HANS COUMANS
man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Oeuvreboek

Kunstschilder Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 naar de Randstad trokken om naam te maken in de kunsten, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans te zeer gehecht aan de unieke schoonheid van het Bourgondische leven en de al even weelderige natuur van de Zuid-Nederlandse provincie. Door de hartstochtelijke liefde voor het leven en fascinatie voor de natuur nemen de natuurmotieven een centrale positie in in zijn oeuvre, zodat deze zijn aan te merken als zijn persoonlijke oeuvre. Hoewel Hans Coumans als kindschilder bedreven was in het schilderen van de natuur, zou lange tijd de vrije levenskunst op de voorgrond staan en zou hij vooral een vrijbuiterleven leiden, alvorens hij zich volledig zou toeleggen op de vrije schilderkunst en hij uiteindelijk bekendheid verwierf als 'man van de heuvels'.

"Kunstenaar bij de gratie Gods en op eigen initiatief", zoals de markante kunstschilder het graag toelichtte. Hans Coumans was een flamboyante en joviale bohémien, die zowel een legendarisch bruisende levenskunst als van het schilderen beoefende, welk getuigt van een hartstochtelijke liefde voor het leven - de natuur, de medemens, de samenleving. De schilder werd ook wel omschreven als vrijbuiter, bon-vivant, romanticus, natuurmens, theaterman en moralist (maatschappijcriticus). Hans Coumans was een vrijzinnige geest met uitgesproken links-dwarse opvattingen, die met het nodige elan en humor maatschappelijke kritiek leverde en opstond tegen sociaal onrecht. Wars van alle conventies wist hij zich al vroeg als vrijbuiter 'enkel met het penseel' vrijgevochten van de gevestigde maatschappelijke orde en uiteindelijk via allerlei omzwervingen geheel eigenhandig een status te verwerven als vrije (bewust autodidact) kunstschilder, die leefde van zijn werk - kunstsubsidies weigerde hij pertinent uit eergevoel. Door zijn opmerkelijk schildertalent en zijn buitengewoon charisma werd hij omarmd door de mensen en groeide hij uit tot een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond. Tradities en modegrillen in de kunsten ten spijt, schilderde hij zijn leven lang non-conformistisch buiten de mainstream om in een licht-impressionistische schilderstijl, het zogeheten Coumansisme, het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was, waarin hij de vele typische aangezichten van het Limburgse landschap - zijn persoonlijk oeuvre - portretteerde.

Kunstschilder Hans Coumans hield dusdanig van het leven, dat hij dagelijks de grond kon kussen, werd wel eens gezegd. En de werkelijkheid was niet minder uitgesproken. Met 'Sturm und Drang' leefde deze hartstochtelijke über-gevoelsmens het leven. Hans Coumans kenmerkte zich als een opvallend emotionele (sensitieve) en grillige - 'himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt' - persoonlijkheid. Hij stond bekend als een impulsieve, egocentrische (non-conformistische) en theatrale (melodramatische) man, die een opvallende über-emotionele verbondenheid met het leven ervoer. De schilder was diep onder de indruk van de Schepper en hij had een onnoemelijk respect voor het hele gebeuren rondom de Schepping zoals alles ontstaat en was ontstaan. Heiligheid was gelegen in het leven (levensenergie) oftewel de Schepping, aldus zijn indringend persoonlijk canon, wat ten grondslag lag aan zijn intense levensfilosofie (moraal) en zijn al even intense schilderkunst. Het leven was een groot Goed, welk gekoesterd en beschermd diende te worden, volgens de schilder. De intens emotionele wijze waarop hij het leven omarmde, uitte zich in een hartstochtelijke liefde voor de natuur, de medemens en de samenleving (de wereld). Het zijn deze liefdes, die hun weerslag vonden op het witte linnen en als zodanig kenmerkend zijn voor de aard van zijn artistieke oeuvre.
