man van de heuvels     
        HANS COUMANS
introductie wikipedia biografie oeuvre artikelen boek stichting contact

 

biografie

 

Kunstschilder Hans Coumans (1943-1986) trok zijn eigen plan. Hij zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 op zoek naar culturele en artistieke bevrijding naar de belangrijke Europese hoofdsteden trokken of aansluiting vonden bij de mainstream Postmoderne (abstracte/conceptuele) kunst, bleef de hartstochtelijke natuurmens Hans Coumans emotioneel verbonden aan het Bourgondische Heuvelland en bleef hij wars van alle modegrillen trouw aan het Coumansisme, een lichte variant op het impressionisme en naar verluid het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was. Door zijn grote liefde voor het leven (de numineuze natuur) zouden de natuurmotieven van het Heuvelland gedurende zijn gehele leven een centrale plaats innemen in zijn schilderkunst. Naast de landschapskunst was Hans Coumans bedreven in de portretkunst alsook enige tijd in de decoratieve kunst en vervaardigde hij bovendien talloze maatschappelijk georienteerde werken (voor verenigingen) en kritische werken. Zijn kunst is zeer emotioneel en intens, en getuigt van een grote bewondering van het natuurschoon van de zuidelijke provincie, welk in de ogen van de schilder in Nederland onovertroffen was. Ofschoon Hans Coumans al vroeg in zijn carrière toegewijd was aan de ware schilderkunst of "de kunst van het echte schilderen" zoals hij dat verwoordde, zou als gevolg van zijn Bourgondische vrijbuitersleven lange tijd vooral de ware levenskunst op de voorgrond en zouden de financieel aantrekkelijke commerciële quasi-artistieke werkzaamheden tot frustratie de ware schilderkunst in de weg staan, totdat de plotselinge komst van zijn muze - zijn onverwacht opdoemende jeugdliefde, die als kind al bezworen had dat zij samen op latere leeftijd zouden trouwen - een keerpunt in zijn leven en schildersloopbaan teweeg bracht (), en hij het vertrouwen kreeg en de kracht vond om zijn ware talent te tonen waarmee hij uiteindelijk begin jaren 80 artistieke reputatie verkreeg in de Limburgse provincie.

Zondagskind

Johannes Jozef (Hans) Coumans werd op 16 maart 1943 als vijfde kind geboren uit een doorsnee mijnwerkersfamilie in het lieflijke Zuid-Limburgse kerkdorp Schin op Geul (Strucht). Ondanks dat het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul een Duits bolwerk was mede door de Reichsschuhle voor jongens in het voormalige Jezuïtenklooster, was Schin op Geul tamelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen. Er hadden zeker enkele ingrijpende incidenten plaatsgevonden zoals enkele aanhoudingen en deportaties naar Duitse werkkampen, maar afgezien van het opblazen van twee bruggen hadden er geen zware oorlogshandelingen, gevechten of bombardementen plaatsgevonden.
Na de oorlog was Schin op Geul een typisch Zuid-Limburgs dorp waar de tijd langzaam verstreek. Er heerste een sober leven en er werd hard gewerkt voor de kost - er was honger. In het dorp golden de Roomse moraal en de oude waarden, die die diep doordrongen in het dagelijkse leven en verenigingsleven - kerk, carnaval en schutterij - en enigszins voor saamhorigheid zorgden tussen de doorgaans gescheiden bevolkingsgroepen, de (heren)boeren en de mijnwerkers.
De familie Coumans woonde sinds de jaren 30 in de Grachtstraat, in die tijd een mijnwerkerskolonie - in de volksmond De Kolonie genoemd - die in een uithoek van het dorp aan de voet van de groene Sousberg lag. Vanwege de ligging met een directe verbinding met het groene achterland was de Grachtstraat een rustige (en veilige) omgeving, waar het leven en dan met name van de jeugd zich grotendeels in de buitenlucht afspeelde. Van heinde en verre kwamen kinderen hier naartoe om te spelen, te ravotten en op zonnige dagen toneelstukken voor te dragen - op zonnige dagen werden stoelen uit de buurt verzameld en midden in de straat een theateropstelling gecreeërd. Overigens werd de Grachtstraat ook wel eens gekscherend De Jordaan genoemd vanwege de grote arbeidersgezinnen die het niet breed hadden en op elkaar gepropt in kleine arbeiderswoningen woonden. Een gemiddeld gezin telde in die tijd zo'n 8 kinderen, maar er waren ook extreme gevallen tot wel 17 kinderen.
Vader des huizes was de in Strucht geboren Peter Alphons (Funs) Coumans (*21-10-1907; +Valkenburg 11-02-1991), mijnwerker van beroep en verbonden aan de Emma Staatsmijnen in Hoensbroek (verantwoordelijk voor de materiaaluitgifte) - hij was een telg uit een eeuwenoude boerengeslacht (sinds de 17e eeuw) - en tevens fanatiek en zeker niet onverdienstelijk wedstrijd-duivenhouder, die geregeld prijzen in de wacht sleepte waaronder geld en fietsen voor de kinderen. Funs Coumans was een bedeesd en behulpzaam man, in tegenstelling tot zijn wedstrijdduiven zelf eerder een huismus, die vooral in en rondom het huis en zijn moestuin actief was. Het mijnwerkersberoep, dat hij ruim 40 jaar lang zou uitoefenen, was zwaar - zes dagen per week stopte 's ochtends om 03:45 de Emma-bus in het dorp om de arbeiders op te halen en een etmaal later weer af te zetten - maar zijn liefde voor duiventelen bracht enige verlichting. Moeder des huizes was Maria Johanna (Maria) van der Loo (*Duisburg 07-08-1912; +Valkenburg 10-07-1992) - zij was de dochter van de uit het Noord-Brabantse Dinther afkomstige architect-uitvinder-ondernemer Henricus van der Loo, die internationaal gewaardeerd werd en meewerkte aan prestigieuze (restauratie)projecten waaronder de Dom in Keulen in Duitsland - die na het overlijden van haar moeder vanaf haar 7e tot haar 18e in het nonnenklooster Huize Loreto van De congregatie van de zusters van het verloren kind Jezus in Simpelveld had doorgebracht en eenmaal verlost van de nonnen direct in het huwelijk was getreden met Funs Coumans - zij waren 20 en 18 jaar toen ze trouwden en kregen snel kinderen. Ondanks dat Maria Coumans als wees was opgevoed, was zij een trotse vrouw met een vurig (soms explosief) karakter, die hoe erg de omstandigheden ook waren zich er doorheen sleepte en er altijd het beste van maakte. Ze mocht dan wel de vrouw van een eenvoudige mijnwerker zijn, zij liet zien dat het de familie goed ging en ze ging er altijd keurig netjes op uit, waardoor zij door buurtgenoten de benaming 'de chique madam' toegeworpen kreeg. Dankzij familiegeld en de professionele activiteiten van Henricus van der Loo was het voor de familie Coumans mogelijk een vrijstaand huis te bouwen in de Grachtstraat, waar het 8-koppige gezin in gemoedelijke sfeer hun leven doorbracht en de kinderen in betrekkelijke voorspoed opgroeiden. Ondanks de Roomse invloed was het gezin niet streng gelovig, maar genoten de kinderen wel een strenge, conservatieve opvoeding volgens de waarden en normen van die tijd.
Dat Hans Coumans onconventioneel was, dat zou zich vroeg openbaren. Al op vierjarige leeftijd vertoonde hij een opmerkelijke aanleg voor tekenen, waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar op de katholieke basisschool () meerdere tekenwedstrijden won van onder meer de Staatsmijnen, maar net zo vaak werd gediskwalificeerd, omdat de jury twijfelde over de authenticiteit van de tekening en men de inzending niet van een kind achtte - dit tot grote ergernis van datzelfde kind. Een keer ontving hij voor een tekenwedstrijd, uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan 50.000 kinderen deelnamen, de tweede prijs, dit was een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs maar liefs 600 Gulden bedroeg. Ook bij plaatselijke kleurwedstrijden kregen de ouders menigmaal de inzending retour omdat men er niet van overtuigd was, dat de inzending door een kind gemaakt was.
Rond zijn 8e levensjaar leek zijn levenspad definitief te zijn uitgestippeld toen hij in nogal vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigde, terwijl zijn ouders, die geen enkele affiniteit met kunst hadden (ondanks een architect in de familie) geen idee hadden wat ermee aan te vangen en dorpsgenoten enkel geamuseerd hun schouders ophaalden. Hij had het plan opgevat om te gaan studeren aan de kunstacademie in de grote stad Maastricht en tot die tijd zou hij het vooral rustig aan kunnen doen - hij hoefde immers alleen nog maar te wachten op zijn toelating. Mogelijk was de jonge aspirant-kunstschilder geïnspireerd geraakt door buurtgenoot en 'trots van het dorp' Guillaume Stassen; de beroemde kunstschilder, die naar Amsterdam was getrokken en later naar Parijs. Maar er gingen ook vermoedens rond onder de buurtgenoten, dat het dromerige kind, dat pas laat ging lopen, eenmaal verlost van de beklemmende kinderbox zijn vrijheid wilde opeisen door de wijdte te verkiezen.
Op de basisschool was de jonge Hans Coumans één en al kunst. Volgens klasgenoten was hij sociaal aangelegd, had hij een tomeloze energie en liep hij over van de fantasie. In de klas stond hij vooraan zodra het vak Tekenen & Handvaardigheid aan bod kwam. Mede dankzij zijn inspanningen was de klassikale opdracht voor een panorama van het uitgestrekte natuurgebied tussen Schin op Geul en Valkenburg op een horizontaal gespannen behangrol in een mum van tijd gereed. Geregeld voorzag hij het gehele schoolbord van (strip)tekeningen voorafgaand aan de lessen - hij bezat al vroeg de behendigheid om groot te werken. Sporadisch maakte hij vluchtige schetsen van zijn medeleerlingen, die afgaande op de meningen van omstanders toen al verassende gelijkenis moeten hebben vertoond. Ook buiten schooltijd hield hij zich bezig met tekenen maar ook sculptures van mergelsteen, dat hij bewerkte met keukengerie. Het hoofd van de basisschool overigens zelf een gepassioneerde amateurschilder, die in het dorp erom bekend stond dat hij creativiteit belangrijk vond en dit actief stimuleerde bij zijn leerlingen - hij hielp eerder al jonge kunstenaars waaronder Guillaume Stassen op weg met zijn schilderscarriere - herkende al vroeg het bijzondere artistieke talent van Hans Coumans en moedigde de ouders aan om dit verder te ontwikkelen. Hij was dermate onder de indruk dat hij zich persoonlijk inspande om de jonge creatieveling direct na afloop van de basisschool toegelaten te krijgen op de kunstacademie in Maastricht, overigens zonder resultaat. Maar ondanks de welgemeende intenties en tekenadviezen en zelfs gratis tekenmateriaal was de jonge Hans Coumans nogal eigenzinnig, koppig van aard en weinig ontvankelijk hiervoor. Hij was wars van enige bemoeizucht en ging lijnrecht tegen elk advies in: hij wilde het zelf doen. Het hoofd van de school was dan ook stomverbaasd door de ongehorige houding en had zodoende niet al te hoge verwachtingen van de jonge creatieveling.
Om gehoor te geven aan het advies van het hoofd van de school om in huis een plek te creëren waar hun zoon zich kon bezighouden met zijn creatieve uitspattingen, stelden de ouders voor om het kolenhok achter de keuken te gebruiken, echter omdat de jonge Hans Coumans aanvoelde, dat zijn ouders hem eigenlijk niet begrepen en hem niet serieus namen, weigerde hij dit voorstel pertinent. Zijn ouders veronderstelden dat kunst een soort hobby was, een bevlieging, zeker niet iets serieus om later van te leven en een gezin van te onderhouden. In de buurtgemeenschap verspreidde de ambitie van de jonge creatieveling zich snel, en zodra de overburen vernamen van de behoefte voor een werkruimte, stelden zij de schuur naast hun boerderij ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiële' atelier inrichtte, en waarmee zijn artistieke loopbaan 'officieel' van start ging. Hier zou hij de eerste serieuze stappen zetten en werken aan de ontwikkeling van zijn talent. Vanaf dat moment experimenteerde de kindschilder volop met aquarel-, goache- en olieverf en vervaardigde hij sculpturen van zacht mergelsteen. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder zag, was dermate enthousiast, dat hij gratis papier en tekenmateriaal ter beschikking stelde en hem uitleg gaf over de beginselen van het perspectieftekenen. Geregeld bezochten enkele andere jonge kunstzinnige buurtgenoten het atelier en werd het een broedplaats voor jong talent. Hoewel het bekend is dat het atelier vol stond met werk, is uit deze vroege periode geen werk bewaard gebleven, behalve drie olieverfschilderijen te weten een boerderij met een brug uit 1953 (), een boerderij () uit 1954 en het woonhuis van de overburen () uit 1954 - dit werk maakte hij als dank voor het ter beschikking stellen het atelier - toen Hans Coumans 10 respectievelijk 11 jaar oud was.

Aan het begin van de jaren 60 onderhielden de familie Coumans en de familie Van Kempen, een hotelfamilie uit het nabijgelegen toeristische Geulstadje Valkenburg aan de Geul, als gevolg van een liefdesrelatie tussen de oudste kinderen een vriendschappelijke band met elkaar, en verbleef de jonge Christine van Kempen gedurende de drukke vakantieperiodes met enige regelmaat bij de familie Coumans in het rustigere Strucht. Van hieruit ondernam Maria Coumans met de jeugd excursies door de natuur en bezochten zij toeristische attracties in de omgeving zoals het Sprookjesbos en de dierentuin van Kasteel Oost in Valkenburg en het park van Kasteel Schaloen () in Oud-Valkenburg, waar je met bootjes op de visvijver kon varen. Niemand kon toen vermoeden dat Christine van Kempen met de herhaaldelijk opvallende bezwerende bewoording, dat zij en Hans Coumans ooit in het huwelijksbootje zullen stappen, waarop de jonge Hans Coumans hevig geschrokken het hazepad nam, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zou zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.

