HANS COUMANS
man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Oeuvreboek

De markante, vrijgevochten Zuid-Limburgse kunstschilder Hans Coumans (1943-1986) trok zijn eigen plan. Hij zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Ondanks kritiek van tijdgenoten, die in de jaren 60 op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar Amsterdam en andere grote Europese steden - daar waar de officiële kunstwereld zich afspeelde - trokken en zich aansloten bij de mainstream abstracte/conceptuele kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans te zeer gehecht aan de unieke schoonheid van het Bourgondische leven en het landschap in de Zuid-Nederlandse provincie en schilderde hij non-conformistisch buiten de mainstream om in een licht-impressionieke stijl. Door de hartstochtelijke liefde voor het leven en de grote fascinatie voor de natuur zouden de natuurmotieven van het Heuvelland zijn hele leven een centrale positie innemen in zijn oeuvre, waardoor deze kenmerkend zijn voor zijn oeuvre. De natuurmotieven zijn dan ook te beschouwen als zijn persoonlijke oeuvre. Ofschoon Hans Coumans als kindschilder reeds bedreven was in het schilderen van natuurlandschappen, zou hij lange tijd een (artistiek) vrijbuitersleven leiden, vooraleer hij zich volledig zou toeleggen op de vrije schilderkunst en hij uiteindelijk begin jaren 80 faam maakte als 'man van de heuvels''.

"Kunstenaar bij de gratie Gods en tevens op eigen initiatief" Hans Coumans beoefende zowel een legendarisch bruisende kunst van het leven als van het schilderen, welke getuigt van een hartstochtelijke liefde voor het leven - de natuur, de medemens, de samenleving. Bronnen omschreven hem als een aimabele en flamboyante bohémien, een (artistieke) vrijbuiter en schilder-activist (moralist). Daarnaast was hij een bon-vivant, romanticus, natuurmens en theaterman. Hans Coumans was een vrijzinnige geest met uitgesproken links-dwars engagement, die zich onder geen enkel beding de wetten en regels niet liet voorschrijven en met elan en humor maatschappelijke kritiek leverde en geregeld publiekelijk in opstand kwam tegen onrecht. Wars van alle conventies wist hij zich al vroeg als (artistieke) vrijbuiter "... enkel met het penseel..." vrijgevochten van de gevestigde maatschappelijke orde en eigenhandig een status te verwerven als vrije en bewust autodidact kunstschilder, die leefde van zijn werk - kunstsubsidies weigerde hij pertinent uit eergevoel. Door zijn opvallend schildertalent en zijn buitengewoon charisma werd hij omarmd door de mensen en groeide hij uit tot een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond. Tradities en modegrillen in de kunsten ten spijt, schilderde hij zijn leven lang non-conformistisch buiten de mainstream om in een licht-impressionieke schilderstijl, het zogeheten Coumansisme (het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was), waarin hij de vele typische aangezichten van het Limburgse landschap - zijn persoonlijk oeuvre - portretteerde. Ondanks dat Hans Coumans slechts een leeftijd van 43 jaar bereikte, was hij een productieve schilder en realiseerde hij uiteindelijk een artistieke nalatenschap van een paar duizend werken, en hoewel na onderzoek circa 1700 werken zijn gedocumenteerd is de aanname van een aantal van 3500 realistischer, aangezien veel werk waarvan bekend is dat het heeft bestaan waaronder volwassen schilderijen, decoratieve werken en met name (houtskool) sneltekeningen - het sneltekenen op de talrijke Zuid-Limburgse braderieën was volgens de schilder zelf hoofdbron van inkomsten en maakte een substantieel deel uit van zijn oeuvre - verloren is gegaan of na onderzoek niet is aangetroffen.