Hans Coumans hing de filosofie van 'het eenvoudige leven' aan. De schilder stond een bescheiden en zinvol bestaan voor in een harmonieuze samenhang met de natuur en de medemens (samenleving). Het enige wat Hans Coumans ambieerde, was een leven in vrijheid, genieten van het leven en schilderen. Hij was dan ook intens gelukkig op de momenten dat hij in de vrije natuur kon schilderen, als de zon scheen en de vogels floten en hij van zijn welverdiende halve liter kon genieten. Hoewel de schilder zich onder geen beding wenste te scharen onder welk 'isme' dan ook, met uitzondering van het Coumansisme waar hij fervent aanhanger van was, vertoont de levensfilosofie van deze bohémien grote analogie met de 19e eeuwse Franse vrijheidsidealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Dit waren de kernwaarden welke er werkelijk toe deden in het leven en essentieel waren voor een evenwichtige wereld, volgens de schilder, terwijl al het 'andere' overbodig was en slechts een last voor de mens. Omdat de schilder geloofde in de vrije wil en absolute autonomie (van het individu) wees hij elke vorm van 'isme' resoluut af en werd radicale bevrijding van 'het systeem' een centraal thema in zijn leven. Zodoende was de schilder voorvechter van fundamentele vrijheidheidsrechten (zelfbeschikking), gelijkheid en (sociale) rechtvaardigheid. Hij verzette zich fel tegen de entiteiten in de samenleving, die de vrije denkruimte van het individu ondermijnden, wat moreel verwerpelijk was. Zo kwam de schilder voortdurend in opstand tegen de klassieke gevestigde macht: het kerkelijke instituut, het politieke en maatschappelijke establishment, de 'officiële' kunstwereld. Ook had hij niks met tradities, modegrillen en de heersende norm (middelmaat, kuddegedrag). Fenomenen als geld, bezit en status hadden voor hem geen enkele waarde, omdat voor hem iedereen gelijk was - enkel de persoon telde, zeker niet wat deze aan of om had - en maatschappelijk-economische competitie slechts een drogbeeld was. Materialisme, consumptiemaatschappij, industrialisatie en technologische ontwikkelingen waren louter schijngeloofsartikelen, die in zijn ogen enkel negatieve invloed hadden op de mens en leidden tot vernietiging van de natuur (de aarde). Het kapitalistische wereldbeeld, dat alles beschouwt in termen van geld, was totaal onverenigbaar met zijn opvatting, dat de wereld van iedereen was. Hij stelde, dat de mens was gekaapt door het geld, afhankelijk gemaakt, terwijl de werkelijke waarde van het leven niet gekend werd. Voor de werkelijke waarde hoefde men slechts om zich heen te kijken, naar wat er 'is' oftewel naar het leven zelf (de natuur). De mens was vergeten zelf onderdeel te zijn van de natuur en vooral vergeten dat er een belangrijke taak op hem rustte om de natuur (het leven in al zijn facetten) te beschermen. Voor veel mensen was het leven een vanzelfsprekendheid, maar zij waren zich niet bewust van de bijzonderheid daarvan, aldus de schilder. Een keer wees hij een dorpsgenoot op een krop sla en zei: "Je eet je hele leven sla, maar begin zo'n krop maar eens te tekenen, je ontdekt dan hoe dwaas het is dat je je hele leven met sla hebt geleefd en nooit (werkelijk) sla hebt gezien... dat je niet eens weet waarin een slablad verschilt van een blad van savooi kool...". En in het verlengde daarvan: "Zo is het hetzelfde met het tekenen van de mens. Je kent hem pas goed als je hem hebt getekend, misschien is het daarom dat ik in zovelen ben teleurgesteld.".
De schilder vond dat het in een democratie behalve ieders burgerplicht de taak van de onafhankelijke kunstenaar was om kritische vragen te stellen en in verzet te komen tegen onrecht. De mensen waren te goedgelovig, lieten zich misleiden, indoctrineren, maar wat wijsmaken en durfden geen weerwoord te bieden uit angst of uit vrees om hun maatschappelijke positie te verliezen. Daar waar de meerderheid 'stond erbij en keek erna' en vooral zweeg, stond Hans Coumans op en sprak zich uit, wat steevast leidde tot opmerkelijke situaties. Plaatselijke kranten berichtten herhaaldelijk over ludieke, provo-achtige protestacties 'op de barricade' ()() en over hilarische protestwerken ()()()() (die standaard provocerend aan de voorgevel van zijn huis hingen), waarmee de schilder zijn ongenoegen uitte over allerlei actuele maatschappelijke kwesties, zaken aan de orde stelde die het daglicht niet konden verdragen of gericht uithaalde naar bepaalde lieden van de kerk ("... die de Bijbel op de kop gelezen hebben...") en de politiek, die hij aansprak op hun geweten. Hoewel dit maatschappelijk activisme hem sympathie bezorgde, leidde dit herhaaldelijk ook tot ophef en tot verhitte debatten binnen de plaatselijke gemeenschap, wat hem zeker niet bij iedereen geliefd maakte, afgaande op de bedreigingen aan zijn adres en annulering van opdrachten.