 

 

De vrolijke vagebond

Het voornemen om het tot aan de academie rustig aan te doen, daarvan kwam weinig terecht, integendeel, na de basisschool dienden zich weldra turbulente tijden aan binnen de familie Coumans. Rusteloosheid dwong de jonge Hans Coumans al vroeg tot een onzeker en ongebonden (zwervend) kunstenaarsbestaan. Halverwege de jaren 50 waren de mogelijkheden voor onderwijs na afronding van het basisonderwijs in het rooms-katholieke Limburg beperkt. Voor velen stond een geërfde toekomst als arbeider in de mijnbouw of op de boerderij vast. Een kleine groep gezegend met een goed stel hersens liet zich inwijden in het patersleven in Abdij Rolduc in Kerkrade, waar men gratis een studie kon genieten. Voor jongeren van eenvoudige afkomst lag de Ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) in het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul voor de hand. Te jong voor de kunstacademie leek de keuze voor de Ulo in 1956 een vanzelfsprekende keuze, maar discipline om te studeren bleek voor de onrustige, energieke creatieveling een onmogelijke opgave, dat de Ulo al gauw leidde tot een onaangename, zelfs naargeestige tijd en hij er na twee jaar definitief een punt achter zette.
In plaats van "... 't harde hout van de schoolbanken...", zoals hij dat omschreef, lonkten de verre, vrijere streken. Liever struinde hij langdurig vergezeld van tekenblok en potloden () door de natuur in het Heuvelland, over de uitgestrekte glooiende velden () met de grazende paarden en koeien, langs de oevers van de rivier de Geul of door de bossen op de Schealsberg. Soms trok hij ver over de grens in de Noord-Belgische Voerstreek. Het typische Zuid-Limburgse landschap en de bijzondere fenomenen in de natuur, dat fascineerde hem meer. Al op jonge leeftijd was jonge schilder een hartstochtelijk natuurmens. Hij kende een grote verbondenheid met de natuur en was al vroeg doordrongen van de grootsheid van het leven. Hij was diep onder de indruk van de Schepper en had hij onnoemelijk respect voor "... het hele gebeuren" (de mystiek) rondom de Schepping, zoals alles ontstaat en was ontstaan. Naast fascinatie was het vertoeven in de natuur tevens een soort retraite, dat zorgde voor "rust in de kop", aldus de schilder.

Om zijn ouders niet teleur te stellen - zij hadden zeker gelijk dat een opleiding belangrijk was, dat erkende hij ruiterlijk - startte Hans Coumans in 1958 (samen met een kunstzinnige buurtgenoot) de opleiding tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen. Niet dat het vak van huisschilder een welbewuste keuze vor hem was, maar het lag nog enigszins in de lijn van wat hij op dat moment nog te jong voor een studie aan de kunstacademie ambieerde. "Hier had ik tenminste nog iets aan, als het aankomt op de technische basiskennis en materiaalkennis", duide de schilder later. Hoewel deze studie Hans Coumans vanwege het schoolse systeem hem zwaar viel, wist hij toch vol te houden en na twee jaar in 1960 zijn diploma () te behalen. Met dit diploma kon hij direct aan de slag bij een plaatselijk schildersbedrijf, echter aangezien de afgestudeerde huisschilder allesbehalve een 'man van de tijd' was en werkdagen lang konden duren, haakte hij al na minder dan een maand af. Het 'zonder baas werken' werken ging hem toch beter af, zodoende dat hij besloot om samen met zijn eveneens afgestudeerde kunstzinnige buurtgenoot als zelfstandige te gaan werken. Samen zouden ze geregeld her en der in Schin op Geul en Valkenburg aan de Geul en omstreken schilderwerkzaamheden aan woonhuizen en winkelpanden uitvoerden. Een plaatselijke aannemer, tevens vriend van de familie deed geregeld een beroep op de schilder of hielp het tweetal regelmatig aan opdrachten. Maar ofschoon hij niet meer in loondienst werkte en zelfstandige was, het soort werk bleef een behoorlijke opgave voor hem, omdat zijn ambitie elders lag - maar hij had geen keuze, want er moest toch geld worden verdiend. Overigens, dat dit soort werk doorgaans niet zo veel opbracht - los van dat het tweetal niet goed met geld kon omgaan - bleek uit het geval dat het tweetal een keer bij een project een grote, lege verfemmer voor de deur op straat had geplaatst voorzien van het veelbetekend opschrift: "voor de arme schilders...". Frappant genoeg werd dit verzoek daadwerkelijk door voorbijgangers gehonoreerd, want aan het einde van de dag lagen er enkele Guldens in de emmer.

Om serieus werk te maken van zijn artistieke carrière vestigde de 16-jarige Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder () in Schin op Geul, hoewel hij nog lange tijd de kost zou verdienen als huisschilder, al dan niet gezamenlijk met zijn buurtgenoot. Op de momenten dat hij niet aan het werk was, struinde hij met zijn schildersgerei in de vrije natuur in de omgeving van zijn geboortedorp Schin op Geul - de Sousberg, het Sint Jansbos en het Geerendal - en Oud-Valkenburg nabij kasteel Schaloen en de Drie Beeldjes - ()()()()()() om de typische Geultaferelen aan het linnen toe te vertrouwen. Geregeld vergezelde hij andere plaatselijke kunstschilders om plein air te werken.
De definitieve keuze van Hans Coumans voor het kunstenaarsschap viel niet in goede aarde bij zijn ouders en leidde spoedig tot een gespannen thuissituatie. Onenigheid over een in die tijd gebruikelijke financiële bijdrage van de jongvolwassen kinderen aan het huishouden en het onbegrip en bezorgdheid van zijn ouders die afkeurend stonden ten opzichte van het kunstenaarschap - kunst bracht geen brood op de plank, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - leidde spoedig tot een periode van opstand en verzet en toenemende explosieve authoriteitsconflicten binnen de familie. Hoewel zijn vader zich eerder conflictvermijdend opstelde, ontstond vooral met zijn moeder een moeilijke verstandhouding - er was sprake van botsende karakters. Maar Hans Coumans bleef volhardend: hij zou schilder worden. Over dit onderwerp was geen compromis mogelijk. Schilder was hij in hart en ziel - als schilder werd je geboren! Terwijl de andere kinderen in de familie al vroeg in de weer waren met allerlei banen, weigerde de jonge Hans Coumans zich te conformeren aan de gezinsregels. Hij had op dat moment de kunst van het werken zeker nog niet uitgevonden en op de momenten dat hij al iets had verdiend, dan was dat al ruiterlijk gespendeerd in de plaatselijke kroegen voordat hij thuis arriveerde. Geld (en bezit) had in vergelijking tot zijn ouders kennelijk geen waarde voor hem. In plaats van de kunst van het geld verdienen, richtte hij zich op de kunst van het levensgenieten. "Ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb..." luidde zijn wijdverspreide motto. Door deze houding werd hij niet alleen het zwarte schaap binnen de familie, in het dorp werd hij gezien als een schande voor de keurige familie, zoals hij zich gedroeg en zoals hij eruit zag! De oudere, hardwerkende generatie beschoude de jonge creatieveling als iemand die het leven niet serieus nam, maar jongere konden het over het algemeen wel waarderen of zeiden enkel: "tja, het is Hans Coumans, he!". In tegenstelling tot zijn moeder, die te allen tijde als 'chique madam' dikwijls in haar bontjas de deur uit ging, gaf de jonge schilder totaal niets om uitelijkheden en prefereerde hij liever de afgedankte kleren van zijn vader. Ook had hij een keer zijn gloednieuwe winterjas ter waarde van 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, aan een zwerver geschonken, omdat deze de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij vond hij, dit tot grote verbazing van zijn ouders.

In zijn vroege tienerjaren zou hij zich afzetten tegen het (in zijn ogen) petieterige ouderlijke gezag en het al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om de wijdte te verkiezen en de wereld in te trekken. De jonge rebel liep veelvuldig van huis om vervolgens geheel onverwacht weer bij zijn ouders aan de deur te staan, maar gaandeweg liet hij zich gelden door langere afwezigheid en een leven in ballingschap. Rusteloosheid als gevolg van "... de beknelling van de leuning van de Schinse stoel..." dreef hem tussen zijn 16e een 19e levensjaar tot diverse langdurige reizen soms van enkele maanden tot zelfs driekwart jaar door diverse landen in Europa waaronder Duitsland (Laurensberg onder de studenten van de Akense universiteit, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs) en Spanje, op zoek naar vrijheid en andere manieren van leven, terwijl zijn ouders in de tussentijd tot groot verdriet veelal geen idee hadden waar hun zoon zich ophield. Gedurende al die ondernemingen leerde de avontuurlijke vagebond met doorgaans amper meer dan 2,5 Gulden op zak de kunst van het (over)leven en vergaarde hij schamele inkomsten als vrijbuiter (decorateur, barkeeper, bordenwasser, kermishulp) en door middel van zijn tekentalent waarmee hij als portrettist het uitgaande publiek op de terrassen, in de kroegen en op andere openbare gelegenheden tekende. Zijn enige trouwe metgezel bij al die solistische reizen was op dat moment zijn tekenblok, waarin hij onderwerpen vastlegde die hem gedurende zijn reizen intrigeerden (zoals de uitgesproken Teutoonse 'bonkige' koppen), maar ook talloze ideeën en gedachten van religieuze en wereldbeschouwelijke aard passeerden de revue. Meermaals werden door zijn ouders zoekacties georganiseerd, een enkele maal zelfs Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na een afwezigheid van ruim driekwart jaar na een tip in Heidelberg (Schwarzwald) aantrof en hem met enige dwang thuis bezorgde. Maar dat ging niet vanzelf: "niks d'r van! Ik ga niet naar huis! Ik blijf hier!", verzette hij zich aanvankelijk fel.
In 1961 vergezelde de jonge vagebond het internationaal vermaard circusgezelschap Toni Boltini, in de jaren 60 één van de grootste circussen van Europa, een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland. Tony Boltiny was een vaste klant van Klants Zoo in Valkenburg, dit was een bovenaan de Cauberg gelegen dierentuin maar vooral een internationaal befaamde dressuurschool, die dompteurs opleidde en zowel opgeleide dompteurs als dieren waaronder leeuwen, beren en olifanten verhuurde aan internationale filmstudio's en circusgezelschappen. In het circus werkte de jonge schilder als olifantendompteur en vanwege zijn groot gevoel voor muziek en entertainment viel hij geregeld in als rekwisiteur. Later mocht hij tevens het kinderprogramma verzorgen. Opnieuw had de familie Coumans geen idee waar hun zoon verbleef, totdat de familieleden tot hun verbazing toevallig via een documentaire op de televisie met als onderwerp het circusleven over diens avonturen moesten vernemen toen het interieur van een van de circuswagens werd gefilmd en hun zoon in beeld kwam. Maar hoezeer het reizen de jonge, vrije schilder ook beviel, zelfs het leven in de circuspiste werd hem uiteindelijk te benauwd - het circusleven was fysiek erg zwaar en deed nogal een beroep op zijn verantwoordelijkheidsgevoel - waardoor hij na een seizoen weer zijn vrijheid opzocht.

 

 