Hans Coumans hield hartstochtelijk van het leven, dat hij dagelijks de grond kon kussen, werd wel eens gezegd. En de werkelijkheid was beslist niet minder theatraal. Met 'Sturm und Drang' leefde deze über-gevoelsmens het leven. Met bravoure zette hij het leven naar zijn hand. Door zijn opvallend emotionele (sensitieve) en grillige - 'himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt' - persoonlijkheid stond Hans Coumans bekend als een impulsieve, egocentrische als theatrale man, die een bijzonder über-emotionele verbondenheid met het leven kende. Hij was diep onder de indruk van de Schepper - volgens eigen zegge zijn grote Vriend - en hij had onnoemelijk respect voor de mystiek van de Schepping, zoals alles ontstaat en was ontstaan. 'Heiligheid is gelegen in het leven (levensenergie)', zoals zijn indringend persoonlijk canon luidde, lag ten grondslag aan een zeer uitgesproken ethos en dito schilderkunst. Het leven was een groot Goed, welk gekoesterd en koste wat kost beschermt diende te worden volgens de schilder. De intens emotionele wijze waarop hij het leven omarmde, uitte zich in een hartstochtelijke liefde voor de natuur en de medemens (de samenleving, de wereld), welk zijn weerslag vond in zijn leven en zijn kunst.
Deze levensfilosofie was zowel indringend als van een elegante puurheid, hoewel dit tezelfdertijd beslist een persoonlijk dogma moet zijn geweest en de basis voor een sterk denken in termen van goed-fout met weinig ruimte voor nuance. Dat Hans Coumans heiligheid aan enkel en alleen het leven zelf (de Schepping) toekende, hield in dat hij geen waarde toekende aan alle andere vormen van gedachtegoed en zodoende kritiek uitte op welke 'isme', dus welke religie, (geloofs)overtuiging, traditie, conventie, modegril, trend, mainstream opvatting (over kunst) dan ook, dat pretendeerde de exclusieve waarheid te vertegenwoordigen en als zodanig een ernstige aantasting vormde van de werkelijke vrije waarde. Sterker nog, de schilder opende de aanval op de gangbare zogenaamde Heilige Huisjes, omdat (in tegenstelling tot het tastbare gecreëerde leven) deze slechts door de mens zelf gefabriceerde en onder groepsdruk opgelegde (morele) denkrichtingen waren van dikwijls discutabele aard. Niet alleen was er dikwijls sprake van een drogreden of ontbrak het aan een fundamentele grondslag, daarnaast lag misbruik (veelal door de elite) op de loer en genereerden conventies per definitie uitsluiting jegens andersdenkenden. Hij verzette zich dan ook fel tegen de entiteiten in de samenleving, die de vrije denkruimte van het individu ondermijnden, wat in zijn ogen moreel verwerpelijk was. In feite was elk gedachtegoed, hoe fundamenteel ook of hoe breed gedragen ook, slechts een mening, die zoals elke mening ter discussie gesteld kon worden. Hoewel de schilder zich onder geen enkel beding wenste te scharen onder welk 'isme' - het Coumansisme betrof in feite het 'anti-isme' als weerwoord op de hegemonie van de (intolerante) mainstream kunst van dat moment - dan ook, vertoonde zijn gedachtegoed enige analogie met het préchristelijke Heidendom (de verbondenheid met de numineuze natuur) alsook met het Humanisme (menselijkheid, menswaardigheid, zelfbeschikking), met de opvattingen van humanist Desiderius Erasmus (vrijheid, autonomie individu) en de vrijdenker Baruch Spinoza (het Godsbeeld en de natuur) alswel met de 19e eeuwse Franse vrijheidsidealen, waarin begrippen als vrijheid, gelijkheid en broederschap centraal stonden. Vrijheid, gelijkheid en broederschap waren uiteindelijk de kernwaarden, die er werkelijk toe deden om een samenlevende samenleving mogelijk te maken en essentieel waren voor een evenwichtige wereld, volgens de schilder, terwijl al het 'andere' overbodig was en slechts een last betekende voor de mens. De schilder stond een zinvol en bescheiden bestaan voor in een harmonieuze samenhang met de natuur en de medemens (samenleving). Hij wilde een leven in totale vrijheid, hij wilde het leven vieren en in alle vrijheid schilderen. Hans Coumans was dan ook intens gelukkig op die momenten, zodra hij ergens in de vrije natuur kon schilderen, terwijl de zon scheen, de vogels floten en hij van zijn welverdiende halve liter kon genieten.
