementen en weekmarkten en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e waardering voor kreeg - en als reclame-decoratieschilder van thematische wandschilderingen, veelal met als onderwerp het Heuvelland en de regionale volkscultuur, in de établissementen en andere openbare gelegenheden in Valkenburg en omstreken. Terwijl Valkenburg vanaf het einde van de 19e eeuw met de oprichting van het eerste VVV-kantoor Het Geuldal als internationaal kuuroord met enkele chique boutiquehotels hoofdzakelijk inspeelde op de welgestelden en industrieëlen, kwam Valkenburg als gevolg van de toenemende welvaart in het Nederland vanaf de jaren 60 en 70 meer en meer in zwang bij de gewone burgerij, met als gevolg dat het horeca-aanbod veranderde en er meer en meer kroegen en restaurants verschenen. Deze établissementen speelden gretig in op de regionale cultuurbeleving wat de vraag aanwakkerde voor wandvullende idyllische, geromantiseerde taferelen van het typische Zuid-Limburgse landschap met zijn kenmerkende vakwerkhuizen en grazende paarden en koeien, wat nu het specialisme van Hans Coumans werd. Hij ontdekte een lucratieve nichemarkt en kreeg het buitengewoon druk dat hij binnen afzienbare tijd een plaatselijke bekendheid werd. Hij verkreeg opdracht naar opdracht en gaandeweg hingen er tientallen decoratieve werken in de kroegen en hotels van Valkenburg en omstreken en zou hij vervolgens, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders (waaronder academiegenoot de schilderende schipper, een operazanger, een tekenleraar en een andere plaatselijke Bourgondische schilder) opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Maastricht tot Vaals en van Eijsden tot Roermond. Niet alleen was Hans Coumans bekend met het onderwerp, ook kon hij groot werken - de omvang van dergelijke werken bedroegen over het algemeen zo'n twee of drie meter hoogte en een lengte van circa vier tot tien meter en in een enkel geval zelfs 100 meter, zoals in de Steenkolenmijn. Wat de schilder ook realiseerde, typisch is het doorgaans hoge theatrale gehalte in de werken en de mate van humor met soms kritische verwijzingen naar bekende (plaatselijke) figuren of de politiek. Exemplarisch is een préhistorisch tafereel in de Steenkolenmijn De jacht, waarbij neanderthalers het opnemen tegen een kudde mammoeten, en waarbij een opmerkzaam oog een enkele jager met jachtgeweer of zelfs een helicopter kan opmerken. Of een lieflijk en sereen landelijk tafereel met ergens in een bovenhoek een opdoemend militair Awacs-vliegtuig waar hij een Godsgruwelijke hekel aan had. Dan weer een vrolijk schutterstaffereel met allerlei dronken schutters en koeien in allerlei pozen, terwijl onopvallend in een buitenhoek van het werk op een muur een graffititekst met de nietsverhullende boodschap "K.V.P. - Roomse huichelaars" prijkte.
In de korte tijd dat hij in het schilderachtige Geuldal actief was had Hans Coumans een opvallende reputatie opgebouwd van Bourgondische schilder, een bon-vivant, een schilder met veel dorst, die veelvuldig het bruisende sociale leven opzocht - "inspiratie komt niet alleen van de Herrgot maar tevens uit onze brouwerijen!" en "waar hard gewerkt werd moet hard gedronken worden!" waren zoal vermaarde uitspraken - en in de plaatselijke lokaliteiten steevast middelpunt van belangstelling was of regelmatig voor roering zorgde - pas op: hij ging nooit aan de bar zitten, altijd aan de stamtafel. Legendarisch waren de herhaaldelijke taferelen van een verlate schildersuitrusting in het centrum van Valkenburg of ergens aan de oevers van de Geul dikwijls compleet voorzien van een schilderij met de vermelding "de schilder is effe weg!", terwijl de uitrusting daar soms dagenlang onbewaakt stond en de schilder al die tijd in geen velden of wegen te bekennen was.

 

 

Naar aanleiding van de actuele gebeurtenissen in de Randstad, waar net als in tal van grote Europese steden halverwege de 'wilde' jaren 60 grote roering ontstond op het gebied van kunst en democratie, lonkte in het voorjaar van 1965 de wijdsheid van de polder en het vrije van de stad, en trok Hans Coumans voor enkele maanden naar Haarlem en Amsterdam om zich te begeven onder de jonge academici van de Rietveldacademie en de recentelijk opgerichte anarchistische Provo-beweging die met het geweldloze verzet en met ludieke acties de macht van het establishment wilde breken - naast geweldloos verzet tegen de authoriteit waren andere thema's ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - echter de massahysterie en het allesbehalve ludieke (gewelddadige) politieoptreden in de hoofdstad deden de jonge schilder spoedig gedesillusioneerd terugkeren naar het rustigere, gemoedelijkere zuiden.