Op de momenten dat hij bij zijn ouders in Schin op Geul verbleeft en zodra hij niet als boerenknecht of als huisschilder-vrijbuiter (geregeld vergezeld van een collega-schilder uit de buurt) her en der aan het werk was, struinde hij met zijn schildersattributen door de vrije natuur in de omgeving van zijn geboortedorp Schin op Geul (de Sousberg, het Sint Jansbos, het Geerendal) en Oud-Valkenburg (kasteel Schaloen en de Drie Beeldjes) om plein air te schilderen. De natuur van het Geuldal en het Heuvelland was niet alleen een geliefd onderwerp en inspiratiebron. Al van jongs af aan was Hans Coumans gefascineerd door de mystiek van het leven en geobsedeerd door de pracht van haar aangezicht (de Schepping). De wonderbaarlijke fenomenen in de natuur maakten hem lyrisch en wakkerden een niet te onderdrukken schilderkoorts aan. De jonge schilder was overweldigend, verwonderd door de vele indrukken van de fenomenen, dat hij deze wilde doorgronden, blootleggen en anderen hiervan deelgenoot wide maken. De lentebloesem, maar vooral de herfst met zijn rijkgeschakeerde kleurenpalet in combinatie met het typische strooilicht vormde een grote inspiratiebron. Deze natuurmotieven zijn dan ook te zien als een zeer emotionele uiting van verwondering.
Door de emotionele verbondenheid met het leven (de numineuse natuur) behoorde het typische landschap van het Geuldal al snel tot een geliefd motief: dit motief zou gedurende zijn verdere schilderscarriere een centrale positie zou gaan innemen en uiteindelijk kenmerkend worden voor zijn artistieke oeuvre. De emotionele verbondenheid resulteerde ook (al vroeg) in een interesse in de wereld en een maatschappelijke betrokkenheid, vermoedelijk nog eens versterkt door de persoonlijke ervaringen in het dorp en door wat hij gedurende zijn reizen van de wereld had gezien. Die betrokkenheid uitte zich in talloze religie- en maatschappijkritische werken. Sociaal onrecht (jegens andersdenkenden) blijkt een groot en terugkerend thema. Zo getuigt zijn schetsblok van Bijbelse thema's, dikwijls met de jonge schilder zelf in de hoofdrol - als martelaar, verstotene en niet erkende zoon (de broer van Jezus Christus) - maar ook onderwerpen over de Verlichting en het Humanisme of thema's als naastenliefde, broederschap en solidariteit, bloedwraak, barmhartigheid passeren de revue. Onder de prenten bevinden zich onder andere (voor die leeftijd knap getekende) 'Abraham met luit' (), de humanist 'Erasmus', 'De Barmhartige Samaritaan', 'Abel en Caïn'(), 'De verloren schaapsherder' (), 'Samson' (die maar liefst 6000 Filistijnen en één Limburger vermoorde) en 'De broer van Christus' () (een zelfportret als verstotene). Een ander levensbeschouwelijk en duidelijk maatschappijkritisch werk is het even later in 1963 vervaardigde groot olieverfschilderij 'De Kruisiging' (), dat thematisch en methodische overeenkomsten vertoont met het enigszins gelijknamige werk 'De Kruisafname' () van Pieter Paul Rubens, waarbij de jonge Schinse schilder zichzelf binnen een dynamische groepscompositie in verschillende personages afbeeldde, niet in de laatste plaats als God. In het werk verwees hij naar de verdorven wereld met de vele oorlogen (zie de twee soldaten), oppervlakkige genot (de 2 wellustige vrouwen), maar ook naar de naïeviteit (onschuld van kinderen). Geregeld kende de schilder momenten van neerslachtigheid en grote woede uit machteloosheid over al het onrecht in de wereld, waar hij duidelijk niet mee kon omgaan - in de huidige tijd zou hij hiervoor waarschijnlijk psychologische begeleiding krijgen - wat ertoe leidde dat er veelvuldig schilderijen in rook op gingen in de achtertuin van zijn ouders.
Zonder enige kunstopleiding maar met de opgedane kennis van materialen en schildertechnieken op de Ambachtschool maar bovenal door het kijken - intensief bestuderen was niet aan de ongeduldige schilder besteed - naar de werken van de grote meesters wist Hans Coumans zich het schildervak op jonge leeftijd eigen te maken. In de vroege periode, nog te jong voor de kunstacademie, zag de jonge schilder de oude meesters waaronder Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn en Frans Hals, maar ook de latere Francisco Goya en Diego Velázquez als voorbeeld, terwijl later het frivole werk van Claude Monet en Édouard Manet alsook de krachtige grafische werk van Vincent van Gogh van invloed zou zijn - er gaat het gerucht dat hij een keer een werk had gesigneerd met 'Vincentje' om vervolgens de volgende dag te verschijnen met een opvallend pleister aan zijn oor. Het ging de jonge schilder bij het bestuderen van het werk van Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn en Frans Hals niet zozeer om het één-op-één kopiëren van de overwegend langdurige klassieke laag-over-laag technieken, maar puur om de gecreëerde effecten, zoals de weergave van materialen, de composities en vooral de dramatische Barokke licht-donker effecten, die hij via een eigen 'ontwikkelde' losse en toen al buitengewoon vlotte nat-op-nat-schildermethode nabootste. Bij Frans Hals zag hij vermoedelijk de losjes geschilderde vrolijke groepstaferelen en bij Francisco Goya en Diego Velázquez de maatschappijkritische werken. Terwijl zijn voorgangers veelal de luxe hadden van een uitgebreid kleurenpalet, was de Struchtse schilder in de vroege periode veelal toegewezen op enkel de primaire kleuren en zwart en wit, een enkele keer een ondersteunende kleur, omdat verf duur was. Hoewel thema's, technieken en vooral dramatiek geleend zijn uit de barok, zijn de werken beslist impressionistisch: het zijn de impressies van het ogenblikkelijke moment. Al op jonge leeftijd beschikte Hans Coumans over een verbluffende virtuoze hand en wist hij in korte tijd een krachtig, vanzelfsprekend beeld neer te zetten. Met name de portretten, zonder twijfel de grootste uitdaging in het schildervak, die hij toen vervaardigde zijn niet alleen sprekend als beeltenis; hij bezat de kunst om diep door te dringen tot de ziel en het wezen des persoons vervolgens werkelijk te laten spreken. Een een van de eerste zelfportretten van olieverf in de trant van Rubens genaamd 'de Zigeuner' (), welk hij in 1959 op 16-jarige leeftijd vervaardigde en hij van zijn ouders die inmiddels de kwaliteiten van hun zoon begonnen in te zien mocht laten inlijsten, wekte zozeer de interesse van een Valkenburgse verfhandelaar en zelf enthousiaste amateurschilder van het befaamde 'Huis aan de brug' in het centrum van Valkenburg aan de Geul, dat deze het werk ruim een half jaar in zijn etalage tentoon stelde, wat plaatselijk tot belangstelling leidde voor het jonge schildertalent. Vanaf dat moment zou de verfhandelaar geregeld werk in de etalage plaatsen en de talentvolle kindschilder waar mogelijk ondersteunen in zijn ontwikkeling als schilder. Het betreffende zelfportret vertoont onmiskenbaar gelijkenis met een beroemd zelfportret van Paul Rubens (), zichtbaar in het onderwerp, compositie en verfijnde toepassing van de olieverftechniek, waarmee door direct mengen op het doek een geleidelijke overgang van licht naar donker en een sterk positief-negatief-contrast is gecreëerd en waarmee detaillering zoals de textuur en de glinstering in het haar geraffineerd tot stand is gebracht. Dat is ook hoewel expressiever zichtbaar in het buitengewoon knap geschilderd 'toekomstige portret' () uit 1961, een klein werk van slechts 15 bij 15 cm, dat zeer grof en overtuigend is neergezet en afgaande op getuigen hooguit drie kwartier tot een uur in beslag had genomen om te vervaardigen. De portretten van twee dorpsvrienden met 'karakteristieke koppen' aldus de jonge schilder ()() uit 1962 respectievelijk 1963 zijn ook exemplarisch voor de losse, vlotte wijze van schilderen. Ook de opdracht even later voor het vervaardigen van de portretten van de zoon en dochter ()() van de kastelein van een populaire dorpskroeg, waarvoor de jonge schilder een vergoeding kreeg van maar liefst 150 Gulden per portret, waren in een mum van tijd gereed. Hoewel de kinderen meerdere keren model zouden zitten, waren de portretten in nog geen drie kwartier nagenoeg gereed. Met enige gewetensknaging liet hij de kinderen toch nog maar voor een 2e en een 3e keer terugkomen om te poseren, omdat hij het afgesproken bedrag niet geheel in overeenstemming vond met het werk dat hij had verricht.
Plaatselijke bekendheid van zijn talent leidde tot enkele opdrachten voor portretten, natuurmotieven waaronder Geultaferelen ()() en een aantal muurschilderingen () bij particulieren en enkele plaatselijke horecagelegenheden ()(), waaronder hotel Bemelmans en pension Janssen (). Ook de eigenaar van de dorpskroeg De Duif deed rond 1963 een beroep op Hans Coumans en zijn schilderkameraad-buurtgenoot Zef Swillens om het interieur een opknapbeurt te geven en te verfraaien met 2 grote thematisch wandschilderingen (). Overigens, omdat het tweetal overdag her en der aan het werk was als huisschilder vervaardigde het tweetal de wandschilderingen in de avonduren gedurende de openingstijden van de kroeg, en kon het zomaar gebeuren dat de klus ongemerkt aanzienlijk langer duurde dan gepland. Door de toeloop van dorpsgenoten heerste er een buitengewoon gemoedelijke sfeer in de populaire dorpskroeg, waar flink werd geouwehoerd en een niet gering aantal rondjes over en weer weggegeven, dat later bij de afrekening van de klus bleek, dat de twee schilders door hun vrijgevigheid een torenhoge rekening hadden opgebouwd, dat zij niet alleen niet uitbetaald kregen voor de omvangrijke klus maar dat zij maar liefst 172 Gulden moesten bijbetalen - dat was voor die tijd een aardig bedrag.

De militaire dienstplicht, eenmaal (na vijf niet beantwoorde oproepen) gestationeerd in de barakken van de Willem II kazerne in Amersfoort, maakte in 1963 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden, maar al gauw verwierf de jonge, anarchistische en pacifistische schilder, die geen enkele autoriteit erkende en pertinent weigerde een wapen ter hand te nemen om te schieten - pas op: hij was geen dienstweigeraar: "ik doe overal aan mee, maar schieten verrek ik!!" - een uitzonderingspositie en bleek hij enkel geschikt om de officieren en hun families te portretteren. Als een geluk bij een ongeluk werd de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening op de stormbaan plotsklaps slachtoffer van een zwaar ongeluk met een verbrijzelde voet en enkele weken verblijf in het militaire ziekenhuis Dr. A. Mathijsen (MHAM) in Utrecht tot gevolg en mocht hij van defensie, die weing kon aanvangen met deze schilder en deze liever kwijt was, na een deal - hij mocht vrijuit gaan na een overeenkomst, dat hij defensie niet aansprakelijk zou stellen voor het gedurende zijn diensttijd opgelopen letsel - vroegtijdig 'glansrijk' afzwaaien en zijn vrijheid opnieuw tegemoet treden.

 

 

de artistieke vrijbuiter

Eenmaal verlost van "... de tucht van het leger", keerde Hans Coumans in augustus van dat jaar terug naar het zuiden om zijn werkzaamheden als kunstschilder weer op te pakken. De jonge schilder nam wederom zijn intrek bij zijn ouders in Strucht, die inmiddels overtuigd van het bijzondere talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken van hun woonhuis hadden laten verbouwen tot atelierruimte. Vanuit zijn thuisbasis in de Grachtstraat trok hij erop uit om zoals eerder in en rondom Strucht aan de Geul ()()()()(), nabij Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg (), rond de Sousberg en het Geerendal () te schilderen. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, kreeg hij her en der in de kroegen en in etalages van winkels in Valkenburg en omstreken de mogelijkheid aangeboden om zijn werk op te hangen. Ook struinde hij de vele Zuid-Limburgse kroegen, de weekmarkten, kunst- en ambachtsmarkten en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld - soms voor niet meer dan 25 Gulden - een werk van het typische Heuvelland op de kop konden tikken. Soms verkocht een schilderij zichzelf direct 'nat van de ezel' of leidde het werken in de buitenlucht tot aanvragen voor een specifiek onderwerp.
Rond diezelfde tijd trad Hans Coumans als geuniformd lid (1963-1966) toe tot de plaatselijke schutterij St. Mauritius, waar hij even later in 1963 in het schutterslokaal aan de Provinciale Weg in Strucht een groot en indrukwekkend schutterstafereel vervaardigde (). Hoewel de schilder allesbehalve een verenigingsmens was, hield hij duidelijk van het sociale component. De kunst van de humor verstond hij als geen ander, waardoor hij veelal een gangmaker was die roering bracht en steevast in het middelpunt van de belangstelling stond. Behalve dat het schuttersgilde hun belangrijke historische taak als beschermers van het dorp zeer serieus namen door wekelijks fanatiek te repeteren () en schietoefeningen te verrichtten met het oog op de jaarlijkse Limburgse schuttersfeesten en andere festiviteiten zoals de diverse processies, nam men de belangrijke taak om na de repetities na te praten niet minder serieus, en werd er werd net zo enthousiast geouwehoerd als gedronken in het lokaal en de kroegen die het dorp rijk was. In dat opzicht is het vervaardigde schutterstafereel in het lokaal tamelijk representatief voor de schutterscultuur en ongetwijfeld even 'los' en energiek als het schuttersleven zelf. Het werk van bijna 5 meter lengte toont een dynamisch groepsportret van schutters in verschillende poses, waarin overigens enkele prominente leden alsmede de schilder zelf de hoofdrol spelen. Het werk is zowel krachtig als trefzeker neergezet en door de compositie en wisselwerking tussen de personages ontstaat er een levendigheid (beweging) in de compositie. Het is beslist één van de eerste overtuigende taferelen, waarbij te zien is dat de schilder meer dan voorheen bravoure en zelfvertrouwen vertoont in zijn streken. In de verte vertoont het tafereel enigszins gelijkenis met de typische losjes geschilderde groepsportretten van Frans Hals. Overigens, alhoewel iedereen er vanaf wist, was het een publiek geheim dat de schilder het niet kon nalaten een niet nader te noemen lid waar hij een langdurig conflict mee had, af te beelden als de duivel.
Na aanvankelijke rust zouden toch de emoties spoedig weer hoog oplopen binnen de familie Coumans totdat de situatie wederom onhoudbaar werd, waarop de ouders hun zoon definitief de deur wezen. Hoewel zijn vader een verzoenende en eerder gelaten houding had, was zijn moeder onverbiddelijk. Vanaf dat moment verkaste de jonge vagebondschilder - soms had hij enkel 3 penselen op zak - van het ene naar het andere adres, soms kortstondig in leegstaande hotelkamers gedurende het laagseizoen, dan weer ergens op een zolder, en verrekende hij bij geldgebrek kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de joviale gastheer. Via zijn oudere zus vond hij in allerijl onderdak bij een bevriende kastelein in Bleijerheide in Heerlerheide, die nog een lege ruimte vrij had boven zijn kroeg Oud-Genhei. Hier zou de jonge schilder even op adem kunnen komen, maar het verblijf zou vervolgens zo'n negen maanden duren. Als een wederdienst voor de kost en inwoning verfraaide de jonge schilder gedurende zijn verblijf het gehele interieur met grote wandschilderingen met taferelen uit de omgeving - hier zijn ook later ansichtkaarten ()()()() van gedrukt. Ook in de nabij gelegen jeugdsociëteit en enkele andere kroegen in de buurt vervaardigde hij grote wandschilderingen. De Roothuidbar () beschilderde hij met westerntaferelen, een kroeg aan de Ganzenheide met plaatselijke thema's en café Oud-Heerlen in het centrum van Heerlen met taferelen over het leven in de mijnen.
Heimwee dreef Hans Coumans uiteindelijk weer richting Strucht, de schilder was toch te zeer gehecht aan het Geuldal. In Schoonbron vond hij in het najaar van 1964 onderdak in het familiepension ’t Hoonderhöfke, waar hij vervolgens gedurende twee winterperioden met enige regelmaat zou verblijven. Het pension werd gerund door een sociaalbetrokken familie - de familie was tevens verbonden aan het kerkbestuur - die hun pension gedurende het laagseizoen openstelden en zich ontfermden over jongeren, die in de maatschapij moeilijkheden ondervonden en die in een tijd waarin sociale en geestelijke voorzieningen nog niet beschikbaar waren nergens terecht konden. Zijn verblijf in ’t Hoonderhöfke was een moment van bezinning voor de jonge schilder. Door het ontheemd zijn was hij depressief, de continue strijd maakte hem moe en zijn levenvragen desillusioneerden hem. Het onbegrip van de mensen voor andersdenkenden en het gebrek aan naastenliefde liet hem niet los, terwijl dat toch de essentie van de Christelijke traditie was, meende hij. Uit frustratie had hij de kerk al eens beklad met de leus 'Heer, red ons van de roomse huichelaars...', wat grote ophef had geleid bij de inwoners en hij enige tijd werd geweerd uit het dorp. Hoezeer hij zijn vrijheid ambieerde, zijn onzekerheid bezorgde hem twijfels of hij het bij het goede eind had. Met de eigenaren van het pension en met name de mevrouw des huizes volgden vele, ellelange gesprekken dikwijls tot diep in de nacht over het leven en over de zin van het leven. De eigenaren stimuleerden hem om te blijven geloven in zichzelf en om toch vooral vol te houden om zijn dromen en ambitie waar te maken. Ook deden zij een poging het gesprek aan met de moeder van de schilder, zodat gaandeweg het contact weer beter werd, hoewel dit blijvend moeizaam zou verlopen vanwege de botsende karakters en omdat de vrije kunstenaarsmentaliteit onverenigbaar was met het vastomlijnde arbeidersbestaan. Om de jonge schilder te helpen zijn werk aan de man te brengen, boden ze hem de mogelijkheid om een eerste serieuze expositie te organiseren in de ontbijtzaal van het pension. Voor deze eerste expositie had de jonge schilder circa vijftien natuurlandschappen ter beschikking, die hij in de recente maanden in en rondom Schin op Geul had vervaardigd ()(). Het initiatief tot een kunstexpositie deed zich binnen de hechte dorpsgemeenschap snel de ronde en de belangstelling bleek onverwacht groot op die betreffende dag, waarop hij een groot deel van zijn schilderijen verkocht. De overige werken zouden voor langere tijd blijven hangen gedurende het vakantieseizoen, zodat bezoekers van het persion een uniek aandenken aan het Heuvelland konden bemachtigen. Als dank voor zijn verblijf en de hulp die hij had gekregen, vervaardigde hij boven de bar in de ontbijtzaal een grote wandschildering (), een natuurmotief met als thema de (nabijgelegen) Keutenberg. Na afloop signeerde de schilder het werk met het veelzeggende onderschrift: 'hier heb ik tenminste weer eens kunnen lachen'. Nadat de jonge schilder weer was opgeknapt, trok hij er weer op uit en met de opbrengst van zijn schilderijen huurde hij kort een kamer in een familiehotel in Geulhem.