In elk motief of thema dat Hans Coumans hanteerde, manifesteerde zich een obsessie voor het object: hij wilde de ziel ervan doorgronden, blootleggen en anderen hiervan deelgenoot maken, bewust maken - "Velen hebben de ogen open, maar ze zien niets!" poneerde de schilder voortdurend. Dat hij het bijzondere talent had om diep door te dringen tot het wezen van de persoon of de geest van de plek (genius loci), is aanschouwbaar in de vele portretten en genrewerken, maar met name in de talrijke natuurlandschappen (en dorpsgezichten) van het Zuid-Limburgse Heuvelland, welke getuigen van een groot ontzag voor het leven en verwondering over de onderscheidende pracht van de natuur in de zuidelijke provincie. Dit was "... onovertroffen in Nederland", stelde de schilder overtuigd. De natuurmens was lyrisch over de motieven, de transformatieprocessen, de vergankelijkheid en het nieuwe leven (de bloesem), de bonte kleurschakering en de werking van het licht, vooral gedurende de herfstmaanden met zijn roestige (roodbruin) tinten, dat hij urenlang gefascineerd kon uitwijden over de bijzonderheid van de Schepping, waarmee Onze Lieve Heer, zijn grote vriend, de mens had omringd.
De liefde voor het leven uitte zich in een artistieke bezieling. De overweldigende indrukken en de verwondering voor de pracht van de natuur wakkerden de schilderkoorts aan. De schilder werd idolaat van de wonderbaarlijke fenomenen die in de natuur plaatsvonden - "Ik word gek van de kleuren!" - dat hij niet anders kon dan 'die besonders schöne Motieve mit pinsel und farbe festzuhalten', zoals een Duits artikel van een plaatselijke krant uit Gangelt eens uitdrukte. Het zijn met name deze natuurmotieven van het karakteristieke Heuvelland, zijn persoonlijke oeuvre, waarmee Hans Coumans in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw in de provincie Limburg naam maakte als getalenteerd schilder. Die emotionele verbondenheid en betrokkenheid komt ook tot uitdrukking in de tientallen kritische werken ()()()() - hiervan zijn slechts enkele stukken behouden gebleven, omdat deze slechts een tijdelijk doel dienden en keer op keer werden overgeschilderd - waarmee hij met veel humor actuele politieke kwesties aan de kaak stelde, zaken aan het licht bracht die het daglicht in zijn ogen niet konden verdragen of publiekelijk de spot dreef met bekende politieke of kerkelijke figuren, die iets op hun kerfstok hadden. Zelfs niet-kritische werken bevatten nog wel eens de nodige komische politieke boodschappen, zoals een overvliegend AWACS-vliegtuig of een onopvallende opvallende politieke graffiti met leuzen als 'K.V.P. Roomse huichelaars' ()()().

Hans Coumans was een productieve schilder, en ondanks dat hij slechts een leeftijd van 43 jaar bereikte, realiseerde hij een artistieke nalatenschap van een paar duizend werken. Omdat hij zich al van jongs af aan uit eergevoel - in het Zuid-Limburg van de jaren 50 stond men afwijzend tegen kunst: kunstenaars waren armoedzaaiers of erger nog parasieten van de samenleving - had gecommitteerd aan het volledig onafhankelijk kunstenaarsschap door overheidssubsidies (BKR-regeling) te weigeren, was hij genoodzaakt te schilderen voor zijn brood. Door zijn schildertalent en zijn buitengewoon charisma wist hij zich spoedig een plek tussen de mensen te verschaffen en werd hij een populaire schilder, een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond (veelvuldig gingen de schilderijen 'nat' van de hand). Ofschoon gedurende het uitgebreide onderzoek tussen 2010 en 2018 naar het werk en leven van Hans Coumans tussen 2010 en 2018 circa 1700 individuele werken zijn gedocumenteerd, is de aanname van 3500 realistischer, aangezien veel werk (waarvan bekend is dat het heeft bestaan) in de anonimiteit is verdwenen of verloren is gegaan. Zo bestond een substantieel deel van het oeuvre uit (houtskool) snelportretten - het portretteren op de talrijke jaarlijkse Limburgse markten en braderieën was volgens de schilder zelf de eigenlijke hoofdbron van inkomsten - waarvan gedurende het onderzoek echter weinig terug is gevonden. Dat geldt eveneens voor tientallen decoratieve muurschilderingen, vervaardigd in de établissementen en schutterslokalen - deze zijn in de loop van de tijd bij modernisatie verwijderd. Overigens, afgezien van het verdwijnen van werk heeft het onderzoek ook een aanzienlijk deel aangetroffen dat in slechte conditie verkeert door een gebrek aan onderhoud, of door oppervlaktestof, vochtplekken, waterschade of sigarettenrook ernstig is aangetast. Omdat ook dit veelzeggend is voor de context, waarin Hans Coumans werkte, is ervoor gekozen om ook (enkele van) deze werken omwille de doorsnede van het oeuvre in het boek op te nemen.

Alvorens Hans Coumans zich volledig zou toeleggen op de vrije kunst, ging deze schilder lange tijd door het leven als (artistieke) vrijbuiter en stond de vrije levenskunst op de voorgrond. In zijn schilderscarrière zou het vrije werk dan ook lange tijd overschaduwd zijn door het commerciële werk. De schilder moest eerst de (over)levenskunst zien te beheersen, voordat hij zich kon wagen aan de schilderkunst.