Op advies van de plaatselijke verfhandelaar, inmiddels vaste verfleverancier van Hans coumans - hij is inmiddels een fan, die de schilder geregeld verf en doeken voorschiet zodra deze weer eens op zwart zaad zit aangezien deze totaal niet met geld kon omgaan - die moest aanzien dat de schilder zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële, quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij de in Valkenburg woonachtige landelijk bekende beeldend kunstenaar Charles Eyck. Hoewel de verfhandelaar Hans Coumans (de schilder kennende) diverse malen met klem aanspoorde om deze keer (echt) vol te houden, bleek het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten waardoor deze nog maar sporadisch het atelier bezocht. Charles Eyck greep het liefst zelf naar het penseel en beginnende assistenten mochten dan ook enkel basiswerkzaamheden verrichten, zoals het aanbrengen van de grondlaag en het opzetten van compositielijnen - "... wat lijntjes trekken..." aldus Hans Coumans - en penselen schoonmaken, wat voor de ambitieuze, eerzuchtige jonge schilder een doorn in de ogen was. Charles Eyck had hem al eens te kennen geven, dat hij een groot schilder zou kunnen worden, als hij nou maar eens geduldig zou luisteren (naar zijn leermeester), echter voor geduld had Hans Coumans geen talent en bij afwezigheid van zijn leermeester vanwege diens vakantie zag hij zijn kans schoon en vervolmaakte hij enkele schilderijen van zijn leermeester naar eigen inzicht, die bij terugkomst allerminst gecharmeerd is van deze opmerkelijke actie en zijn dwarse leerling zonder pardon de laan uit stuurde.
Achteraf gaf Hans Coumans ruiterlijk toe dat hij, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest (wat hij op dat moment ronduit vreselijk vond), het nodige van zijn leermeester te hebben gezien en opgestoken over het toepassen van kleuren en verftechnieken. Hij was zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar buitengewoon kritisch over zijn schilderkunst, met name waar het de portretten betrof: “Eyck is een goede tekenaar die zijn tekening vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken.”. Ofschoon Charles Eyck zijn leerling erkende als aanstormend talent en gecharmeerd was van de wijze van schilderen, vond hij diens schilderijen soms telleurrstellend: "De werken zijn te druk, te rommelig, te onrustig...". Volgens de leermeester was het dikwijls een compositorische bende, een allegaar en ontbrak het aan een krachtig thema. Zijn advies was dan ook om soms maar gewoon een stuk van het schilderij af te snijden, zodat er rust en eenheid (helderheid in de compositie) ontstond. Ook over de portretten is Hans Coumans dikwijls niet te spreken: het waren knap getekende portretten, maar ze leken (soms) niet of hadden een apathisch voorkomen. In dat opzicht verschillen de schilders duidelijk in hun opvatting over portretkunst. Voor Charles Eyck was het portret nadrukkelijker grafiek, terwijl Hans Coumans vooral het wezen des persoons wilde laten spreken. De portretten van Charles Eyck waren opgebouwd van grof naar fijn vanuit verhoudingen en constructielijnen, maar voor Hans Coumans was de ware kunst van de portretkunst exclusief gelegen in de ogen. Zodra hij de ogen 'te pakken had' dan ontwaakte de hele aard en het wezen, doorgaans in een verbluffend rap tempo - Hans Coumans had een krachtige hand - en ontvouwde de rest zich vanzelf (rondom de ogen). "Ik begin met de ogen, dit zijn de spiegels van de ziel", benadrukte de schilder. Hans Coumans is hierin beslist meesterlijk, omdat hij over het talent beschikte om onwaarschijnlijk diep in iemands wezen door te dringen. De snelheid en de precisie maken de portretten uniek in hun klasse. Het karakter des persoons dat zich weerspiegelde in het gelaat wist hij dikwijls slechts in een paar streken met groot gemak op treffende wijze gestalte te geven op het 'moeilijke' witte papier (of het linnen doek). Deze knappe portretten 'leven', dat de toeschouwer een haast ongemakkelijk gevoel bekruipt continue bekeken te worden. Zonder twijfel vormt het sneltekenen één van de moeilijkste onderdelen in de schilderkunst, wat een grote en aantrekkelijke uitdaging vormde voor de schilder, en wat hij dan ook gedurende zijn carrière continu verder perfectioneerde. Frappant genoeg had hij in tegenstelling tot het gelaat soms ronduit moeite met het schilderen van handen of vingers, zodat hij deze dikwijls verbloemde of buiten beeld hield. Ondanks de kritiek is de invloed van Charles Eyck zichtbaar in enkele werken, die Hans Coumans kort daarna vervaardigde, maar de tekenachtige penseelstreken en het donkere, sombere koloriet laat hij snel los. "De werken zijn te donker, ze moeten lichter!", is hij nogal fel. Alhoewel Hans Coumans en Charles Eyck nogal verschillend dachten over kunst, onderhielden zij blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten en niet in de laatste plaats in de plaatselijke kroegen.
In korte tijd (na Charles Eyck) had de schilderstijl van Hans Coumans een opvallende verruwing aangenomen, beslist een uiting van een wilde, turbulente periode. De schilderijen ogen woester dan voorheen. Ze zijn veelal opgezet met het paletmes of plamuurmes, waarmee de schilder de verf met losse, ruige streken rijkelijk over het doek uitsmeerde en vermengde. In sommige gevallen kraste hij met de achterkant van het penseel vervolgens door de natte toplaag, waardoor de onderlaag zichtbaar werd. In zekere zin was deze methodiek (hoewel beperkt) een abstrahering ten opzichte van zijn eerdere werkwijze, waardoor het niet alleen mogelijk was in een buitengewoon rap tempo te werken, maar belangrijker, deze wijze van schilderen dwong hem zich te concentreren op een eenduidig hoofdthema. Dit was een belangrijk inzicht, waar Charles Eyck hem eerder al op had gewezen en wat nu zeker toch enige navolging vond.
Behalve Charles Eyck was 'schilder van het Geuldal' Jos Frissen, met wie Hans Coumans de gemeenschappelijke liefde voor de natuur van het Geuldal deelde, zeer te spreken over het werk van zijn jongere plein air collega-schilder. Collega-kunstschilder Lei Molin, oorspronkelijk uit Berg, die naar Amsterdam was getrokken om zich te scharen onder een nieuwe generatie van Limburgse schilders, de zogeheten Amsterdams Limburgers, waar ook onder andere Pieter Defesche, Jef Diederen en Ger Lataster deel van uitmaakten, vond het gezien het talent van Hans Coumans een gemiste kans, dat deze geen serieuze pogingen had ondernomen om zich als schilder te vestigen in de hoofdstad en was "... blijven hangen in die slurf". Volgens Lei Molin was Hans Coumans veel meer tot zijn recht gekomen als hij los was gekomen van de traditionele opvattingen over schilderen. De Amsterdamse Limburgers zagen een vertrek uit Limburg als enige oplossing om los komen van de invloed van de Maastrichtse School en de druk van de Room-katholieke kerk bij opdrachten. Maar in tegenstelling tot de Amsterdamse Limburgers die in de hoofdstad hun artistieke heil zochten, was Hans Coumans een vrije en (financieel) onafhankelijke schilder en niet afhankelijk van opdrachten van de kerk. Bovendien was hij toch meer gehecht aan het weelderige landschap en al even weelderige cultuur van de zuidelijke Nederlanden, dat in zijn ogen onovertroffen uniek was in zijn soort en een grote inspiratiebron vormde voor zijn schilderkunst.