Omdat Hans Coumans geloofde in de totale vrije wil, de absolute autonomie van het individu, en hij zodoende elke vorm van 'isme' resoluut afwees, werd radicale bevrijding van 'het systeem' een leidmotief. Zodoende was de schilder voorvechter van fundamentele vrijheidsrechten (zelfbeschikking), gelijkheid en (sociale) rechtvaardigheid. In zijn strijd kwam de schilder voortdurend in aanvaring met de klassieke gevestigde macht dus het kerkelijke instituut, het politieke en maatschappelijke establishment en de 'officiële' kunstwereld. Ook had hij niks met tradities, modegrillen en de heersende norm (middelmaat, kuddegedrag) verfoeide hij zeer. Fenomenen als geld, bezit en status hadden voor hem geen enkele waarde, omdat voor hem iedereen gelijk was - enkel de persoon telde, zeker niet wat deze aan of om had. Materialisme, consumptiemaatschappij, industrialisatie en technologische ontwikke-lingen waren louter schijngeloofsartikelen, die in de ogen van de schilder enkel negatieve invloed hadden op de mens en leidden tot vernietiging van de natuur (de aarde). Het kapitalistische wereldbeeld, dat alles beschouwt in termen van geld, was totaal onverenigbaar met zijn opvatting, dat de wereld van iedereen was. Hij stelde, dat de mens was gekaapt door het geld en afhankelijk gemaakt, terwijl de werkelijke waarde van het leven niet gekend werd. Voor de werkelijke waarde hoefde men slechts om zich heen te kijken, naar wat er 'is' oftewel naar het leven zelf (de natuur). De mens was vergeten zelf onderdeel te zijn van de natuur en vooral vergeten dat er een belangrijke taak op hem rustte om de natuur (het leven) te beschermen. Voor veel mensen was het leven een vanzelfsprekendheid, maar zij zagen niet of waren zich niet bewust van de bijzonderheid daarvan, aldus de schilder. Een keer wees hij een dorpsgenoot op een krop sla en zei: "Je eet je hele leven sla, maar begin zo'n krop maar eens te tekenen, je ontdekt dan hoe dwaas het is dat je je hele leven met sla hebt geleefd en nooit (werkelijk) sla hebt gezien... dat je niet eens weet waarin een slablad verschilt van een blad van savooi kool...". En in het verlengde daarvan: "Zo is het hetzelfde met het tekenen van de mens. Je kent hem pas goed als je hem hebt getekend, misschien is het daarom dat ik in zovelen ben teleurgesteld.".
De schilder vond dat het in een democratie behalve ieders burgerplicht de taak van de vrije en (financieel) onafhankelijke kunstenaar om kritische vragen te stellen en in verzet te komen tegen onrecht. Het ontbrak maar al te vaak aan het publieke debat, aldus de schilder. De mensen mistten dikwijls een kritisch bewustzijn of waren te gezagsgetrouw en te goedgelovig, ze lieten zich misleiden, indoctrineren of durfden geen weerwoord te bieden uit angst hun maatschappelijke positie te verliezen. Daar waar de meerderheid zweeg, stond Hans Coumans op en sprak hij uit wat anderen dachten, wat steevast leidde tot opmerkelijke situaties. Plaatselijke kranten berichtten herhaaldelijk over ludieke, provo-achtige protestacties 'op de barricade' of over hilarische kritische werken (die standaard provocerend aan de voorgevel van zijn huis hingen), waarmee de schilder-activist zijn ongenoegen uitte over allerlei actuele maatschappelijke kwesties, zaken aan de orde stelde die het daglicht niet konden verdragen of gericht uithaalde naar bepaalde lieden van de kerk ("... die de Bijbel op de kop gelezen hebben...") of de politiek, die hij aansprak op hun geweten. Hoewel dit maatschappelijk activisme weerklank wekte onder de stadsgenoten, leidde de vrijheid van meningsuiting herhaaldelijk ook tot ophef en dikwijls hevig verhitte debatten, wat hem beslist niet bij iedereen geliefd maakte, getuige de diverse annuleringen van opdrachten en zelfs bedreigingen aan zijn huisadres.