De rusteloze vrije geest, die zich kort na zijn artistieke aanleg openbaarde ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een onzeker, ongebonden kunstenaarsbestaan. Het onbegrip voor het kunstenaarsschap - met kunst kon je de kost niet verdienen, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - leidde spoedig tot verzet en conflicten binnen de familie. In zijn tienerjaren - na het behalen van zijn diploma tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen, waar hij "... vanwege materiaalkennis tenminste nog iets aan had." - zou hij zich ontworstelen aan het ouderlijke gezag en de tradities in het petieterige Roomse kerkdorp Schin op Geul en gevolglijk 'de wijdte' verkiezen en solistisch de wereld intrekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. Gedurende diverse langdurige solistische zwerftochten tussen zijn 15e en 19e levensjaar door diverse landen in Europa - Duitsland (Laurensberg, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (Parijs), Spanje - leerde de vagebond de kunst van het overleven via allerlei baantjes (waaronder decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser, kermishulpknaap) en door middel van zijn opvallend tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren (sneltekenen) van mensen in de plaatselijke kroegen. In 1961 vergezelde hij als circusartiest het circusgenootschap Tony Boltini voor een half jaar bij hun tour door Duitsland. Eenmaal terug in het Geuldal verkaste de vagebond, de jonge pauperschilder met enkel 3 penselen op zak, van het ene naar het andere adres (soms leegstaande kamers in hotels) en verrekende hij kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Met zijn en plein air schilderijen struinde hij de kroegen en de braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars. In pension 't Hoonderhöfke en later op Kasteel Schaloen organiseerde hij zijn eerste exposities.
In 1965 trok Hans Coumans enige maanden naar Amsterdam om zich aan te sluiten bij het studentenprotest van de anarchistische Provo's. Terug in Zuid-Limburg mocht hij in datzelfde jaar toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans erg aanspraak, stuitte de rigide academische scholing - de ijzeren discipline en de technische aard (de geestdodende, eindeloze herhaaloefeningen) van de opleiding - de aspirant vrije kunstschilder zo zeer tegen de borst, waardoor hij het na een aantal verhitte discussies al na een paar weken voor gezien hield. Rond deze tijd vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstenaar in Valkenburg en hoewel hij zich eigenhandig plein air verder bekwaamde in de landschapskunst, ontplooide hij zich in het toeristische Geulstadje voornamelijk als portrettist - eerst als sneltekenaar op de terrassen, in de kroegen en op jaarlijkse markten en braderieën en daarna als portrettist van volwassen olieverfportretten - en vond hij de weg naar de decoratieve kunst - grote thematische wandschilderingen van het Heuvelland - in de plaatselijke établissementen. In een mum van tijd hingen er tientallen werken in de kroegen van Valkenburg en zou hij, soms vergezeld door assistent-schilders, opdrachten aannemen door heel Zuid-Limburg. Op advies ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij bekend beeldend kunstenaar Charles Eyck, echter het verblijf op het atelier bleek al even weinig succesvol als de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten - beginnende leerlingen mochten enkel basiswerkzaamheden verrichten, "... (constructie)lijntjes trekken..." en penselen schoonmaken - en hij, nadat hij bij afwezigheid van zijn leermeester de schilderijen naar eigen inzicht vervolmaakte, zonder pardon de laan werd uitgestuurd. In het voorjaar van 1969 trok hij ruim een half jaar naar de Spaanse Costa's, waar hij spoedig naam maakte als Pintor Holandes en hij naast zijn activiteiten als en plein air sneltekenaar-schilder vele decoratieve werken in de plaatselijke horeca-gelegenheden realiseerde. Aan het einde van de jaren 60 was de markante Hans Coumans uitgegroeid tot een populaire en plein air kunstschilder, zelfs een toeristische attractie à la Montmartre, in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg.
Ofschoon het gemakkelijke geld en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefende, hield dit de vrije (althans financieel onafhankelijke) schilder evenwel lange tijd gevangen, en weerhield het hem om zich te richten op datgene waar zijn hart lag, namelijk de vrije kunst. Het zelfpredikaat "... schilder van het volk", was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar van binnen ging hij kapot, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de schilder, die zich niet de wetten en regels liet voorschrijven, dit telkens puur als bemoeizucht. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende muze - zijn jongere schoonzus, die hij al 20 jaar niet had gezien - met wie hij na een hartstochtelijke liefdesrelatie in het huwelijk trad. De liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in de schildersloopbaan van Hans Coumans. Zijn muze gaf hem niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten, maar zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Wie wilde de schilder nou werkelijk zijn, de artistieke vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en betrekkelijke rust die zijn muze hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in hem, bewoog de schilder uiteindelijk om afscheid te nemen van de artistieke vrijbuiterij om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen, hoewel het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker toen inkomsten uitbleven, en zijn vrouw, met een eerste kind op komst, hem dreigde te verlaten, moest hij zijn productie zien te vergroten en nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment is de schilder structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden veelal richtte op stillevens en portretten. In 1975 organiseerde de schilder op uitnodiging van de eigenaar een derde expositie in hotel-restaurant Zonnig Zuiden in Valkenburg.