Toen in het voorjaar van 1969 een bevriende Valkenburgse stadgenoot naar Spanje vertrok om in Calella de Costa een kroeg te openen - aan de sinds de jaren 50 opkomende toeristische Costa Brava werkten meerdere stadsgenoten gedurende het hoogseizoen in de horeca - vergezelde Hans Coumans hem. Ondanks dat de schilder "... een Godsgruwelijke hekel" had aan auto's en als medepassagier normaliter doodsangsten uitstond, was deze opoffering kennelijk een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg, waarmee hij doelde op de kwestie 'overenthousiaste alcoholgebruik'. In Calella huurden de kameraden voor 50 Gulden per maand een sober ingericht appartement bij een oudere Spaanse dame, die tevens geregeld een avondmaaltijd verzorgde. Omdat de opening van de kroeg vanwege het uitblijven van de vergunning nog op zich liet wachten, bestond de eerste tijd behalve uit het vervaardigen van enkele schilderijen in de kroeg vooral uit een belangrijke taak het verkennen van de kroegen in de omgeving, wat al gauw een dagtaak bleek, zeker aangezien die kroegen werden bezocht door Nederlandse mensen en bekenden uit Valkenburg. Toen na een maand het geld op was, moesten er toch activiteiten ontplooid worden om inkomsten te genereren, en terwijl zijn kameraad zich verder richtte op zijn kroeg en in afwachting van de vergunning her en der bijkluste, hervatte Hans Coumans net zoals in het Heuvelland zijn activiteiten als plein air sneltekenaar-schilder en reclame-decoratieve schilder en maakte hij hier aan de Spaanse Costa's in de opkomende toeristische steden waaronder Calella de la Costa, Benidorm en Lloret de Mar met tientallen decoratieve werken in diverse horecagelegenheden spoedig faam als Pintor Holandes. Dat het de schilder ook op financieel gebied voortvarend ging, dat was overigens vooral te danken aan zijn bevriende stadsgenoot, die een 'wat' meer zakelijk instinkt had - bij Hans Coumans was doorgaans het devies: "dat komt wel goed!" - en van tevoren duidelijke afspraken maakte met de opdrachtgever omtrent de vergoeding van een werk. Enkele omvangrijke weelderige jachttaferelen en taferelen van vreetfestijnen met rondborstige vrouwen en een stel honden die er vandoor gingen met wat werd opgediend in (naar wat later bleek) het zeer exclusieve restaurant 'La Olla' van de privékok van generaal Franco, waar doorgaans enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden vertoefden waaronder de wereldberoemde Surrealist Salvador Dali, leidde tot een exclusieve uitnodiging voor de opening van zijn aanstaande expositie in Barcelona. Echter op de betreffende dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers al snel in het historische centrum, en bij navraag in een plaatselijke bodéga waar luid flamenco werd gespeeld en op tafels gedanst bleken de geneugten des levens toch boeiender dan een kunstexpositie, waardoor het nooit tot een ontmoeting is gekomen. "Ach, die Dali...", haalde de Pintor Holandes zijn schouders op, bij nader inzien was deze toch te elitair, te overdreven. Bovendien had hij niet zo veel op met het surrealisme. Terug in Calella de Costa ging het Hans Coumans voor de wind - hij had vollop werk - totdat een klein half jaar later, na problemen met de uitbetaling van een omvangrijke (en overigens zelf geregelde) opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, welk maar liefst bijna een volle maand in beslag had genomen - een Paraguyaanse krant had melding gemaakt dat dit omvangrijke werk was vervaardigd door een beroemde Paraguyaanse kunstschilder, waar de Limburger natuurlijk furieus over was - hij besloot volledig berooid en uitgeput maar niet zonder dat hij zich eerst met enkele stadsgenoten midden in de nacht toegang had verschaft tot de locatie en het omvangrijke werk in zijn geheel met witte muurverf over had geschilderd, deels te voet deels liftend terug te keren naar de lage landen.