Om concrete stappen te zetten in zijn professionele schilderscarriere verruilde Hans Coumans in 1965 het lieflijke Geuldal voor de logge Maasoever om zich te orienteren op de kunstacademie. Op de Tongerseweg bezat de Geulhemse hotelfamilie het café 'Stammineeke' met op de bovenverdieping een aantal studentenkamers, waar de jonge aankomende academicus een piepkleine kamer betrok. Hier in Maastricht mocht hij ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding (inmiddels oud genoeg) toetreden tot de avondopleiding van de Jan van Eyck Academie, waar op dat moment de markante Jef Scheffers de scepter zwaaide. De academie stond bekend als een strenge opleiding. Jef Scheffers hechtte grote waarde aan de 'ambachtelijkheid van het schilderen' en hij onderwees zijn studenten met harde hand. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans aansprak, stuitte de harde hand van de academische scholing - de technische aard als ook het strenge didactische schoolsysteem (de eindeloos herhalende oefeningen en het verplichte gebruik van hulpmiddelen zoals de schilderstok) - de aspirant vrije kunstschilder, die sterk emotioneel en intuïtief werkte zo zeer tegen de borst, dat hij het na een aantal verhitte discussies al binnen een paar weken voor gezien hield en de academie vroegtijdig verliet om zich vervolgens, eigenzinnig en overtuigd van zijn kwaliteiten, eigenhandig verder plein air te bekwamen in de schilderkunst. Hij concludeerde al gauw op de academie niks te kunnen leren - "zij kunnen nog iets van mij leren!" stelde de jonge schilder - en dat de academie dus niet de geschikte plek was om hem verder te brengen. De academische werken waren vanuit technisch oogpunt dan wel perfect, maar de werken leefden niet, was hij van mening. De techniek ondermijnde de spontaniteit van het schilderen en het gevoel, de emotie, wat nou juist de essentie was van een schilderij. "Een schilderij moet leven!!", was hij stellig.
Toch zou het ontbreken van een gedegen academische scholing hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en anatomie een rol speelden, waarin hij zich nu verder eigenhandig moest zien te bekwamen. Collega-schilders en kunstzinnige stadsgenoten (fotografen, docent Tekenen) leverden geregeld kritiek en er vonden geregeld vurige discussies plaats naar aanleiding van naar waarneming afgebeelde mensen of aangezichten, die nog wel eens wat mankeerden of proportioneel gezien niet geheel correct waren weergegeven. Hoewel hij dit zeker niet wilde toegeven, ontbrak het hem in deze periode duidelijk nog aan een systhematische manier van werken - dat hij een keer zonder verf en attributen bij de aanvang van een klus verscheen is hierin exemplarisch - en het werken volgens een systhematiek, dus met een hoe beperkt ook onderliggende (meetkundige) structuur of compositie. De spontaniteit en de emotie (en ongeduld) hadden veelvuldig de overhand. Soms begon het schilderen vrijelijk, maar gaandeweg bleek het linnen dan toch opeens te klein en was de schilder gedwongen om het laatste (onder)deel enigszins aan te passen of in te korten. Vanuit artistiek oogpunt is proportie wellicht van ondergeschikt belang bij een natuurmotief, maar in het geval van het menselijke lichaam is dat geen punt van discussie. Een bevriende Valkenburgse fotograaf, die zelf ook doorlopend bezig was met verhoudingen en compositie, raadde de schilder aan een arm of een been te benaderen als een ruimtelijk object, bijvoorbeeld zoals een appel- of peervormig volume en niet direct als een platte, afgeleide projectie. Maar het advies, dat hij eens rond moest kijken of er misschien iemand (een gevestigde schilder) was, die hem verder zou kunnen helpen, werd volledig in de wind geslagen. Hij was namelijk een onafhankelijk schilder, zo stelde hij, en hij had niemand nodig om hem te vertellen hoe het zou moeten.
Na de weinig succesvolle academietijd stortte Hans Coumans zich trots maar zeker ook teleurgesteld - hier had de aspirant-schilder lange tijd naartoe geleefd - enige tijd in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Hier in de vele kroegen die de stad rijk was ontmoette hij jonge geestverwanten, andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er gefilosofeerd over het leven, geouwehoerd, hard gezongen en op tafels gedanst en niet minder enthousiast gedronken - hier kreeg hij de bijnaam De Kozak, vanwege zijn interesse in de Russische cultuur, Russische zangkoren maar zeker ook vanwege zijn opvallend ruig oosters ogend uiterlijk door zijn opvallende grote snor en zwarte bos krussen, zijn zwarte lederen jas en hoge laarzen. Met mede-aspirant-schilders volgden vele nachtelijke discussies over het leven, de kunst en het kunstenaarsschap, en ook dat volgens de algemene opvatting "kunstenaars parasieten van de samenleving waren". Om het tegendeel te bewijzen (dat een vrije schilder zelf zijn brood kon verdienen en niet afhankelijk hoefde te zijn van overheidssubsidies) ondernam de jonge, eerzuchtige schilder samen met academie-kameraad de schilderende schipper of de schipperende schilder (daar was eigenlijk niemand het over eens) gedurende de winter van 1965-1966 een 3 maanden durende voettocht door de Eifel (met enkel tien Gulden als inleggeld), waarbij het opvallende tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen goed geld verdiende - dit werd overigens door betrokkenen net zo goed ter plekke gespendeerd - en bij terugkomst bleek dat de reis ieder zelfs enkele honderden Guldens had opgeleverd.

Terug op de Zuid-Limburg gronden vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder definitief in het bekoorlijke toeristische Geulstadje Valkenburg, waar hij zich intensief bezighield met een bruisende schilderkunst en een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Hoewel de vrije schilder zich na de academietijd eigenhandig plein air verder bekwaamde in de landschapskunst ()()()()()(), ontplooide hij zich hier in het toeristische stadje aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als straatekenaar van houtskool snelportretten in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën, evenementen en weekmarkten en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e waardering voor kreeg - en als commerciële reclame/decorateur-schilder ()()()()()() van thematische wandschilderingen, veelal met als onderwerp de natuur van het Heuvelland en de regionale volkscultuur, in de talrijke établissementen en andere openbare gelegenheden in Valkenburg en omstreken. Terwijl Valkenburg vanaf het einde van de 19e eeuw met de oprichting van het eerste VVV-kantoor Het Geuldal als internationaal kuuroord met enkele chique boutiquehotels waaronder hotel l'Empereur Croix de Bourgogne en parkhotel Rooding hoofdzakelijk inspeelde op de welgestelden en industrieëlen, kwam Valkenburg als gevolg van de toenemende welvaart in het Nederland vanaf de jaren 60 en 70 meer en meer in zwang bij de gewone burgerij, met als gevolg dat het horeca-aanbod veranderde en er meer en meer kroegen en restaurants verschenen. Deze établissementen speelden gretig in op de regionale cultuurbeleving wat de vraag aanwakkerde voor wandvullende idyllische, geromantiseerde taferelen van het typische Zuid-Limburgse landschap met zijn kenmerkende vakwerkhuizen en grazende paarden en koeien, wat nu het specialisme van Hans Coumans werd. Deze wandschilderingen vervaardigde de schilder veelal gedurende de wintermaanden, zodra de koude hem het schilderen in de buitenlucht in de velden en het portretteren op de toeristisch terrassen onmogelijk maakte. Hij ontdekte een lucratieve nichemarkt en kreeg het buitengewoon druk dat hij binnen afzienbare tijd een plaatselijke bekendheid werd. Opdracht naar opdracht stroomde binnen en in korte tijd hingen er tientallen decoratieve werken in de kroegen en hotels van Valkenburg en omstreken en zou hij op zijn 22e vervolgens, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders grote decoratieve opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Maastricht tot Vaals en van Eijsden tot Roermond. Onder andere bij de kroegen 'De post' en 'La Ruïne' () in Valkenburg, 'Romantica' in Sibbe, 't Hoonderhöfke' () in Schoonbron, café 'De Duif' in Schin (), Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, Café 'Spierings' () in Ransdaal, café 'De Paardenstal' () en hotel 'De Kroon' in Epen, café 'Oud-Genhei' en 'De Bok' () in Heerlerheide, hotel-restaurant 'Mexico' (i.s.m. Ton Staneke, de schipperende schilder of de schilderende schipper) in Vaals, een feestzaal (de voormalige Moulin Rouge) in Wijlre en een kroeg in Roermond (i.s.m. Paul Roks, operazanger).
Niet alleen was Hans Coumans bekend met het onderwerp, ook kon hij groot werken. De omvang van dergelijke werken bedroegen over het algemeen zo'n twee of drie meter hoogte en een lengte van circa vier tot tien meter en in een enkel geval zelfs 100 meter, zoals enkele jaren later in de Valkenburgse Steenkolenmijn. Wat de schilder ook realiseerde, typisch is het doorgaans hoge theatrale gehalte in de werken en de mate van humor met soms kritische verwijzingen naar bekende (plaatselijke) figuren of de politiek. Exemplarisch is een préhistorisch tafereel in de Steenkolenmijn De jacht, waarbij neanderthalers het opnemen tegen een kudde mammoeten, en waarbij een opmerkzaam oog een enkele jager met jachtgeweer of zelfs een helicopter kan opmerken. Of een lieflijk en sereen landelijk tafereel met ergens in een bovenhoek een opdoemend militair Awacs-vliegtuig waar hij een Godsgruwelijke hekel aan had. Dan weer een vrolijk schutterstaffereel met allerlei dronken schutters en koeien in allerlei pozen, terwijl onopvallend in een buitenhoek van het werk op een muur een graffititekst met de nietsverhullende politieke boodschap "K.V.P. - Roomse huichelaars" prijkte.
In de korte tijd dat hij in het schilderachtige Geuldal actief was had Hans Coumans een opvallende reputatie opgebouwd van Bourgondische schilder, een bon-vivant, een schilder met veel dorst, die veelvuldig het bruisende sociale leven opzocht - "inspiratie komt niet alleen van de Herrgot maar tevens uit onze brouwerijen!" en "waar hard gewerkt werd moet hard gedronken worden!" waren zoal vermaarde uitspraken - en in de plaatselijke lokaliteiten steevast middelpunt van belangstelling was of regelmatig voor roering zorgde - pas op: hij ging nooit aan de bar zitten, altijd aan de stamtafel. Legendarisch waren de herhaaldelijke taferelen van een verlate schildersuitrusting in het centrum van Valkenburg of ergens aan de oevers van de Geul dikwijls compleet voorzien van een schilderij met de vermelding "de schilder is effe weg!", terwijl de uitrusting daar soms dagenlang onbewaakt stond en de schilder al die tijd in geen velden of wegen te bekennen was.

 

 

Naar aanleiding van de actuele gebeurtenissen in de Randstad, waar net als in tal van grote Europese steden halverwege de 'wilde' jaren 60 grote roering ontstond op het gebied van kunst en democratie, lonkte in het voorjaar van 1965 de wijdsheid van de polder en het vrije van de stad, en trok Hans Coumans voor enkele maanden naar Haarlem en Amsterdam om zich te begeven onder de jonge academici van de Rietveldacademie en de recentelijk opgerichte anarchistische Provo-beweging die met het geweldloze verzet en met ludieke acties de macht van het establishment wilde breken - naast geweldloos verzet tegen de authoriteit waren andere thema's ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - echter de massahysterie en het allesbehalve ludieke (gewelddadige) politieoptreden in de hoofdstad deden de jonge schilder spoedig gedesillusioneerd terugkeren naar het rustigere, gemoedelijkere zuiden. Later zou blijken dat de studentenopstand overal te neer werd geslagen. De revolutionaire krachten stierven een stille dood, maar zouden wel de basis leggen voor een plattere samenleving.