In elk motief of thema dat Hans Coumans hanteerde, manifesteert zich een obsessie voor het subject: hij wilde de ziel, het wezen ervan doorgronden, blootleggen maar tezelfdertijd anderen hiervan deelgenoot maken en bewust maken. "Velen hebben de ogen open, maar ze zien niets!" poneerde de schilder voortdurend, doelend op de pracht en de bijzonderheid waarmee de mens omringt was. Dat hij het bijzondere talent had om diep door te dringen tot het wezen van de persoon of de geest van de plek (genius loci), is aanschouwbaar in de vele portretten van mensen en de talrijke natuurlandschappen (en dorpsgezichten) van het Zuid-Limburgse Heuvelland, welke getuigen van een groot ontzag voor het leven en verwondering over de onderscheidende pracht van de natuur in de zuidelijke provincie. Dit was "... onovertroffen in Nederland", stelde de schilder overtuigd vast. De natuurmens was lyrisch over de motieven, de transformatieprocessen, de vergankelijkheid en het ontstaan van nieuw leven (de bloesem), de bonte kleurschakering en de magische werking van het licht, vooral gedurende de herfstmaanden met zijn roestige (roodbruin) tinten, dat hij urenlang gefascineerd kon uitwijden over de bijzonderheid van de Schepping, waarmee Onze Lieve Heer, zijn grote Vriend, de mens had omringd.
De hartstochtelijke liefde voor het leven uitte zich in een onbedwingbare artistieke bezieling. De overweldigende indrukken en de verwondering voor de pracht van de natuur wakkerden de schilderkoorts aan. De schilder werd idolaat van de wonderbaarlijke fenomenen die in de natuur plaatsvonden - "Ik word gek van de kleuren!" - dat hij niet anders kon dan 'die besonders schöne Motieve mit pinsel und farbe festzuhalten', zoals een Duits artikel van een plaatselijke krant uit Gangelt eens uitdrukte. Het zijn met name deze natuurmotieven van het typische Heuvellandschap - zijn persoonlijke oeuvre - waarmee Hans Coumans in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw in de provincie Limburg naam maakte als getalenteerd schilder. Deze natuurmotieven zijn dan ook als een daad van verwondering over de pracht van de natuur, die hij aantrof. Behalve in de natuurmotieven komt de emotionele verbondenheid en betrokkenheid ook tot uiting in de tientallen kritische werken - hiervan zijn slechts enkele stukken behouden gebleven, omdat deze slechts een tijdelijk doel dienden en keer op keer werden overgeschilderd - waarmee de schilder met veel humor actuele politieke kwesties aan de kaak stelde, zaken aan het licht bracht die het daglicht in zijn ogen niet konden verdragen of publiekelijk de spot dreef met bekende politieke of kerkelijke figuren, die iets op hun kerfstok hadden. De continue drang om zijn vrije mening te uiten was dermate, dat zelfs niet-kritische werken geregeld nog wel eens de nodige komische politieke boodschappen omvatten, zoals een overvliegend AWACS-vliegtuig of onopvallende opvallende politieke graffiti's met leuzen als 'K.V.P. Roomse huichelaars'.

Alvorens Hans Coumans zich volledig zou toeleggen op de vrije kunst, ging deze schilder lange tijd door het leven als (artistieke) vrijbuiter en stond de vrije levenskunst op de voorgrond. In zijn schilderscarrière zou het vrije werk dan ook lange tijd overschaduwd zijn door het commerciële werk.
Op vierjarige leeftijd vertoonde Hans Coumans tot verrassing van zijn ouders een opmerkelijke aanleg voor tekenen, waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar diverse tekenwedstrijden won van onder meer de Staatsmijnen en later van de verffabrikant Talens, maar net zo vaak werd gediskwalificeerd, omdat de jury de inzendingen niet van een kind achtte - dit tot grote woede van datzelfde kind. Rond zijn 8e levensjaar leek het dan definitief beklonken zodra hij in vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigde, terwijl zijn ouders, die niets met kunst hadden, geen idee hadden wat ze ermee moesten aanvangen en dorpelingen hun schouders geamuseerd ophaalden. Hij zou gaan studeren aan de kunstacademie en het tot die tijd rustig aan kunnen doen, was zijn voornemen. Op school voorzag de jonge creatieveling dikwijls het hele schoolbord van striptekeningen voorafgaand aan de les en nam hij steevast het voortouw zodra het vak Handvaardigheid aan bod kwam. Het hoofd van de basisschool, zelf gepassioneerd amateurschilder, zag eveneens al vroeg het talent en moedigde de ouders aan om dit verder te ontwikkelen, maar ondanks zijn (uiteindelijk tevergeefse) persoonlijke inspanning om Hans Coumans direct na de basisschool op de kunstacademie toegelaten te krijgen, had hij allesbehalve een hoge pet op van de jonge kindschilder, daar deze weinig ontvankelijk was voor de goedbedoelde adviezen en er zelfs lijnrecht tegenin ging. Zodra de ambitie zich in de buurgemeenschap verspreidde, stelden de overburen hun schuur ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiele' atelier realiseerde en vanaf dat moment volop experimenteerde met aquarelverf, olieverfschilderijen en mergelsculpturen. Niemand had in die tijd kunnen vermoeden, dat zijn jongere schoonzus, een telg uit een gegoede hotelfamilie uit Valkenburg aan de Geul die gedurende de drukke vakantieperiodes geregeld bij de familie Coumans verbleef, met de bezwerende woorden, dat zij ooit in het huwelijksbootje zouden stappen, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zou zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.