Aan het einde van de jaren 60 had de markante Hans Coumans zich door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn flamboyante charisma in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg ontpopt tot een populair cultfiguur, een schilder van het volk, zelfs een ware plein air toeristische attractie à la Montmartre en inspirator voor andere schilders. De opvallende theaterman was standaard omringt door een menigte en viel niet meer weg te denken uit het straatbeeld van Valkenburg en omstreken. Het markante Geuldal en de al even markante Hans Coumans waren onafscheidelijke begrippen geworden. Hij was de hofschilder van de toeristische hoofdstad van het zuiden, die vele publieke werken voor de gemeente, de plaatselijke horeca, banken, bedrijven en verenigingen realiseerde (soms i.s.m. diverse assistent-schilders), en die diverse vooraanstaande publieke figuren en de plaatselijke bourgeoisie op het linnen vereeuwigde. Opdrachten voor schutterijen, carnavalsverenigingen (onder andere van Carnavalsprins Gier II) en diverse toneelverenigingen vervaardigde hij dikwijls gratis of voor een krat bier omdat het sociaal of maatschappelijk gerelateerd was of omdat '... lachen nou eenmaal belangrijk was". Daarnaast nam hij het houtskool over van kunstschilder-grottekenaar Albert Widdershoven en realiseerde hij op zijn beurt verschillende omvangrijke werken in de diverse Valkenburgse grotten, waaronder de Gemeentegrot en de Steenkolenmijn (o.a. een muurtafereel over de evolutie van maar liefs 100 meter lang). Op de terrassen en in de vele kroegen die de regionale hoofdstad rijk was gaf hij als sneltekenaar veelvuldig acte de présence, net als op de terugkerende Luikse markten en braderieën.

 

 

De andere Hans Coumans (de serieuze schilder)