Op advies van de plaatselijke verfhandelaar van 'Het huis aan de brug', inmiddels de vaste en bevriende verfleverancier van Hans coumans - sinds het zelfportret is hij trouwe fan, die de schilder geregeld verf en doeken voorschoot zodra deze weer eens op zwart zaad zat als gevolg van zijn onvermogen om met geld om te gaan - die moest aanzien dat de schilder zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële, quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij Charles Eyck. De verfleverancier, die inzag dat de jonge schilder iemand nodig had die hem op weg kon helpen om zijn talent verder te ontwikkelen, had door de jaren heen hartelijke contacten opgebouwd met diverse kunstschilders in de omgeving en intoduceerde de jonge schilder aan de in Valkenburg woonachtige landelijk bekende beeldend kunstenaar. Hoewel de verfhandelaar de jonge schilder (hem kennende) diverse malen met klem aanspoorde om deze keer (echt) vol te houden, bleek het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten waardoor deze nog maar sporadisch het atelier bezocht. Charles Eyck greep het liefst zelf naar het penseel en beginnende assistenten mochten dan ook enkel basiswerkzaamheden verrichten, zoals het aanbrengen van de grondlaag en het opzetten van compositielijnen - "... wat lijntjes trekken..." aldus Hans Coumans - en penselen schoonmaken, wat voor de ambitieuze, eerzuchtige jonge schilder een doorn in de ogen was. Charles Eyck had hem al eens te kennen geven, dat hij een groot schilder zou kunnen worden, als hij nou maar eens geduldig zou luisteren (naar zijn leermeester), echter voor geduld had Hans Coumans geen talent en bij afwezigheid van zijn leermeester vanwege diens vakantie zag hij zijn kans schoon en vervolmaakte hij enkele schilderijen van zijn leermeester naar eigen inzicht, die bij terugkomst allerminst gecharmeerd is van deze opmerkelijke actie en zijn dwarse leerling zonder pardon de laan uit stuurde.
Achteraf gaf Hans Coumans ruiterlijk toe dat hij, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest (wat hij op dat moment ronduit vreselijk vond), het nodige van zijn leermeester te hebben gezien en opgestoken over het toepassen van kleuren en verftechnieken. Hij was zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar buitengewoon kritisch over zijn schilderkunst, met name waar het de portretten betrof: “Eyck is een goede tekenaar die zijn tekening vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken.”. Ofschoon Charles Eyck zijn leerling erkende als aanstormend talent en gecharmeerd was van de wijze van schilderen, vond hij diens schilderijen soms telleurrstellend: "De werken zijn te druk, te rommelig, te onrustig...". Volgens de leermeester was het dikwijls een compositorische bende, een allegaar en ontbrak het aan een krachtig thema. Zijn advies was dan ook om soms maar gewoon een stuk van het schilderij af te snijden, zodat er rust en eenheid (helderheid in de compositie) ontstond. Ook over de portretten is Hans Coumans dikwijls niet te spreken: het waren knap getekende portretten, maar ze leken (soms) niet of hadden een apathisch voorkomen. In dat opzicht verschillen de schilders duidelijk in hun opvatting over portretkunst. Voor Charles Eyck was het portret nadrukkelijker grafiek, terwijl Hans Coumans vooral het wezen des persoons wilde laten spreken. De portretten van Charles Eyck waren opgebouwd van grof naar fijn vanuit verhoudingen en constructielijnen, maar voor Hans Coumans was de ware kunst van de portretkunst exclusief gelegen in de ogen. Zodra hij de ogen 'te pakken had' dan ontwaakte de hele aard en het wezen, doorgaans in een verbluffend rap tempo - Hans Coumans had een krachtige hand - en ontvouwde de rest zich vanzelf (rondom de ogen). "Ik begin met de ogen, dit zijn de spiegels van de ziel", benadrukte de schilder. Hans Coumans is hierin beslist meesterlijk, omdat hij over het talent beschikte om onwaarschijnlijk diep in iemands wezen door te dringen. De snelheid en de precisie maken de portretten uniek in hun klasse. Het karakter des persoons dat zich weerspiegelde in het gelaat wist hij dikwijls slechts in een paar streken met groot gemak op treffende wijze gestalte te geven op het 'moeilijke' witte papier (of het linnen doek). Deze knappe portretten 'leven', dat de toeschouwer een haast ongemakkelijk gevoel bekruipt continue bekeken te worden. Zonder twijfel vormt het sneltekenen één van de moeilijkste onderdelen in de schilderkunst, wat een grote en aantrekkelijke uitdaging vormde voor de schilder, en wat hij dan ook gedurende zijn carrière continu verder perfectioneerde. Frappant genoeg had hij in tegenstelling tot het gelaat soms ronduit moeite met het schilderen van handen of vingers, zodat hij deze dikwijls verbloemde of buiten beeld hield. Alhoewel Hans Coumans en Charles Eyck nogal verschillend dachten over kunst, onderhielden zij blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten en niet in de laatste plaats in de plaatselijke kroegen, waaronder Michiel de Ruyter, dat in die tijd een populaire ontmoetingsplek was voor kunstenaars en creatieve figuren uit de omgeving.
Behalve Charles Eyck was 'schilder van het Geuldal' Jos Frissen, met wie Hans Coumans de gemeenschappelijke liefde voor de natuur van het Geuldal deelde, zeer te spreken over het werk van zijn jongere plein air collega-schilder. Collega-kunstschilder Lei Molin, oorspronkelijk uit Berg, die naar Amsterdam was getrokken om zich te scharen onder een nieuwe generatie van Limburgse schilders, de zogeheten Amsterdams Limburgers, waar ook onder andere Pieter Defesche, Jef Diederen en Ger Lataster deel van uitmaakten, vond het gezien het talent van Hans Coumans een gemiste kans, dat deze geen serieuze pogingen had ondernomen om zich als schilder te vestigen in de hoofdstad en was "... blijven hangen in die slurf". Volgens Lei Molin was Hans Coumans veel meer tot zijn recht gekomen als hij los was gekomen van de traditionele opvattingen over schilderen. De Amsterdamse Limburgers zagen een vertrek uit Limburg als enige oplossing om los komen van de invloed van de Maastrichtse School en de druk van de Room-katholieke kerk bij opdrachten. Maar in tegenstelling tot de Amsterdamse Limburgers die in de hoofdstad hun artistieke heil zochten, was Hans Coumans een vrije en (financieel) onafhankelijke schilder en niet afhankelijk van opdrachten van de kerk. Bovendien was hij toch meer gehecht aan het weelderige landschap en al even weelderige cultuur van de zuidelijke Nederlanden, dat in zijn ogen onovertroffen uniek was in zijn soort en een grote inspiratiebron vormde voor zijn schilderkunst.
Ondanks de kritiek is de invloed van Charles Eyck zichtbaar in enkele werken ()()()()()(), die hij kort daarna vervaardigde, maar de tekenachtige penseelstreken en het donkere, melancholische koloriet liet Hans Coumans snel los. "De werken zijn te donker, ze moeten lichter!", was hij keer op keer nogal fel. De werken moesten vooral 'schilderachtiger' worden ()() zoals voorheen.

Toen de schilder na een klus maar liefst 1000 Gulden had verdiend, wat veel geld was voor een schilder, en hij maart 1968 vernam van een bevriende stadsgenoot, dat deze voornemens was een kroeg met de naam 'Miniclub' naar de gelijknamige 'Mini Cooper' te gaan openen in het kuststadje Calella de la Costa op circa 50 kilometer afstand ten noorden van Barcelona aan de Costa Brava, vergezelde Hans Coumans hem naar Spanje. Aan de sinds de jaren 50 opkomende toeristische Spaanse Costa's in kuststeden als Calella, Benidorm en Lloret de Mar werkten wel meerdere stadsgenoten gedurende het hoogseizoen in de horeca of hadden hier zelfs een eigen kroeg of eethuis speciaal gericht op 'Hollanders'. Ondanks dat de schilder "... een Godsgruwelijke hekel" had aan auto's en als medepassagier doorgaans doodsangsten uitstond, was deze opoffering kennelijk een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg, waarmee hij doelde op de kwestie 'overenthousiaste alcoholgebruik'. Gewoonlijk begon de dag in Valkenburg bij een van de vele stamkroegen waaronder 't Grendelpoortje en daar eindigde de dag ook weer, er waren zelfs momenten dat hij enkel dorst had en geen enkele maaltijd nuttigde. In Calella huurden de kameraden voor 50 Gulden per maand een sober ingericht appartement bij een oudere Spaanse dame, die tevens geregeld een avondmaaltijd verzorgde. Omdat de opening van de kroeg vanwege het uitblijven van de vergunning nog op zich liet wachten, bestond de eerste tijd behalve uit het vervaardigen van enkele schilderijen in de kroeg vooral uit een belangrijke taak het verkennen van de kroegen in de omgeving, wat al gauw een dagtaak bleek, zeker aangezien die kroegen werden bezocht door Nederlandse mensen en bekenden uit Valkenburg. Toen na een maand het geld op was, moesten er toch activiteiten ontplooid worden om inkomsten te genereren, en terwijl zijn kameraad zich verder richtte op zijn kroeg en in afwachting van de vergunning her en der bijkluste, hervatte Hans Coumans net zoals in het Heuvelland zijn activiteiten als plein air sneltekenaar-schilder en reclame-decoratieve schilder en maakte hij hier aan de Spaanse Costa's in de opkomende toeristische steden waaronder Calella de la Costa, Benidorm en Lloret de Mar met tientallen decoratieve werken in diverse horecagelegenheden spoedig faam als Pintor Holandes. Dat het de schilder ook op financieel gebied voortvarend ging, dat was overigens vooral te danken aan zijn bevriende stadsgenoot, die een 'wat' meer zakelijk instinkt had - bij Hans Coumans was doorgaans het devies: "dat komt wel goed!" - en van tevoren duidelijke afspraken maakte met de opdrachtgever omtrent de vergoeding van een werk. Enkele omvangrijke weelderige jachttaferelen en taferelen van vreetfestijnen met rondborstige vrouwen en een stel honden die er vandoor gingen met wat werd opgediend in (naar wat later bleek) het zeer exclusieve restaurant 'La Olla' van de privékok van generaal Franco, waar doorgaans enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden vertoefden waaronder de wereldberoemde Surrealist Salvador Dali, leidde tot een exclusieve uitnodiging voor de opening van zijn aanstaande expositie in Barcelona. Echter op de betreffende dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers al snel in het historische centrum, en bij navraag in een plaatselijke bodéga waar luid flamenco werd gespeeld en op tafels gedanst bleken de geneugten des levens toch boeiender dan een kunstexpositie, waardoor het nooit tot een ontmoeting is gekomen. "Ach, die Dali...", haalde de Pintor Holandes zijn schouders op, bij nader inzien was deze toch te elitair, te overdreven. Bovendien had hij niet zo veel op met het surrealisme. Terug in Calella de Costa ging het Hans Coumans voor de wind - hij had vollop werk - totdat een klein half jaar later, na problemen met de uitbetaling van een omvangrijke (en overigens zelf geregelde) opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, welk maar liefst bijna een volle maand in beslag had genomen - een Paraguyaanse krant had melding gemaakt dat dit omvangrijke werk was vervaardigd door een beroemde Paraguyaanse kunstschilder, waar de Limburger natuurlijk furieus over was - hij besloot volledig berooid en uitgeput maar niet zonder dat hij zich eerst met enkele stadsgenoten midden in de nacht toegang had verschaft tot de locatie en het omvangrijke werk in zijn geheel met witte muurverf over had geschilderd, terug te keren naar de lage landen.

Na de Spaanse Costa's betrok Hans Coumans begin 1969 een vrijstaande woonruimte boven een lopend-buffet-restaurant in de Berkelstraat in het centrum van het toeristenstadje, dat eigendom was van een bevriende Spanjeganger. Hier mocht hij enkele maanden gedurende de verbouwing van het restaurant geheel gratis verblijven, maar zijn kameraad zou zeer dankbaar zijn als de schilder de wanden zou verfraaien met een aantal schilderingen, echter het zou lange tijd duren voordat de schilder op gang kwam en de eigenaar met de opening met het Paasweekend in zicht steeds nerveuzer werd of er überhaupt nog iets stond te gebeuren, totdat slechts enkele dagen voor de opening de schilder opeens inspiratie had gekregen en hij in een mum van tijd de hele zaak volledig had beschilderd en zijn werkzaamheden afrondde nog geen uur voordat het eethuis (met de verf nog nat aan de muur) haar deuren opende.
Dat er aanvankelijk weinig schot zat in het werk in het eethuis lag waarschijnlijk ook aan het gegeven, dat Hans Coumans het druk had met meerdere opdrachten tegelijk. Deze werken gingen vaak 'gelijk op': de schilder ging van het ene lokaal naar het andere lokaal om de werken in verschillende fases te voltooien, hoewel het ook nog wel eens voor kwam dat er vooral progressie werd geboekt bij het nuttigen van de voorradige flessen bier terwijl er aan de wand bitterweinig gebeurde. Naast opdrachten in Valkenburg en omstreken verbleef de schilder begin 1969 weer enkele weken in de Limburgse hoofdstad, waar hij tijdelijk onderdak vond bij een kameraad uit de academietijd, die op dat moment actief was als stadsfotograaf en in bezit was van een fotostudio in het centrum van de stad. Naast de belangrijke professionele activiteiten bezigde het tweetal zich eveneens met de net zo belangrijke nachtelijk activiteiten en zwierven ze van de ene kroeg naar de andere, terwijl zijn kameraad het uitgaande publiek fotografeerde - via een biljet kon het publiek op een later tijdstip de afgedrukte foto bemachtigen - en de schilder zich op het portretteren stortte. Hier in Maastricht kreeg de schilder een zeer kortstondige romance, die na de zomer zou resulteren in de geboorte van zijn eerste zoon, waarvan hij echter pas ruim na de geboorte op de hoogte werd gesteld. Hoewel de schilder op dat moment volledig van slag was, had zijn romance eerder besloten dat zij het grootbrengen van het kind voor haar eigen rekening zou nemen.
Nadat het regiokantoor van de provinciaalse courant De Limburger in de Grotestraat medio 1969 werd opgeheven en het pand in handen kwam van een bevriende kastelein van het Casinohotel en tevens vastgoedontwikkelaar, die het pand wilde herbestemmen en tot die tijd de verdiepingen voor een bescheiden bedrag verhuurde, verplaatste de schilder zijn activiteiten naar de vrijgekomen benedenverdieping van het pand met een grote etalage en opende hij hier zijn atelier (en tevens woning). Ook de bovenverdiepingen van het pand werden voor weinig geld bewoond door enkele jonge kunstenaars en een docent Tekenen, waar Hans Coumans geregeld mee zou optrekken of opdrachten zou realiseren. Gevestigd in de Grotestraat, van oudsher de belangrijkste straat in het hart van het Geulstadje waar het culturele en economische leven zich grotendeels afspeelde, had Hans Coumans na al die tijd eindelijk serieus voet aan de grond gekregen - dit was een belangrijke persoonlijke en artistieke mijlpaal - en zijn plek gevonden als culturele entrepreneur te midden van de plaatselijke de middenstand en de kroegen. De Grotestraat kende vanaf het begin maar zeker naar de oorlog een gevarieerd aanbod van kleinschalige winkels, speciaalzaken en horeca, en de kunstschilder-ambachtsman sloot feilloos aan bij ambachten zoals de kunstsmid, de fotograaf, de slager, de aannemer, de juwelier, de apotheek, de sigarenwinkel en de supermarkt, die hier reeds gevestigd waren. Net zoals zijn buren stalde de schilder zijn koopwaar in zijn grote etalage - geregeld lagen er allerlei andere 'kunstvoorwerpen' (van die andere Createur) in zijn etalage zoals prachtige grote rood-bruine herfstbladeren of bijzondere stenen in de etalage, die hij had verzameld tijdens zijn langdurige wandelingen door de natuur, voorzien van de mededeling: 'te koop 5 Gulden' - maar ook elders in de Grotestraat in de diverse zaken en winkels, in de kroegen en het naastgelegen schutterslokaal ()() was zijn werk te bezichtigen.