Na een moeizame artistieke periode en tezelfdertijd toenemende overlast van het massatoerisme verruilde Hans Coumans in 1976 toeristisch Valkenburg met het forenzendorp Nuth, waar hij als gevolg van een sociaal isolement en dit maal drugsoverlast in een mineurstemming geraakte, om zich tenslotte in 1981 te vestigen in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder uiteindelijk in een bloeiperiode terecht kwam. In deze omgeving vond hij de langgekoesterde rust, wat hem uiteindelijk de ruimte gaf voor zijn vrije kunst. Uiteindelijk genoot Hans Coumans vanaf het begin van de jaren 80 zowel artistieke als financiële voorspoed. In de provincie had hij inmiddels toenemende naamsbekendheid verkregen als respectabele kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen, die getrouw werk aankochten. Hij stelde zijn atelier open voor onderricht en vertoefde wekelijks met een wisselend internationaal gezelschap van studenten door Zuid-Limburg om en plein air te werken. Een periode was hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildervak bij te brengen. Als gevolg van zijn naamsbekendheid ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter de vraag als hofschilder wees hij af, aangezien de activist-schilder immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen de gevestigde macht. Na een productieve periode vonden in 1984 een tweetal succesvolle exposities in Kasteel 'Doonder' in Doenrade plaats en na een kort maar ernstig ziektebed gevolgd door een periode van herstel eind 1985 een laatste expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld, zijn vijfde en meest succesvolle expositie tot dan toe. Met een zesde expositie een jaar later in voorbereiding overleed de schilder plotsklaps eind 1986 op 43-jarige leeftijd als gevolg van een noodlottig auto-ongeluk.

Hans Coumans was een onvervalst impressionist en hij zou blijvend het impressionistische pallet hanteren, het zogenaamde 'Coumansisme' (het enige 'isme' waar deze schilder fervent aanhanger van was), welk hijzelf omschreef als een 'lichte' variant op het impressionisme vanwege de vlotte, spontane benadering. Zijn stijl kenmerkt zich in het bijzonder als 'levendig'. De (met name vrije) werken kennen een opvallende beweeglijkheid en veelal sprankelend koloriet. Opvallend aan het oeuvre van Hans Coumans, is dat het al even grillig is als de schilder zelf. Het weerbarstige, grillige temperament van de schilder vond direct zijn weerslag in de kunst van de impressie: emotioneel, intuïtief en impulsief. Zijn temperament was nogal van het moment afhankelijk, waardoor het oeuvre in een doorsnede vaak onsamenhangend verschijnt.
De losse, ogenschijnlijk nonchalante maar trefzekere schilderwijze laat een virtuoze schilder zien. Hij had een krachtige hand en speelde met de penseel. Behendig, ogenschijnlijk nonchalant, ontstonden zijn creaties in een handomdraai, waar bij collega's uitgebreide voorstudies aan te pas kwamen. In tegenstelling tot veel andere schilders, die met academische techniek behoedzaam aan de slag gingen, kenmerkte de schilderstijl van Hans Coumans zich hoofdzakelijk uit durf. Volgens Hans Coumans bestond schilderen namelijk voor het overgrote deel, voor 80%, uit durf en slechts het overige deel voor 10% uit (de beheersing van de) techniek en voor 10% uit de kwaliteit (c.q. eigenschap) van het materiaal. De grove streken, de lichte 'veerachtige' toetsen, soms de spitse achterkant van het penceel of de ruige vegen van het plamuurmes, zelfs het zakmes, deze handelingen vertonen bravoure. Dikwijls schilderde hij met meerdere (complementaire) kleuren aan 1 penseel om vlot en direct te kunnen mengen op het doek. Zo ging schilderen in een buitengewoon rap tempo. In vergelijking met bekende impressionistische werken, die feitelijk dikwijls zorgvuldig overwogen en na uitgebreide voorstudies werden geconstrueerd, is de kunst van Hans Coumans daadwerkelijk de impressie van het moment: de werken zijn in de buitenlucht in het moment vervaardigd, in een buitengewoon rap tempo, zonder voorstudies of technische hulpmiddelen zoals het perspectiefraam of de fotografie. Zijn studies beperkten zich tot de ontelbare, langdurige wandelingen door de natuur - hij kende de unieke plekken van het Heuvelland - en zodra het licht 'goed' was, liet hij alles prompt uit zijn handen vallen en spoedde hij zich naar zijn onderwerp.