Ofschoon het hem in die tijd als culturele entrepreneur gezien het groot aantal opdrachten voor de wind ging, weerhield het gemakkelijke commerciële geld maar beslist ook het Bourgondische leven hem ervan om zich te richten op datgene waar zijn hart werkelijk lag, namelijk de ware schilderkunst of zoals hij dat zelf verwoordde: "de kunst van het echte schilderen". In tegenstelling tot zijn reputatie was de zelfgeafficheerde vrije schilder allesbehalve volledig vrij, wat hij maar al te goed besefte. Het zelfpredikaat schilder van het volk was in feite niets anders dan schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg maakte de schilder kenbaar, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapotging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Maar hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken, bleef Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en aan het landschap van het Heuvelland en ondanks dat veel tijdgenoten in de traditie van de modernistische tijdgeest werkten, bleef hij het impressionistische palet hanteren. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans "... met zijn talenten in die slurf is blijven hangen..." en niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij zijn talent en vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Maar Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Heuvelland oefende blijvend grote aantrekkingskracht op hem uit en dit motief zou altijd zijn geliefd onderwerp blijven, waar hij zijn schilderscarriere grotendeels aan wijdde.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd werd aangemoedigd en geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de non-conformist dit telkens als bemoeizucht. Niemand had hem daadwerelijk kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken. Dit veranderde echter plotsklaps met de komst van zijn Valkenburgse muze - dit was zijn schoonzus, met wie hij bijna 20 jaar geen contact mee had gehad en die door haar 2 in Valkenburg befaamde tantes naar hem toe gestuurd voor een portretopdracht - met wie hij na een kortstondige liefdesaffaire een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk trad en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrok. Zijn muze gaf hem niet alleen (enige) structuur en het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Zij dwong hem na te denken over wie hij werkelijk wilde zijn: de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en rust die zijn vrouw hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn artistieke kunnen, bewoog de schilder uiteindelijk om zich vanaf dat moment volledig te gaan wijden aan de ware schilderkunst, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker op het moment dat de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitbleven en zij hem met hun eerste zoon dreigde te verlaten, moest hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en en daarnaast zijn productie zien te vergroten en nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment was de schilder dan ook structureel - een nieuw woord voor de schilder - te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden zodra de winterkou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakt in zijn atelier veelal richtte op stillevens en de (olieverf) portretkunst. Daarnaast gaf hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, op weekmarkten, fancy-fairs, allerlei thematische (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel (bron van inkomsten) zou gaan uitmaken van zijn kunstenaarsschap.
Dat Hans Coumans in een andere levensfase terecht was gekomen had zichtbaar uitwerking op de wijze van schilderen. De schilderijen lijken plotsklaps ontdaan van hun ruwe, grove karakter en zelden of nog maar incidenteel werkt hij met het plamuurmes. In plaats daarvan beschikken de beeltenissen nu over een zachtere, lichtere - een vriendelijke of lieflijke - toets dan voorheen. Het koloriet is frivoler en geraffineerd (complexer) waardoor de werken sprankelen. Veelal zijn de werken lichter in gewicht doordat de schilder minder verf gebruikt. Soms vormt de kleur van het lichtbruin gekleurde naakte linnen een onderdeel van de kleurschakering.

 

 

Na een moeizame financiële en emotionele periode die hierop volgde, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten bracht en de schilder in zijn kunst nog steeds gedwongen was concessies te doen, trok Hans Coumans in de zomer van 1974 met zijn prille gezin voor een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, weg uit Valkenburg, in de omgeving van Mons, Binch en Charleroi in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseerde de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden - hij wilde de schilder helpen om publiciteit te genereren om de verkoop van zijn werk te stimuleren - een derde grote expositie. Hoewel deze expositie slechts een weekend duurde, en de schilder behalve 2 borden bij de entree verder geen publiciteit had gemaakt via de plaatselijke kranten, werd de expositie redelijk goed bezocht en verkocht hij enkele werken.
Hoewel na de korte intermezzo in België de zaken gaandeweg beter gingen en de verbouwing van zijn atelier begin 1975 bovendien een positieve invloed had op zijn productie, ervoer de schilder een toenemende onvrede over de indringende veranderingen in het mergelstadje. Niet alleen stuitte de vernieuwingsdrang (modernisatie) van Valkenburg vanaf het begin van de jaren 70, waarbij door een golf van afbraak en sloop van karakteristieke historische panden en tezelfdertijd de bouw van grootschalige anonieme nieuwbouw de unieke identiteit van het mergelstadje dreigde verloren te gaan, de schilder tegen de borst. Ook ondervond de schilder en zijn jonge gezin direct toenemende overlast van het massatoerisme, dat zijn intrede had gedaan en Valkenburg in zijn verstikkende greep had. Toen gesprekken met een aangrenzende hotels over geluidsoverlast en brandgevaar niets opleverde en een aanpassing van zijn huis geen effect sorteerde, restte de schilder niets anders dan zijn tot voor kort erg geliefde plek in de Lindelaan in het hart van Valkenburg op te geven.

 

 