Aan het einde van de jaren 60 had de Hans Coumans zich door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn flamboyante charisma in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg ontpopt tot een populair cultfiguur, een schilder van het volk. Het markante Geuldal en de al even markante Hans Coumans waren onafscheidelijke begrippen geworden. Steevast omringt door nieuwsgierige dagjesmensen en geïnteresseerden vormde de schilder een onvermoede toeristische attractie in het toeristenstadje, die menig doet denken aan de taferelen uit het beroemde Parijse kunstenaarskwartier Montmartre. . De opvallende theaterman viel niet meer weg te denken uit het straatbeeld van Valkenburg en omstreken, en zelfs zijn begroeting "Ha vrund!" - een souvenir van de Costa's, die de schilder hanteerde, ook al had hij iemand nog nooit gezien - was gemeengoed geworden. Ook het plein air schilderen oefende aantrekkingskracht uit, want geleidelijk aan verschenen er her en der meerdere schilders in het straatbeeld.
Hans Coumans was de hofschilder van de toeristische hoofdstad van het zuiden, die vele publieke werken voor de gemeente, de plaatselijke horeca, banken, bedrijven en verenigingen realiseerde (soms i.s.m. diverse assistent-schilders), en die diverse vooraanstaande publieke figuren en de plaatselijke bourgeoisie op het linnen vereeuwigde. Op de terrassen en in de vele kroegen die de regionale hoofdstad rijk was gaf hij als sneltekenaar veelvuldig acte de présence, net als op de terugkerende Luikse markten en braderieën in het stadje en omgeving. Alleen al in Valkenburg had de schilder in ruim 26 établissementen en andere openbare plekken omvangrijke decoratieve werken weten te realiseren en in heel Zuid-Limburg bij elkaar meer dan 40 exemplaren. Voorbeelden van werken in Valkenburg zijn onder andere Bar-Restaurant Calypso (), Hotel Café Bar Heinikens Hoek (), Grillbar De Vesting (), De Gouden Leeuw, Het Hellevuur (), Bar Michiel de Ruyter, Restaurant El Castillo () en Hotel Metropool, Hotel Monopool, Dancing Paviljoen, de Napoleonbar (), De Postkoets (), Hotel-restaurant Valkenhof (), Eethuis Tivoli (), Café 't Grendelpoortje ()(), Casino Copacobana (), Pension Mimosa () en de melkboer in de St.Pieterstaat (i.s.m. John van Oostindië). Ook had hij een groot werk in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum (i.s.m. Hans Mets, schilder alsook i.s.m. John van Oostindië, docent tekenen, schilder) gerealiseerd en later (in 1973-1974) zou een soortgelijk werk volgen in de officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht () (i.s.m. Hans Mets, schilder).
Opdrachten voor schutterijen, carnavalsverenigingen en diverse toneelverenigingen vervaardigde hij dikwijls gratis of voor een krat bier omdat het sociaal of maatschappelijk gerelateerd was of enkel omdat '... lachen nou eenmaal belangrijk was". Daarnaast nam hij het houtskool over van de tot dan toe plaatselijke grottekenaar Albert Widdershoven en realiseerde hij op zijn beurt verschillende omvangrijke werken in de diverse Valkenburgse grotten, waaronder de Gemeentegrot en de Steenkolenmijn. In de Gemeentegrot in het Panteon, het vaste lokaal van de plaatselijke carnavalsvereniging Mirlitophile, vereeuwigde de schilder onder andere de carnavalsprinsen ()() en -prinsessen, de voormalige grottekenaar-schilder Albert Widdershoven (), oprichter van de Gemeentegrot Jef Habets () - dit portret is later vernield en verwijderd - alsook van de voormalige burgemeester Breekpot en zijn vrouw (). In de steenkolenmijn had Hans Coumans samen met Hans Mets een groot thematisch muurtafereel gerealiseerd, welk ongeveer 2 maanden in beslag had genomens, over de evolutie van maar liefs 100 meter lang, met daarin onderwerpen als het boerenleven in de middeleeuwen () en de prehistorische jacht (). Gedurende de carnavalsperiode, niet alleen voor kasteleins maar zeker ook voor een decoratieschilder een drukke tijd, vervaardigde Hans Coumans (dikwijls i.s.m. Hans Mets) vele decoraties in de kroegen, waar hij werd betaald in kratten bier of 1 glas bier per gezette letter kreeg. Een keer beschilderde hij (i.s.m. Jan Prevoo, etaleur) de beglazing van de opzichtige serre van hotel Limburgia volledig smurfenblauw met daarop in gouden sierletters: 'deze muur is net zo blauw als de schilders zelf', nadat beide heren in het hotel eerst de nodige whisky hadden genuttigd voor inspiratie - overigens, op verzoek van de eigenaar, die de bedoeling van het werk niet zo begreep, pastte hij de creatie aan en voorzag hij de serre binnen een mum van tijd met carnavalsvoorstellingen. In 1970 kreeg de schilder (i.s.m. John van Oostindië) de eretitel 'de hofschilders van Ghir II' uitgereikt op de carnavalszitting naar aanleiding van het beschilderen van de carnavalswagen van prins Giep II, kastelein van café Valkenhof. Om in de carnavalstemming te blijven huurden de schilders een Sinterklaas- en Pietenpak om vervolgens onherkenbaar in de optocht mee te lopen als de eerste Bisschop van Vallekeberg Sjoane Weck, als een reactie op de locale politiek van dat moment (overigens wonnen ze voor deze creatie ook de eerste prijs, maar omdat ze de inschrijving niet hadden geregeld, konde ze geen aanspraak maken op de prestigieuze prijs). Een keer deed de plaatselijke politiek een beroep op de schilder om een grote schildering van de 3 musketiers te vervaardigen, waarvan de legende luidde, dat deze gedurende de belegering van Maastricht veelvuldig het mergelstadje bezochten. Maar wat de opdrachtgevers hadden kunnen vermoeden, zeker bij politiek gerelateerde onderwerpen, was dat Hans Coumans er vervolgens een eigen interpretatie aan gaf en hij de burgemeester en twee wethouders afbeeldde als musketier en het groepsportret vervolgens voorzag van het onderschrift: 'Dit zijn de musketiers... Vroeger stalen ze van de rijken om dit onder de armen te verdelen... Nu hebben ze zich vergist en stelen ze van de armen en verdelen ze het onder de rijken'. Omdat dit werk de gemoederen nogal deed oplaaien, is het werk niet veel later overgeschilderd.
In korte tijd na Charles Eyck had de schilderstijl van Hans Coumans een opvallende verruwing aangenomen, wat ongetwijfeld een uiting was van een wilde, turbulente periode, maar het is ook een signatuur van toenemend zelfvertouwen en bravoure in zijn werk. De schilderijen ogen 'ruiger' of woester dan voorheen. Ze zijn veelal opgezet met het paletmes of plamuurmes, waarmee de schilder de verf met losse, ruige streken rijkelijk over het doek uitsmeerde en vermengde. In sommige gevallen kraste hij met de achterkant van het penseel vervolgens door de natte toplaag, waardoor de onderlaag weer zichtbaar werd. In zekere zin was deze methodiek (hoewel beperkt) een abstrahering ten opzichte van zijn eerdere werkwijze, waardoor het niet alleen mogelijk was in een buitengewoon rap tempo te werken, maar belangrijker, deze wijze van schilderen dwong hem zich te concentreren op een eenduidig hoofdthema. Dit was een belangrijk inzicht, waar Charles Eyck hem eerder al op had gewezen en wat nu zeker toch enige navolging vond. Deze verandering is duidelijk zichtbaar in de natuurmotieven ()()()()()(), stadsgezichten ()()()()()() en de enkele stillevens van dat moment ()(). De portretten ()()()()()()()()()()()() zijn eveneens in deze stijl opgezet. Opvallend aan de portretten is, dat hoewel hij nogal ruig werkt, hij in staat blijkt om de unieke soms zeer zachtaardige karakters op voortreffende wijze te portretteren.

 

 

De andere Hans Coumans (de serieuze schilder)

Ofschoon het hem in die tijd als culturele entrepreneur gezien het groot aantal opdrachten voor de wind ging, weerhield het gemakkelijke commerciële geld maar beslist ook het Bourgondische leven hem ervan om zich te richten op datgene waar zijn hart werkelijk lag, namelijk de ware schilderkunst of zoals hij dat zelf verwoordde: "de kunst van het echte schilderen". In tegenstelling tot zijn reputatie was de zelfgeafficheerde vrije schilder allesbehalve volledig vrij, wat hij maar al te goed besefte. Het zelfpredikaat schilder van het volk was in feite niets anders dan schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg maakte de schilder kenbaar, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapotging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Maar hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken, bleef Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en aan het landschap van het Heuvelland en ondanks dat veel tijdgenoten in de traditie van de modernistische tijdgeest werkten, bleef hij het impressionistische palet hanteren. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans "... met zijn talenten in die slurf is blijven hangen..." en niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij zijn talent en vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Maar Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Heuvelland oefende blijvend grote aantrekkingskracht op hem uit en dit motief zou altijd zijn geliefd onderwerp blijven, waar hij zijn schilderscarriere grotendeels aan wijdde.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd werd aangemoedigd en geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de non-conformist dit telkens als bemoeizucht. Niemand had hem daadwerelijk kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken. Dit veranderde echter plotsklaps met de komst van zijn Valkenburgse muze - dit was zijn schoonzus, met wie hij bijna 20 jaar geen contact mee had gehad en die door haar 2 in Valkenburg befaamde tantes naar hem toe gestuurd voor een portretopdracht - met wie hij na een kortstondige liefdesaffaire een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk trad en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrok. Zijn muze gaf hem niet alleen (enige) structuur en het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Zij dwong hem na te denken over wie hij werkelijk wilde zijn: de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en rust die zijn vrouw hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn artistieke kunnen, bewoog de schilder uiteindelijk om zich vanaf dat moment volledig te gaan wijden aan de ware schilderkunst, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker op het moment dat de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitbleven en zij hem met hun eerste zoon dreigde te verlaten, moest hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en en daarnaast zijn productie zien te vergroten en nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment was de schilder dan ook structureel - een nieuw woord voor de schilder - te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in Valkenburg aan de Geul en omstreken ()()()()()()()()()()()()()(), rondom het Geulstrand ()()() en Kasteel Oost ()() en Kasteel Schaloen ()()()() in Oud-Valkenburg, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden, zodra de winterkou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakte, hoofdzakelijk richtte op de (olieverf) portretkunst ()()()()()()()()()()()()() en het schilderen van stillevens en wildboeketten ()()()()()() of vergelijkbare opdrachten, waaraan hij in zijn atelier () in de Lindenlaan onafgebroken kon werken. Daarnaast gaf hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, op weekmarkten, fancy-fairs, allerlei thematische (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel (bron van inkomsten) zou gaan uitmaken van zijn kunstenaarsschap. Tussendoor maakte hij enkele buitengewoon fraaie werken van zijn vrouw, waaronder schetsen ()()() en enkele volwaardige olieverfschilderijen waarbij hij zijn vrouw afbeeldde als Spaanse zigeunerin () en als Spaanse bruid (). Dit laatste betreft een groot werk waaraan te zien is, dat hij er met uitzonderlijke bezieling aan heeft gewerkt.
De beeldbepalende, historische plekken in en rondom het bekoorlijke Geulstadje waren niet alleen bij de schilder zelf erg geliefd, het waren tevens de typische bezienswaardige plekken die ook veel andere mensen een warm hart toedroegen of bij uitstek de reden van een bezoek was, waardoor dit soort werken vanuit commercieel oogpunt interessant waren omdat ze erg gewild waren en gretig aftrek vonden bij bewoners en toeristen. Ontelbare keren stond de schilder op dezelfde plekken, en dat terwijl het eindresultaat telkens weer anders was als gevolg van de wisselende weersgesteldheid, de veranderende jaargetijden en niet op de laatste plaats het grillige emotionele temperament van de schilder. In de eerste jaren van het huwelijk vergezelde behalve zijn draagbare radio (waaruit steevast luid opera en klassieke muziek klonk) en enkele halve liters zijn vrouw hem getrouw gedurende de zonnige schilderdagen, die op die momenten dan een boek las.
Dat Hans Coumans in een andere levensfase terecht was gekomen, had zichtbaar uitwerking op de wijze van schilderen in die periode. Dat zijn vrouw hem heel wat innerlijke onrust had ontnomen, is duidelijk zichtbaar het werk dat hij niet lang na hun ontmoeting vanaf 1970 maakte. De schilderijen lijken plotsklaps te zijn ontdaan van hun ruwe, grove karakter en zelden of nog maar incidenteel maakt de schilder gebruik van het plamuurmes. In plaats daarvan beschikken de beeltenissen nu over een zachtere, lichtere - een vriendelijke of lieflijke - toets dan voorheen, het koloriet is frivoler en geraffineerd (complexer) waardoor de werken sprankelen () - pas op: dat is zeker niet het geval bij alle werken, aangezien de schilder zeker niet elke dag zijn 'Zondagse dag' had. In ieder geval zijn de werken gewicht veelal lichter doordat de schilder minder verf gebruikt. Soms vormt het lichtbruin gekleurde linnen doek () een wezelijk onderdeel van de kleurschakering. Binnen de gemeenschap ging in die tijd dan ook de ronde dat dit vast een gevolg was van geldgebrek, omdat de schilder nu een vrouw had om voor te zorgen.