Kenmerkend van dit 'Coumansisme' is dat de stijlontwikkeling, afgezien van enkele Barokke invloeden (vroege periode) en expressieve experimenten (latere periode), tamelijk behoudend verloopt - de schilder richtte zich hoofdzakelijk op het vakmanschap, waarin hij in de loop der jaren (door een toenemend zelfvertrouwen) in toenemende mate excelleert - terwijl de opeenvolgende individuele werken van sterk wisselende emotionele expressie kunnen getuigen, dikwijls een opvallend inconsistent kleurenpallet vertonen of (niet op de laatste plaats) van wisselende artistieke kwaliteit zijn. Dit is te wijten aan de grillige emotionele gemoedstoestand van de schilder, dat direct zijn weerslag vond in de impressie van het moment. De krachtige werken zijn de werken die het snelst zijn vervaardigd: hierin komt het meesterschap over het penseel het duidelijkst naar voren. Anderzijds waren er dagen zonder inspiratie - " een schilder heeft niet elke dag een zondagse dag..." of leed hij periodes aan neerslachtigheid of ervoer hij te veel druk (te weinig vrijheid) bij opdrachten, wat vanzelfsprekend invloed had op de artistieke prestatie. Desondanks zijn er gezien het omvangrijke oeuvre (uitgaande van alleen al het gedocumenteerde deel) dat deze schilder realiseerde, talloze werken die van uitzonderlijke artistieke kwaliteit zijn en getuigen van een erkentelijk schilder.

Ondanks de bekendheid als getalenteerd schilder verkreeg Hans Coumans gedurende zijn leven nooit erkenning vanuit de 'officiële' kunstwereld, die hij naar zijn mening verdiende. Niet alleen speelde het vroegtijdige overlijden op 43-jarige leeftijd een rol: hij had gewoonweg weinig tijd om zijn kunst te verspreiden. Daarnaast ging de schilder zich pas na zijn huwelijk volledig richten op het 'echte' schilderen, terwijl hij daarvoor lange tijd een (artistiek) vrijbuiterleven leidde en hij door het commerciële werk niet toekwam aan zijn vrije werk. Ook ontbrak het hem aan een academische scholing, en ofschoon een weloverwogen keuze waar hij trots op was, was dit in de vorige eeuw een vereiste om aan de intellectuele (academische) discussie deel te kunnen c.q. 'mogen' nemen. Überhaupt concentreerde de academische discussie zich destijds hoofdzakelijk in de grote Europese steden, de artistieke zwaartepunten zoals Amsterdam, Brussel en Parijs, en werd de kunst uit de provincie niet serieus genomen. Dat was zogezegd maar 'iets lokaals' en kon dus niet veel voorstellen. Slechts een enkele Limburgse schilder, waaronder Charles Eyck als ook Guillaume Stassen, Lei Molin, Pieter Defesche, Giel Serpenti die in de hoofdstad tezamen de groep de Amsterdamse Limburgsers vormden, wist zijn naam boven de rivieren te vestigen. Maar de belangrijkste reden dat de Limburger destijds geen erkenning verkreeg van de mainstream kunstwereld was, omdat de Limburger Hans Coumans simpelweg als één van de weinige schilders op dat moment non-conformistische buiten de mainstream kunst om werkte. En de periode vóórafgaand aan het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) werd de kunstfilosofie nog bepaald door een geloof in een éénduidige opvatting, welk leidend zo niet allesbepalend was voor de vraag wat kunst is en wat niet. Het mainstream paradigma betwijfelen, betekende automatisch exclusie.
De kunstwereld in de periode in de kunstgeschiedenis was op dat moment in de ban van de (non-figuratieve) abstracte en conceptuele kunst. Dit was het exclusieve paradigma dat door de kunstwereld op dat moment volledig werd omarmd en welke alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard. Mede hierdoor werd Hans Coumans genegeerd door de avant-gardeschilders en toonde de gevestigde vakliteratuur of de deskundigen, "wie dat ook mogen zijn in de kunst..." aldus de schilder, geen interesse in zijn (figuratieve) werk. En om in de kunstwereld en bij het grote publiek gezien en gehoord te worden was de gevestigde vakliteratuur een krachtig zo niet cruciaal medium. Zeker in de periode voorafgaand aan het informatietijdperk hadden de enkele kunstcritici grote autoriteit en de gevestigde kunstbladen een allesbepalende invloed in de kunstwereld.