Van een bevriende Valkenburgse kastelein en vastgoedontwikkelaar kreeg Hans Coumans in de zomer van 1976, nu met een tweede zoon op komst, het aanbod om in het nabij gelegen, rustigere forensendorp Nuth te gaan wonen. De Valkenburgse ontwikkelaar was hier eigenaar van het imposante voormalige gezellenhuis 'Ons Thuis' en latere nonnenklooster (op dat moment een tijdelijk asielzoekerscentrum) aan de Stationsstraat met bijgebouwen (het voormalige Groene Kruisgebouw) en een groot park. De ontwikkelaar was voornemens het complex te herontwikkelen, echter tot die tijd zou het kunstenaarsgezin hier (antikraak) haar intrek kunnen nemen in een van de royale bijgebouwen, welke uitermate geschikt was voor een kunstenaarsgezin met een behoefte aan atelierruimte.
Eenmaal gesetteld in Nuth trok de schilder er vanuit zijn nieuwe vestigingsplaats er op uit - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst kende en zodoende niet beschikt over een rijbewijs ging hij veelal te voet en met de fiets of kon hij rekenen op kennissen en opdrachtgevers die hem ophaalden en terugbrachten - om plein air te schilderen in de groene omgeving van Nuth, Terstraten en rondom Wijnandsrade. Zeker het elegante Terstraten, een typisch Zuid-Limburgs gehucht van enkele karakteristieke historische vakwerkhuizen en herenboerderijen gelegen temidden het glooiende, bosrijke landschap vormde een geliefde omgeving en een terugkerend onderwerp in zijn werk. Daarnaast werkte hij veel op de plaatselijke braderieën en Luikse markten om zijn snelportretkunsten te vertonen.
Nuth had de schilder dan wel verlost van de stressvolle situatie in Valkenburg, het ontbrak Nuth van de andere kant ook aan karakter. Afgezien een enkele kroeg was het dorp weinig temperamentvol en weinig inspirerend voor de schilder. Weg van het bruisende Valkenburg waar Hans Coumans zo gehecht aan was geraakt - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden en was hij een plaatselijke held - belandde hij in een sociaal isolement. En ondanks de aanvankelijke rust en de toenemende grip op de financiën - dat bleef overigens ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt, die hem voor het eerst een "... voor een arme schilder" gigantische naheffing deed toekomen van maar liefst 3000 Gulden - kwam de schilder al gauw in een hardnekkige mineurstemming terecht. En alsof dat niet genoeg was, ontstond er vanaf 1978 geleidelijk aan drugsoverlast in het naastgelegen AZC, waar intensief heroïne verhandeld werd. Toen de schilder na een poging tot inbraak en intimidatie van zijn vrouw verhaal ging halen bij de buren, werd hij slachtoffer van een gerichte aanslag - een schietincident op zijn woonhuis - en was het kunstenaarsgezin gedwongen om halsoverkop onder politie-escorte hun huis te verlaten en vervolgens gedurende ruim 4 maanden onder te duiken op diverse adressen in Mechelen, Slenaken en Hoensbroek. Deze ernstige situatie bezorgde de schilder medio 1979 een zenuwinzinking gevolgd door een langdurige depressie en achtervolgingswaanzin, welke vervolgens nagenoeg een jaar zou aanhouden. Er waren periodes dat de schilder enkel op de bank lag.
Zijn gemoedstoestand had zonder meer invloed op zijn artistieke prestatie. Zijn nervositeit maakte de spontaniteit totaal onmogelijk, en afgezien van enkele uitzonderingen ontbreekt het aan levendigheid in de werken die hij op dat moment vervaardigde, zoals men dat van Hans Coumans voorheen gewend was.
Eenmaal wedergekeerd in Nuth, maar niet nadat een politie-inval schoon schip had gemaakt bij de buren en het AZC werd opgeheven, verbeef het kunstenaarsgezin hier vanwege de aanstaande herontwikkelingsplannen van het kloostercomplex nog maar kort en was het gezin gedwongen om hun heil elders te zoeken. Hoewel de gemeente Nuth en diverse woningbouwverenigingen zich inspanden om de schilder en zijn gezin elders onder te brengen, beschikten zij niet over een geschikte woning voor een kunstenaarsgezin en leverde hun zoektocht geen resultaat op.

 

 


Coumansisme

Bij toeval bracht een bevriend makelaar soelaas en vestigde Hans Coumans zich met zijn gezin, dat nu uitgebreid werd met een dochter, in de zomer van 1981 in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankocht - mede dankzij één van de twee tantes, die haar pensioentijd hier in het theater op het balkon dat voorheen bestemd was voor het fanfareorkest zou doorbrengen - en via een grootscheepse verbouwing overigens hoofdzakelijk georganiseerd door de kunstenaarsvrouw en met de hulp van enkele Valkenburgse kameraden verbouwde tot atelierwoning - de schilder deed enkel waar hij goed in was: schilderen. Toen eenmaal bleek dat zijn vrouw en zijn tante het goed maakte en de kinderen het op school naar hun zin hadden, en hij in alle vrijheid kon schilderen, kwam de schilder geheel onverwacht gaandeweg in een persoonlijke en artistieke bloeiperiode terecht. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt betekende, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op de ware kunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt, en die trend zou zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving vond de schilder eindelijk de langgekoesterde geestelijke rust om zich volledig te wijden aan het echte schilderen. Hoewel hij zeker nog opdrachten aannam voor portretten, zou hij zich voornamelijk richten op de vrije kunst, zijn geliefd onderwerp de landschapskunst. Vanuit zijn atelier trok hij naar Jabeek, Schinveld, Etzenrade, Doenrade, Oirsbeek en Schinnen, waar hij de typische zacht-glooiende vergezichten, de holle wegen en de oude karakteristieke dorpskernen van de Zuid-Limburgse provincie aan het doek toevertrouwde. In Oud-Amstenrade bezocht hij geregeld de omgeving rondom het kasteel en de kerk. Ook toerde hij veelvuldig door de grensstreek met Duitsland, om in en rondom Gangelt, Minder-Gangelt, Sustersehl, Hillensbergen en Wehr te werken.