 

 

Na een moeizame financiële en emotionele periode die hierop volgde, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten bracht en de schilder in zijn kunst nog steeds gedwongen was concessies te doen, trok Hans Coumans in de zomer van 1974 met zijn prille gezin voor een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, weg uit Valkenburg, in de omgeving van Mons, Binch en Charleroi in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseerde de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden - hij wilde de schilder helpen om publiciteit te genereren om de verkoop van zijn werk te stimuleren - een derde grote expositie. Hoewel deze expositie slechts een weekend duurde, en de schilder behalve 2 borden bij de entree verder geen publiciteit had gemaakt via de plaatselijke kranten, werd de expositie redelijk goed bezocht en verkocht hij enkele werken.
Hoewel na de korte intermezzo in België de zaken gaandeweg beter gingen en de verbouwing van zijn atelier begin 1975 bovendien een positieve invloed had op zijn productie, ervoer de schilder een toenemende onvrede over de indringende veranderingen in het mergelstadje. Niet alleen stuitte de vernieuwingsdrang (modernisatie) van Valkenburg vanaf het begin van de jaren 70, waarbij door een golf van afbraak en sloop van karakteristieke historische panden en tezelfdertijd de bouw van grootschalige anonieme nieuwbouw de unieke identiteit van het mergelstadje dreigde verloren te gaan, de schilder tegen de borst. Ook ondervond de schilder en zijn jonge gezin direct toenemende overlast van het massatoerisme, dat zijn intrede had gedaan en Valkenburg in zijn verstikkende greep had. Toen gesprekken met een aangrenzende hotels over geluidsoverlast en brandgevaar niets opleverde en een aanpassing van zijn huis geen effect sorteerde, restte de schilder niets anders dan zijn tot voor kort erg geliefde plek in de Lindelaan in het hart van Valkenburg op te geven.

 

 

Van een bevriende Valkenburgse kastelein en vastgoedontwikkelaar kreeg Hans Coumans in de zomer van 1976, nu met een tweede zoon op komst, het aanbod om in het nabij gelegen, rustigere forensendorp Nuth te gaan wonen. De Valkenburgse ontwikkelaar was hier sinds enige tijd eigenaar van het imposante voormalige gezellenhuis 'Ons Thuis' en het latere nonnenklooster 'Huize Maria' van de congregatie 'Dochters der Liefde' aan de Stationsstraat met enkele bijgebouwen en een groot omsloten park. Omdat het kloostercomplex in 1973 was afgekeurd voor bewoning en de ontwikkelaar voornemens was het complex af te breken en het terrein te herontwikkelen, was in het kloostergebouw vanaf 1975 tijdelijk een asielzoekerscentrum (AZC) gehuisvest voor de opvang van circa 200 rijksimmigranten van voornamelijk Surinaamse afkomst en kon het kunstenaarsgezin tot aan de sloop kosteloos antikraak intrek nemen in een deel van het bijgebouw, dat voorheen dienst deed als Groene Kruisgebouw, welk uitermate geschikt was voor een kunstenaarsgezin met een behoefte aan atelierruimte. Het andere deel van het bijgebouw bleef lange tijd onbewoond.
Eenmaal gesetteld in Nuth trok de schilder er vanuit zijn nieuwe vestigingsplaats er op uit - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst kende en zodoende niet beschikt over een rijbewijs ging hij veelal te voet en met de fiets of kon hij rekenen op kennissen en opdrachtgevers die hem ophaalden en terugbrachten - om plein air te schilderen in de groene omgeving van Nuth, Terstraten ()()() en rondom Wijnandsrade (). Zeker het elegante Terstraten, een typisch Zuid-Limburgs gehucht met enkele karakteristieke historische vakwerkhuizen en herenboerderijen gelegen temidden het glooiende, bosrijke landschap vormde een geliefde omgeving en een terugkerend onderwerp in zijn werk. In zijn atelier, dat in Nuth een stuk ruimer was dan voorheen in Valkenburg, besteedde hij veelal tijd aan de portretkunst ()()()()()(), aan het uitwerken van de landschappen en gedurende de koude wintermaanden aan stillevens ()()()(). Daarnaast werkte hij veel op de plaatselijke braderieën en Luikse markten om zijn snelportretkunsten te vertonen. Tussentijds vervaardigd hij een houtskoolportret van zijn vrouw en hun twee jonge zoons (). Door het contact met de buren ontmoette de schilder een jonge Creoolse dame (), die vervolgens voor hem poseerde, en wiens schoonheid afgaande op de aura van goud licht rondom haar gedaante vermoedelijk een overweldigende indruk op hem moet hebben gemaakt.
Nuth had de schilder dan wel verlost van de stressvolle situatie in Valkenburg, het ontbrak Nuth van de andere kant ook aan karakter. Afgezien een enkele kroeg was het dorp weinig temperamentvol en weinig inspirerend voor de schilder. Weg van het bruisende Valkenburg waar Hans Coumans zo gehecht aan was geraakt - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden en was hij een plaatselijke held - belandde hij in een sociaal isolement. En ondanks de aanvankelijke rust en de toenemende grip op de financiën - dat bleef overigens ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt, die hem voor het eerst een "... voor een arme schilder" gigantische naheffing deed toekomen van maar liefst 3000 Gulden - kwam de schilder al gauw in een hardnekkige mineurstemming terecht. En alsof dat niet genoeg was, ontstond er vanaf 1978 geleidelijk aan drugsoverlast in het naastgelegen AZC, waar intensief heroïne verhandeld werd. Toen de schilder na een poging tot inbraak en intimidatie van zijn vrouw verhaal ging halen bij de buren, werd hij slachtoffer van een gerichte aanslag - een schietincident op zijn woonhuis - en was het kunstenaarsgezin gedwongen om halsoverkop onder politie-escorte hun huis te verlaten en vervolgens gedurende ruim 4 maanden onder te duiken op diverse adressen in Mechelen, Slenaken en Hoensbroek. Deze ernstige situatie bezorgde de schilder medio 1979 een zenuwinzinking gevolgd door een langdurige depressie en achtervolgingswaanzin, welke vervolgens nagenoeg een jaar zou aanhouden. Er waren periodes dat de schilder enkel op de bank lag. De achtervolgingswaan leidde zelfs tot een nacht verplichte opname in het Psychiatrisch Centrum Welterhof in Heerlen, toen de schilder gedurende zijn werkzaamheden als snelportrettist op een markt in Hoensbroek volledig door het lint ging dat de politie er aan te pas diende te komen om hem in te rekenen, omdat hij dacht oog in oog te staan met zijn Nuthse belagers (die jacht op hem maakten vanwege de eerder gebeurtenissen). Maar de indrukken van een psychiatrisch centrum hadden hem snel doen opknappen, dat zijn vrouw de volgende dag het verzoek kreeg om hem te komen ophalen.
Zijn gemoedstoestand - dit was zeker een 'mindere' tijd - had zonder meer gevolgen voor de artistieke prestatie. Zijn nervositeit maakte de spontaniteit totaal onmogelijk, en afgezien van enkele uitzonderingen ontbreekt het aan de levendigheid in de werken die hij op dat moment vervaardigde, zoals men dat van Hans Coumans voorheen gewend was. Dit is onder andere te zien bij een stilleven (), enkele landschappen ()()() alsmede een portret van koster-organist Wiel Pasmans uit Schin op Geul (), dat hij vervaardigde ter ere van diens afscheid als dirigent bij zangvereniging Inter Nos uit Schin op Geul.
Eenmaal wedergekeerd in Nuth, nadat een politie-inval schoon schip had gemaakt bij de buren en het AZC eind 1979 werd opgeheven, verbeef het kunstenaarsgezin hier nog maar kort. Nu het AZC was opgeheven, wilde de eigenaar van het kloostercomplex versneld de herontwikkelingsplannen doorzetten en werd het kunstenaarsgezin opgedragen op zoek te gaan naar een ander onderkomen. Omdat de overvallen schilder niet a la minuut een vervangende woning ter beschikking had, week hij voorlopig niet van zijn plek en deed hij een beroep op huurdersbescherming. In reactie daarop verhuurde de eigenaar het overige deel van het bijgebouw aan het Opbouwwerk Nuth en het Jeugd- en Jongerenwerk Nuth, waarmee ofschoon de verstandhouding met de buren aldus de schilder aanvankelijk 'goed' was geleidelijk aan geluidoverlast ontstond als gevolg van de activiteiten en de muziek, die doordreunde tot in het direct aangrenzende atelier van de schilder, die veelal geconcentreerd werkte maar die het werken nu onmogelijk werd gemaakt. Na gesprekken met de buren, die volgens de schilder op niets uitliepen - hij schakelde diverse keren de politie in, die echter constateerde dat het gemeten geluidsniveau niet de maximaal toegestane norm overschreed - was hij in 1981 wederom, nu met een dochter op komst, gedwongen om zijn woning te verlaten en zijn heil elders te zoeken. In april dat jaar wijdde de provinciaalse krant Limburgs Dagblad een artikel aan de precaire situatie waarin de Nuthse schilder zich momenteel bevond. De schilder vertelde over zijn acute huisvestigingsproblemen. "De kleine kunstenaar... weer helemaal over het hoofd wordt gezien. De overheid heeft geen oog voor mij...", verzuchte de schilder. Hoewel de gemeente Nuth en diverse woningbouwverenigingen zich inspanden om de schilder en zijn gezin elders te kunnen onderbrengen, beschikten zij niet over een geschikte woning voor een kunstenaarsgezin en leverde hun zoektocht geen resultaat op. De instanties konden enkel een eengezinswoning of een flat in het centrum van Nuth aanbieden, maar hiervoor wilde de schilder zich niet inschrijven. De schilder was op zoek naar een 'hutje op de hei', liefst in of rondom zijn geliefde Terstraten, waar hij rustig kon wonen en inspiratie kon opdoen voor zijn schilderijen. Zijn hoofd stond zeker niet naar inschrijven, aldus de schilder. Met de intrede van de lente was na een lange tijd in mineurstemming de schilderkoorts weer opgekomen, en het enige wat hij wilde, was schilderen.

 

 


Coumansisme

Bij toeval bracht een bevriend makelaar soelaas en vestigde Hans Coumans zich met zijn gezin met drie kinderen in de zomer van 1981 in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankocht en via een grootscheepse verbouwing overigens hoofdzakelijk georganiseerd door de kunstenaarsvrouw en met de hulp van enkele Valkenburgse kameraden verbouwde tot atelierwoning - de schilder deed enkel waar hij goed in was: schilderen. De aankoop was onmogelijk geweest zonder de hulp van één van de twee tantes, die haar pensioentijd hier in het theater op het balkon dat voorheen bestemd was voor het fanfareorkest zou doorbrengen. Toen eenmaal bleek dat zijn vrouw en zijn tante het goed maakte en de kinderen het op school naar hun zin hadden, en hij in alle vrijheid kon schilderen, kwam de schilder geheel onverwacht gaandeweg in een persoonlijke en artistieke bloeiperiode terecht. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt betekende, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op de ware kunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt, en die trend zou zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving had de schilder eindelijk de langgekoesterde gemoedsrust gevonden wat hem de vrijheid gaf om zich volledig te wijden aan het echte schilderen. Hoewel hij zeker nog opdrachten aannam voor portretten, zou hij zich voornamelijk richten op de landschapskunst. Vanuit zijn atelier trok hij naar Jabeek, Schinveld, Etzenrade, Doenrade, Oirsbeek en Schinnen, waar hij de typische zacht-glooiende vergezichten, de holle wegen en de oude karakteristieke dorpskernen van de Zuid-Limburgse provincie aan het doek toevertrouwde. In Oud-Amstenrade bezocht hij geregeld de omgeving rondom het kasteel en de kerk. Ook toerde hij veelvuldig door de grensstreek met Duitsland, om in en rondom Gangelt, Minder-Gangelt, Sustersehl, Hillensbergen en Wehr te werken.