In de Postmodernistische tijd na de Tweede Wereldoorlog kwam verzet tegen de traditionele opvattingen - er werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek - en werd kunst hergedefinieerd. De postmodernisten geloofden dat de vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij. Toonaangevende kunst was vernieuwend en onvoorspelbaar: het moest ontwrichten, in de war sturen en zo kritische vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Het kunstwerk was (nog slechts) een idee of een interventie. Het experimenteren en het creëren van abstracte verbeeldingen van de echte werkelijkheid stond voorop. De theorie werd belangrijker dan het beeld. Alles moest anders, opdat vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde het esthetische impressionistische Coumansisme tot een eerder hoofdstuk uit de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans, van de andere kant, had duidelijk andere opvattingen over kunst. En de 'officiële kunstwereld', daar had hij al helemaal geen goed woord voor over. Een ijdele, arrogante elitebende was het, die wel even voor de ander bepaalde wat kunst is; "Maar wie bepaald dat nou, wat kunst is...?". De schilder geloofde niet in de belofte dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden. Vernieuwing, innovatie of technologische ontwikkelingen hadden volgens hem enkel geleid tot meer sociale ongelijkheid, vervuilende industrie en massavernietigingswapens, stelde hij. In zijn ogen had de mens het contact met de echte wereld, met de natuur, verloren en zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme. Gedurende zijn gehele schilderscarrière lag zijn interesse in het ontwikkelen van het meesterschap, dus het pure (ongekunstelde) schilderen. De recente kunststromingen aanschouwde hij dan ook als een teloorgang van het ware meesterschap. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch. Bovendien was dit uiteindelijk ook esthetica in de klassieke zin van het woord. Het was choqueren om het choqueren, pure (persoonlijke) aandachttrekkerij, meer niet: "...Kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, Hans Coumans verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen - dan zat je altijd veilig - van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling, een financiële compensatieregeling voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. Uiteindelijk ontbrak het de kunstwereld aan zelfkritiek, stelde de schilder, puur uit angst de maandelijkse toelage mis te lopen, waardoor het artistieke circus zichzelf in stand hield en er feitelijk geen of slechts sporadisch sprake was van vernieuwing. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg, stelde hij dat veel beginnende kunstenaars veelal zitten te kliederen in hun atelier: "... veel (beginnende) kunstenaars verstikken in hun eigen theorieën en produceren uiteindelijk helemaal niets...". Hans Coumans was er van overtuigd dat een kunstenaar volledig vrij en onafhankelijk diende te zijn en dat deze de (maatschappelijke) rol toebedeeld had gekregen om vanuit die positie de wereld te beschouwen en (onafhankelijk) kritiek te leveren. Vanuit die perceptie was het voor hem dan ook volkomen onbegrijpenlijk dat vele kunstenaars zich zo lieten beïnvloeden en zodoende niet vrij waren om het werk te maaken wat zij zelf wilde maar wat werd opgelegd door het gemeenschappelijke gedachtegoed. En dat, terwijl de wereld vele malen rijker en diverser (mooier) zou zijn als iedereen zijn of haar leven en talent ten volle zou benutten. Nota bene waren het de wat vreemde einzelgängers in de geschiedenis, die de wereld opschudden en werkelijk verandering in het denken van mensen te weeg brachten.
Het emotionele solistische verweer tegen de hegemonie, eigenlijk tegen de arrogantie in de kunsten, en zijn pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten - het 'Coumansisme' was niets anders als een 'anti-isme' - vond op dat moment geen weerklank. Toch gingen vanaf de jaren '80 ook andere kunstschilders in Europa en de Verenigde Staten weer figuratief schilderen en kwam de figuratieve kunst weer in de gratie. Uiteindelijk zou de conceptuele kunst zich onder invloed van het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) van een uniforme stroming verder ontwikkelen tot een brede en pluriforme stroming aan het begin van de 21e eeuw, waarbinnen de eerdere kunststromingen vanuit het experiment of het onderzoek in een of andere vorm gaandeweg een plek vonden of via kruisbestuiving zelfs leidden tot geheel nieuwe (digitale) kunstvormen. De conceptuele kunst in het digitale tijdperk genereerde uiteindelijk de volledige vrijheid in de kunsten, zoals Hans Coumans eerder had bepleit. 'Alles is kunst' was nu de gedeelte opvatting, wat gevolglijk betekende dat kunstkritiek enkel kon plaatsvinden op individueel niveau en niet (meer) afhankelijk was van generieke maatstaven. Op dat moment zouden de figuratieve kunststromingen weer volledig worden geherwaardeerd in de officiële kunstwereld en kwam er ook weer aandacht voor contemporaine impressionistische schilders.