Vanaf de beginjaren 80 brak er voor Hans Coumans een nieuwe periode aan, een periode van zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdde zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre. In zijn carrière had hij een punt bereikt, waarop hij geen enkele concessies meer deed. En dat kon hij zich inmiddels permitteren. In de provincie genoot hij inmiddels toenemende naamsbekendheid als respectabel kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen - hoewel het een vreemde gewaarwording was om nu zelf een gevestigde schilder te zijn terwijl hij altijd fel gekant was tegen de gevestigde orde. Door de jaren heen was een groep van fans en liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankochten en collecties opbouwden. - mensen met meer dan tien werken waren geen uitzondering. Naar aanleiding van zijn wijdverbreide activiteiten ontving hij in 1981 vanuit de kunstcommissie van het Koningshuis de nationale opdracht tot de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder en de eeuwide roem tot gevolg sloeg hij af, aangezien de activist-schilder zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelde de schilder (op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman) zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage, van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici namen deel aan zijn lesprogramma's. Ook ondernam hij met meerdere internationale gezelschappen wekelijks schilderexcursies door heel Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder maakte hij acte de présence als sneltekenaar op de jaarlijkse Luikse markten, braderieën en andere (sport)evenementen om de winnaars en bezoekers te portretteren, niet alleen in de omgeving, maar inmiddels als vaste gast (via diverse organisatiebureau's voor markten) door heel Limburg, tot aan Nijmegen toe. Nagenoeg alle jaarlijkse Limburgse markten waaronder de St. Joep markt in Sittard, de Parade der Nationaliteiten in Brunssum, de wielerwedstrijd en braderie in Thorn, de Bokkenmarkt in Valkenburg, de jaarlijkse harmoniefeesten in Oirsbeek, de Boerenmarkt in Walem, het kasteel in Limbricht, konden rekenen op de Bingelraadse kunstenaar, die hier zijn tekenkunsten toonde. Een semester lang fungeerde hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildersvak, 'de ambachtelijkheid van het schilderen' bij te brengen. Na een reeks van opdrachten in Spanje in 1983 trok Hans Coumans weer vaker naar Valkenburg en omstreken, waar hij als vanouds de markante historische en beeldbepalende plekken schilderde en hij weer volop in de belangstelling stond.
Na een buitengewoon productieve periode vond begin 1984 op initiatief en georganiseerd door de plaatselijke amateurschilder-timmerman en hulp van enkele andere leerlingen een succesvolle (vierde) grote expositie plaats in Kasteel 'Doonder' in Doenrade. Ondanks dat de schilder, naast dat hij geen enkel aandeel had in de organisatie, niet aanwezig was op de expositie en er zelfs op zijn nadrukkelijk verzoek geen officiële opening was, genoot de 'openingsavond' grote belangstelling. Hoewel de schilder aangaf dat dat "officiële gedoe" allemaal niet aan hem besteedt was, had zijn afwezigheid ongetwijfeld te maken met een niet te verhullen onzekerheid of zijn persoonlijk werk zou aanslaan bij het grote publiek. Echter, het onverwachte welslagen had duidelijk gevolgen voor zijn persoonlijke welbevinden en vertrouwen in zijn artistieke kunnen, wat voor een verdere opleving zorgde. De schilder kende een enorme gedrevenheid en hij wist in korte tijd na de expositie meer dan 40 nieuwe schilderijen te vervaardigen. Voor het eerst in zijn kunstenaarsschap werkte hij structureel aan een samenhangend thema en liet hij zich gedurende het voorjaar van 1984 inspireren door motieven met het thema bloesem. Hij zocht naar onderwerpen, die stuk voor stuk kenmerkend waren voor de omgeving of zo langzaamaan een zeldzaamheid waren in het Limburgse landschap, zoals de fraaie holle wegen en de oude kromme hoogstamfruitbomen. Gezien de rap ontplooide activiteiten was het mogelijk gebleken om al na een klein half jaar in de zomer van datzelfde jaar opnieuw een (vijfde) expositie met als tiltel "Bloesemexpositie" te organiseren, wederom in kasteel Doonder, dit maal onder leiding van de Onderbankse wethouder. Deze "bloesemexpositie" markeerde een persoonlijk en artistiek hoogtepunt in zijn loopbaan. Het was duidelijk een uiting van een groot welbevinden zichbaar in de uitbundige bloesemtaferelen.