Vanaf de beginjaren 80 brak er voor Hans Coumans een nieuwe periode aan, een periode van zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdde zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre. In zijn carrière had hij een punt bereikt, waarop hij geen enkele concessies meer deed. En dat kon hij zich inmiddels permitteren. In de provincie genoot hij inmiddels toenemende naamsbekendheid als respectabel kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen - hoewel het een vreemde gewaarwording was om nu zelf een gevestigde schilder te zijn terwijl hij altijd fel gekant was tegen de gevestigde orde. Door de jaren heen was een groep van fans en liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankochten en collecties opbouwden. - mensen met meer dan tien werken waren geen uitzondering. De gevestigde kunstschilder ontving in 1981 vanuit de kunstcommissie van het Koningshuis de nationale opdracht tot de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder en de eeuwide roem tot gevolg sloeg hij af, aangezien hij zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelde de schilder (op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman) zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage, van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici namen deel aan zijn lesprogramma's. Ook ondernam hij met meerdere internationale gezelschappen wekelijks schilderexcursies door heel Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder maakte hij acte de présence als sneltekenaar op de jaarlijkse Luikse markten, braderieën en andere (sport)evenementen om de winnaars en bezoekers te portretteren, niet alleen in de omgeving, maar inmiddels als vaste gast (via diverse organisatiebureau's voor markten) door heel Limburg, tot aan Nijmegen toe. Nagenoeg alle jaarlijkse Limburgse markten waaronder de St. Joep markt in Sittard, de Parade der Nationaliteiten in Brunssum, de wielerwedstrijd en braderie in Thorn, de Bokkenmarkt in Valkenburg, de jaarlijkse harmoniefeesten in Oirsbeek, de Boerenmarkt in Walem, het kasteel in Limbricht, konden rekenen op de Bingelraadse kunstenaar, die hier zijn tekenkunsten toonde. Daarnaast werd de schilder uitgenodigd om gedurende een semesterperiode enige malen als gastdocent les te geven aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf. De kunstacademie had in de kunstwereld ook wel de naam als de zogenaamde Düsseldorfer Mahlerschuhle, die vooral bekend stond als technische schilderschool. Het meesterschap, waarop Hans Coumans zich gedurende zijn gehele schildersloopbaan exclusief had toegelegd, zou hij nu overbrengen aan een nieuwe generatie van kunstschilders, die geïnteresseerd waren in figuratieve kunst.
Na een reeks van opdrachten in Spanje in 1983 - dit was via zijn bevriende Valkenburgse stadgenoot, waarmee hij eerder aan de Costa's had gezworven - trok Hans Coumans toch weer vaker naar Valkenburg ()()()() en omstreken, waar hij als vanouds de markante historische en beeldbepalende plekken op het linnen vastlegde en hij na een 'pauze' van meer dan 7 jaar weer volop in de belangstelling stond, ofschoon zijn vrouw hier minder verheugd over was gezien haar eerdere ervaring. Wederom omringde de schilder zich met bekenden, kunstliefhebbers en drommen dagjesmensen, die maar al te nieuwsgierig luisterden naar de verhalen van deze theaterman en bleek hij als vanouds een populaire toeristische attractie. Wederom stond hij op zijn favouriete plekken in het centrum rondom de kerk nabij het 'Huis aan de brug' ()()()()()(), verderop aan het Geulstrand () en Kasteel Oost () en Kasteel Schaloen ()() in Oud-Valkenburg, waar hij in het kasteelpark zijn begeerde 'Miljoenenboom' () schilderde - (refererend aan het treintraject 'de Miljoenenlijn') had hij deze boom ontelbare keren afgebeeld, dat hij naar eigen zegge inmiddels miljonair had kunnen zijn. Verder werkte hij in Sibbe (), Houthem (), Cadier en Keer (), in Schweikhuizen (), Slenaken en wederom in zijn immer geliefde Terstraten ()()().
Als gevolg van zijn werkzaamheden op een markt ontmoette de schilder per toeval zijn eerdere romance en kwam hun inmiddels 14-jarige zoon ter sprake. Deze kwestie had hem jarenlang achtervolgd en aan zijn geweten geknaagd. Het was zeker een smet op het blazoen van de zelfbenoemde moralist. Hoezeer zijn vrouw hem diverse malen had aangemoedigd om contact met zijn oudste zoon op te nemen, was de schilder jarenlang vervuld van schaamte en durfde hij deze stap niet te wagen. Maar nu de eerste stap gezet was, was hij vastberaden zijn verantwoordelijkheid te nemen.

Na een buitengewoon productieve periode vond begin 1984 op initiatief en georganiseerd door de plaatselijke amateurschilder-timmerman en hulp van enkele andere leerlingen een succesvolle (vierde) grote expositie plaats in Kasteel 'Doonder' in Doenrade. Ondanks dat de schilder, naast dat hij geen enkel aandeel had in de organisatie, niet aanwezig was op de expositie en er zelfs op zijn nadrukkelijk verzoek geen officiële opening was, genoot de 'openingsavond' grote belangstelling. Hoewel de schilder aangaf dat dat "officiële gedoe" allemaal niet aan hem besteedt was, had zijn afwezigheid ongetwijfeld te maken met een niet te verhullen onzekerheid of zijn persoonlijk werk zou aanslaan bij het grote publiek. Echter, het onverwachte welslagen had duidelijk gevolgen voor zijn persoonlijke welbevinden en vertrouwen in zijn artistieke kunnen, wat voor een verdere opleving zorgde. De schilder kende een enorme gedrevenheid en hij wist in korte tijd na de expositie meer dan 40 nieuwe schilderijen te vervaardigen. Voor het eerst in zijn kunstenaarsschap werkte hij structureel doelgericht aan een samenhangend thema en liet hij zich gedurende het voorjaar van 1984 inspireren door motieven met het thema bloesem. Hij zocht naar onderwerpen, die stuk voor stuk kenmerkend waren voor de omgeving of zo langzaamaan een zeldzaamheid waren in het Limburgse landschap, zoals de fraaie holle wegen en de oude kromme hoogstamfruitbomen. Gezien de rap ontplooide activiteiten was het mogelijk gebleken om al na een klein half jaar in de zomer van datzelfde jaar opnieuw een (vijfde) expositie met als tiltel "Bloesemexpositie" ()()()()()()()() te organiseren, wederom in kasteel Doonder. Deze expositie werd geregeld door de Onderbankse wethouder - met hem en diens vrouw onderhield het kunstenaarsgezin inmiddels een hartelijke vriendschap - terwijl de schildersvrouw en een aantal vrienden en leerlingen de logistieke operatie van de schilderijen voor hun rekening namen. Deze "bloesemexpositie" markeerde een persoonlijk en artistiek hoogtepunt in zijn loopbaan. Het was duidelijk een uiting van een groot welbevinden zichbaar in de uitbundige bloesemtaferelen.

Na deze successen bleek de schilder eind 1984 opeens ernstig ziek als gevolg van levercirrose. Al gedurende de Bokkenmarkt, een jaarlijks terugkomende Valkenburgse braderie met ambachten en muziek, waar de schilder zoals zo vaak het publiek vermaakte met sneltekenen, vertoonde hij geelzucht en een paar dagen later werd hij vanwege ernstige leverfunctiestoornis opgenomen in het ziekenhuis St.Gregorius Schuttershof in Brunssum. Hier zou hij de komende vier weken verblijven. De opname kwam nog net op tijd, zodat hij het ternauwernood overleefde. Toch gaf de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zou hij na een kort ziektebed in het ziekenhuis, gevolgd door een moeizame herstelperiode van nagenoeg een jaar - hij was strikt gehouden aan een vet-arm, alcohol-arm dieet - eind 1985 onder leiding van de Onderbankse wethouder een volgende expositie en (de eerste uit een reeks van exposities) in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, zijn zesde en meest succesvolle expositie tot dan toe. Als dank voor de betrokkenheid en inzet van de wethouder vervaardigde de schilder een (onvoltooid) dubbelportret () van diens zonen en stelde hij zich beschikbaar om de aanwezige jongeren te portretteren bij de opening van het 'Oude Kajottershuis' in Schinveld.
Hoewel een jaar ziekte grote impact had gehad - "... Jezus had meer geleden dan ik...", beweerde hij overigens - had de schilder het na zijn comeback nog nooit zo druk. De levensvreugde had zichtbaar weer bezit van hem genomen en hij was niet van plan om dit ooit nog los te laten. Nu hij weer de rust had gevonden, hoefde hij zich enkel te concentreren op het schilderen. Hans Coumans was inmiddels een milde jonge veertiger en zijn volle, bruinzwarte bos krullen ingelost voor een zilvergrijze gemillimeterde kop (), echter zijn schilderijen ()()()()()()() in dat jaar waren levendiger en uitbundiger dan ooit. Na het Kloeëster stelde de Bingelraadse schilder in het voorjaar van 1986 een tiental werken voor langere tijd tentoon in het Groenekruisgebouw in Schinveld. In plaats van vertegenwoordiging via een kunstgalerie hing de schilder zijn werk bestemd voor de verkoop bij verschillende bedrijven. Dit maakte het mogelijk om op laagdrempelige wijze zijn werk bekend te maken bij een groot publiek. Medio 1986 werkte hij volop aan een nieuwe collectie voor een volgende (zevende) expositie.

 

 

Naar aanleiding van zijn werk als sneltekenaar op de jaarlijkse kunstmarkt 'La Place du Temple' in Sittard verscheen in de zomer van 1984 in het Stadsjournaal Nieuwsblad Sittard een uitgebreid artikel met de veelzeggende titel 'Ik ben de laatste cowboy onder de Limburgse schilders' (), waarin de dan 41-jarige schilder terugblikte op zijn professionele carrière van 25 jaar. In het artikel wijdde de zelfgeafficheerde 'laatste cowboy' uit over het glibberige pad, dat hij als vrije en volledig onafhankelijke kunstenaar had moeten afleggen, en hoe hij via allerlei omzwervingen door het sneltekenen en het schilderen altijd had voorzien in zijn eigen brood en nimmer aanspraak had gedaan op kunstsubsidies, dit in tegenstelling tot veel mainstream collega-schilders. Maar ondanks dat Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie inmiddels brede artistieke reputatie genoot, verkreeg hij destijds tot frustratie vanuit de mainstream of de 'officiële kunstwereld', "de deskundigen in de kunst, wie dat ook mogen zijn..." en "zij, die zelf nog nooit een penseel hebben opgepakt... dus wat weten zij van schilderen?" aldus Hans Coumans, niet de erkenning voor zijn artistieke talent, die hij volgens zijn mening had verdiend. Gedurende een lange schilderscarrière van zo'n 25 jaar had hij zich toegelegd op het beoefenen en doorontwikkelen van het meesterschap oftewel "de kunst van het echte schilderen" en eindelijk had hij een niveau bereikt waarvan hij vond dat hij kon zeggen dat hij het schilderen 'toch wel in zijn vingers had' - "nu mag het wat mij betreft echt gaan beginnen!" - echter, omdat hij buiten de mainstream om werkte, bleek er voor hem weinig eer te behalen. De periode na de oorlog werd namelijk gedomineerd door de Postmoderne (abstracte / conceptuele) kunst, welke alle eerdere (figurative) kunststromingen dood had verklaard. In de Postmoderne tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met esthetiek. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als exclusieve maatstaf voor de kunstkritiek. Het impressionistische werk van Hans Coumans werd door de mainstream zodoende als ouderwets aangemerkt: het behoorde toe tot een eerder hoofdstuk in de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans, aan de andere kant van het palet, had duidelijk andere opvattingen over kunst. De 'officiële kunstwereld', daar had hij geen goed woord voor over. Een selecte arrogante elitebende was het, die wel even voor 'de ander' bepaalde wat kunst is. Maar "wie bepaald dat, wat kunst is...?", stelde de schilder. Niet alleen was hij van mening dat de moderne kunst (in de jaren 80) een teloorgang was voor de ware schilderkunst, choqueren om het choqueren, pure (persoonlijke) aandachttrekkerij - "Kunstemakers zijn het! Die drie lijnen... dat heeft weinig met schilderen te maken!". - belangrijker nog, hij verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen van de modegrillen en de afhankelijkheid van Marga Klompé (toelage voor kunstenaars), terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mocht verwachten. Uiteindelijk ontbrak het de kunstwereld aan zelfkritiek, stelde de schilder, puur uit angst de maandelijkse toelage mis te lopen, waardoor het artistieke circus zichzelf in stand hield en er feitelijk geen of slechts sporadisch sprake was van vernieuwing. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg, stelde hij dat veel beginnende kunstenaars veelal zitten te kliederen in hun atelier: "... veel (beginnende) kunstenaars verstikken in hun eigen theorieën en produceren uiteindelijk helemaal niets...". Hoewel Hans Coumans met zijn geintroduceerde anti-dogma Coumansisme pleitte voor volledige vrijheid in de kunsten, werd hij vooral volledig genegeerd door de kunstwereld en de gevestigde kunstbladen. Zijn werk is dan ook nooit aan een kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de serieuze kunstbladen.

 

 

Op het hoogtepunt van zijn kunstenaarsschap, met een zevende grote expositie in voorbereiding een jaar later, overleed Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder was op weg naar Malden om de jaarlijkse bosloop op te fleuren en de winnaars en deelnemers te portretteren, maar zijn laatste rit eindigde voortijdig op de snelweg A-73 ter hoogte van de afslag Heumen. Hij was het eerste dodelijke slachtoffer op de snelweg, die nog maar een maand eerder feestelijk werd geopend. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, waar hij zijn hele leven een gruwelijke afkeer van had, zelfs doodsangsten voor had, was hem noodlottig geworden. Nog in de week voor het fatale ongeluk had hij zijn hoofd er niet naar staan: "Dat geraas met die auto's..!". Maar ja, er moest brood op de plank, zo stelde hij. Ook een dag eerder in de plaatselijke kroeg had hij al laten vallen dat hij geen trek had om dat hele stuk rijden. Gelukkig zou het de laatste keer zijn dat seizoen, voordat de winterkou hem het werken in de buitenlucht onmogelijk zou maken. Die mistige novemberochtend lukte het aanvankelijk niet om de schildersezel in de kleine auto (waarin hij als passagier plaats zou nemen) te krijgen, wat leidde tot een woordenwisseling met zijn vrouw, die hem smeekte om niet te gaan. Tevergeefs, want hij moest gaan, vond hij, hij had het die mensen immers beloofd.

Hans Coumans werd 43 jaar. De sneltekenaar-schilder liet een vrouw en vier kinderen na. Hij realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.

Aan het einde van de jaren 80 gingen ook andere schilders in Europa en de VS weer impressionistisch schilderen en ontwikkelde de Postmoderne (abstracte / conceptuele) kunst zich met de komst van het digitale tijdperk (onderzoektijdperk) tot een brede, pluriforme kunststroming, waarin alle eerdere kunststromingen op een of andere manier een plek vonden of leidde tot geheel nieuwe kunstvormen - 'alles is kunst', was nu de opvatting - en uiteindelijk de ruimte kwam voor de volledige vrijheid in de kunsten. Vanaf het begin van de 21e eeuw was het impressionisme volledig geherwaardeerd in de kunstwereld en heden ten dage zelfs populairder dan ooit.

 

 

 

oeuvre

 

landschappen

stadsgezichten

olieverf portretten

snelportretten

zelfportretten

stillevens

kritisch werk

overig werk

 

 

introductie wikipedia biografie oeuvre artikelen boek stichting contact