Met verschijnen van het oeuvreboek van 'Hans Coumans, de man van de heuvels', wil de stichting de Zuid-Limburgse schilder onder de aandacht brengen en zijn uitbundige oeuvre bij een groter publiek bekend maken. De veelbesproken schilder beoefende een bruisende Bourgondische levenskunst en een al even bruisende kunst van het schilderen. De schilder leefde een über-hartstochtelijk leven en hij hield evenzo hartstochtelijk van alles wat het leven hem aanreikte. Door de liefde voor het leven en gevolglijk de fascinatie voor de natuur, nemen de natuurmotieven een centrale positie in in zijn werk en mag men dit beschouwen als zijn persoonlijk oeuvre. Al vroeg wist hij zich als (artistieke) vrijbuiter vrij te vechten en via allerlei omzwervingen een status te verwerven als vrije (bewust selfmade) kunstschilder, die met trots leefde van zijn werk. De keerzijde van deze 'vrije' schilderscarrière was, dat schilderen voor zijn brood maar ook zijn cynisme (over het onrecht en de oneerlijkheid in de wereld) de vrije kunst lange tijd in de weg zat. Het gevolg hiervan is, dat een deel van zijn omvangrijk oeuvre in artistieke zin wellicht minder interessant is. Er zijn veel schilderijen van een twijfelachtige artistieke kwaliteit, omdat de schilder concessies moest doen, druk ervoer van de opdrachtgevers, of omdat hij een periode leed aan depressie of gewoonweg geen 'zondagse dag' had. Hij was zich bewust dat hij geregeld de nodige kitsch moest maken. Toch laat zijn persoonlijke oeuvre oftewel het vrije (persoonlijke) werk waarmee de schilder zich wilde profileren, dus de natuurmotieven van het typische Zuid-Limburgse landschap, een werkelijke bezieling en een virtuoze kunstschilder zien, die het penseel meester is. Deze natuurmotieven excelleren in een onderscheidende elegantie en getuigen van een hartstochtelijke liefde voor de natuur en het leven. De over het algemeen uitbundige, eigenlijk 'levendige' taferelen van het Heuvelland zijn als een daad van verwondering, waarmee hij op een eigenzinnige (persoonlijke) wijze een glimp van de ziel tracht te onthullen en hij ons, wij als toeschouwer, op een boeiende manier de intrinsieke schoonheid van het Zuid-Limburgse landschap en daarmee uiteindelijk de bijzonderheid van het leven zelf wil tonen.
Het artistieke oeuvre van kunstschilder Hans Coumans kent vanwege de natuurmotieven, stadsgezichten, stillevens, (snel)portretten en daarnaast de decoratieve en maatschappijkritische werken een breed karakter, waarmee hij de tijdgeest vanaf de jaren 60 tot en met halverwege de jaren 80 op een interessante wijze vastlegt. In een periode in de kunstgeschiedenis waarin alles collectief anders moest en uiteindelijk velen 'hetzelfde' deden, laat (het leven en) de kunst van Hans Coumans een onderscheidende kijk op de wereld zien - de natuur, de medemens, de samenleving - die aanzet tot 'kijken' en tot bewustwording. Deze combinatie maakt Hans Coumans uniek en zodoende relevant voor de Limburgse kunst van de tweede helft van de 20e eeuw.
Het oeuvreboek is door de vele paginavullende foto's van de schilderijen, aangevuld met fotomateriaal en anekdotes een bijzonder kleurrijk geheel, welk een waardevolle aanvulling vormt op de literatuur over de Limburgse kunst van de 20e eeuw. De prijs van een 256 pagina's tellend offset gedrukt exemplaar bedraagt €39,-.

 

Participanten

Onderzoek oeuvre: Serge, Jarosj, Carmen en Christine Coumans
Samenstelling, auteur en vormgeving boek: Serge Coumans, Eindhoven
Mede-auteur: Emile Ceelen, Valkenburg
Beschouwing oeuvre: Peter en Martine Driessen, Maastricht
Documentatie oeuvre: Museum Land van Valkenburg
Fotografie werken: Robin Heemstra, Eindhoven
Eindredactie: Daniëlle Puts, Eindhoven

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen rondom het boek-project, raadpleeg de website dan regelmatig. Indien u alvast (vrijblijvend en kostenloos) een exemplaar wilt reserveren, dan kunt u een bericht sturen naar het email-adres op de contactpagina. U wordt dan opgenomen in de mailinglijst van Stichting Hans Coumans en ontvangt ruim voorafgaand aan de boekpresentatie automatisch een invitatie.

Overigens is de stichting nog steeds op zoek naar werk, wetenswaardigheden en/of anekdotes die mogelijk interessant kunnen zijn voor het boek. Mocht u in bezit zijn van werk of informatie voor ons hebben, neem dan contact met ons op via de gegevens op de contactpagina.