Na al deze successen bleek de schilder eind 1984 opeens ernstig ziek als gevolg van levercirrose. Toch gaf de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zou hij na een kort ziektebed in het ziekenhuis in Brunssum, gevolgd door een moeizame herstelperiode van nagenoeg een jaar - hij was strikt gehouden aan een vet-arm, alcohol-arm dieet - eind 1985 onder leiding van de Onderbankse wethouder een volgende expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, zijn zesde en meest succesvolle expositie tot dan toe. Hoewel een jaar ziekte grote impact had gehad, had de schilder het na zijn comeback nog nooit zo druk. Hans Coumans was inmiddels een milde jonge veertiger en zijn volle, bruinzwarte bos krullen ingelost voor een zilvergrijze gemillimeterde kop, echter zijn schilderijen in dat jaar waren levendiger en uitbundiger dan ooit. Nu hij weer de rust had gevonden, hoefde hij zich enkel te concentreren op het schilderen. De levensvreugde had zichtbaar weer bezit van hem genomen en hij was niet van plan om dit ooit nog los te laten.

 

 

Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie brede artistieke reputatie genoot, verkreeg hij destijds tot frustratie vanuit de mainstream of de 'officiële kunstwereld' niet de erkenning, die hij volgens zijn mening had verdiend. Gedurende een lange schilderscarriere van zo'n 25 jaar had hij zich toegelegd op het ontwikkelen van het meesterschap oftewel "de kunst van het echte schilderen" en eindelijk had hij een niveau bereikt waarvan hij vond dat hij kon zeggen dat hij het schilderen 'toch wel in zijn vingers had' - "nu mag het wat mij betreft echt gaan beginnen!" - echter, omdat hij buiten de mainstream om werkte, bleek er weinig interesse in zijn schilderkunst en bleek er voor hem weinig eer te behalen. In de periode na de oorlog werd de kunstwereld namelijk gedomineerd door de Postmoderne (abstracte / conceptuele) kunst, welke alle eerdere (figurative) kunststromingen dood had verklaard. In de Postmoderne tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met esthetiek. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als exclusieve maatstaf voor de kunstkritiek. Ondanks dat Hans Coumans met zijn zelfbenoemde Coumansisme pleitte voor volledige vrijheid in de kunsten, werd hij vooral volledig genegeerd door de kunstwereld en de gevestigde kunstbladen. Nooit is werk aan een kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de serieuze kunstbladen. 'Wie bepaalt dat, wat kunst is..?" sprak hij zich veelvuldig uit. Niet alleen was hij van mening dat de moderne kunst een teloorgang was voor de ware schilderkunst - "die drie lijnen... dat heeft weinig met schilderen te maken!" - belangrijker nog, hij verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen van de modegrillen en de afhankelijkheid van Marga Klompé (toelage voor kunstenaars), terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mocht verwachten.

 

 

Op het hoogtepunt van zijn kunstenaarsschap, met een zevende grote expositie in voorbereiding een jaar later, overleed Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder was op weg naar Malden om de winnaars en deelnemers van de jaarlijkse bosloop te portretteren, maar zijn laatste rit eindigde voortijdig op de snelweg A-73 ter hoogte van de afslag Heumen. Hij was het eerste dodelijke slachtoffer op de snelweg, die nog maar een maand eerder feestelijk werd geopend. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, was hem noodlottig geworden. Nog in de week voor het fatale ongeluk had hij zijn hoofd er niet naar staan: "Dat geraas met die auto's..!". Maar ja, er moest brood op de plank, zo stelde hij. Ook een dag eerder in de plaatselijke kroeg had hij al laten vallen dat hij geen trek had om dat hele stuk rijden. Gelukkig zou het de laatste keer zijn dat seizoen, voordat de winterkou hem het werken in de buitenlucht onmogelijk zou maken. Die mistige novemberochtend lukte het aanvankelijk niet om de schildersezel in de kleine auto (waarin hij zou meerijden) te krijgen, wat leidde tot een woordenwisseling met zijn vrouw, die hem smeekte om niet te gaan. Tevergeefs, want hij moest gaan, vond hij, hij had het die mensen immers beloofd.

Hans Coumans werd 43 jaar. De sneltekenaar-schilder liet een vrouw en vier kinderen na. Hij realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.

Aan het einde van de jaren 80 gingen ook andere schilders in Europa en de VS weer impressionistisch schilderen en ontwikkelde de Postmoderne (abstracte / conceptuele) kunst zich met de komst van het digitale tijdperk (onderzoektijdperk) tot een brede, pluriforme kunststroming, waarin alle eerdere kunststromingen op een of andere manier een plek vonden of leidde tot geheel nieuwe kunstvormen - alles is kunst, was nu de opvatting - en uiteindelijk de ruimte kwam voor de volledige vrijheid in de kunsten.

 

 

 

oeuvre

 

landschappen

stadsgezichten

olieverf portretten

snelportretten

zelfportretten

stillevens

kritisch werk

overig werk

 

 

introductie wikipedia biografie oeuvre artikelen boek stichting contact