De rusteloze vrije geest, die zich kort na zijn artistieke aanleg openbaarde ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een onzeker, ongebonden kunstenaarsbestaan. Het onbegrip en de bezorgdheid van zijn ouders voor het kunstenaarsschap - kunst bracht geen brood op de plank, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - en onenigheid over een in die tijd gangbare financiële bijdrage van de kinderen aan het huishouden leidde spoedig tot verzet en toenemende explosieve conflicten binnen de familie. In zijn vroege tienerjaren, na het behalen van zijn diploma in 1960 tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen waar hij (op dat moment nog te jong voor de kunstacademie) "... vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan had...", zou hij zich afzetten tegen het ouderlijke gezag en het (in zijn ogen) al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om gevolglijk 'de wijdte' te verkiezen en solistisch overigens met zelden meer dan 2,5 Gulden op zak de wereld in te trekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. Gedurende diverse langdurige clandestiene solistische zwerftochten tussen zijn 15e en 19e levensjaar door diverse landen in het op dat moment nog gesloten Europa - Duitsland (Laurensberg, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs), Spanje - leerde de vagebond de kunst van het (over)leven via allerlei baantjes (o.a. decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser, kermishulp) en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren (sneltekenen) van mensen in de plaatselijke kroegen. Gedurende deze langdurige reizen hadden zijn ouders tot groot verdriet dikwijls geen idee waar hun zoon zich ophield. Meermaals werden zoekacties georganiseerd of zelfs na een tip Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na afwezigheid van ruim een half jaar in het Schwarzwald opspoorde en hem huiswaards stuurde. Tussendoor, in 1961, vergezelde de jonge Hans Coumans het beroemde internationale circusgenootschap Tony Boltini als olifantendompteur en rekwisiteur - het circus was een afnemer van Klants Zoo Valkenburg, die dompteurs en dieren verhuurde - een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland, totdat ook de circuspiste hem te zeer benauwde - het circusleven was zwaar - en hij wederom zijn vrijheid opzocht. Op de momenten dat hij wederom bij zijn ouders verbleef, trok hij met zijn attributen door de omgeving en werkte hij veelal aan natuurmotieven. Door zijn plaatselijke bekendheid als schilder werd hij ook gevraagd voor portretten en decoratieve wandschilderingen (van eveneens natuurmotieven) bij particulieren en enkele établissementen in het dorp. In deze tijd kwam zijn kritische betrokkenheid naar voren en maakte hij diverse religiekritische en maatschappijkritische werken, die veelal in rook opgingen uit pure woede en zijn frustratie over het onrecht in de wereld.
De militaire dienstplicht - hij werd gestationeerd in Amersfoort - maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworvenheden, maar al gauw bleek de jonge schilder, die geen enkele autoriteit erkende en als pacifist pertinent weigerde een wapen ter hand te nemen om te schieten, enkel geschikt om de officieren alsook hun kinderen te portretteren, totdat de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening plotsklaps een ongeluk kreeg en hij van defensie vroegtijdig 'glansrijk' mocht afzwaaien.
Eenmaal terug in het Geuldal trok hij weer in bij zijn ouders, die inmiddels overtuigd van het talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken lieten verbouwen tot atelierruimte. Toch zouden na aanvankelijke rust de emoties spoedig weer hoog oplopen totdat de situatie wederom onhoudbaar werd en zij hun zoon de deur wezen. Vanaf dat moment verkaste de jonge vagebond, de pauperschilder enkel met 3 penselen op zak, van het ene naar het andere adres, soms leegstaande kamers in hotels, soms op een zolder boven een kroeg of bij een boer in het Geuldal en een tijd lang in Heerlen, en verrekende hij bij gebrek aan geld kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Anderzijds had hij naast een slaapplaats niet zo veel nodig, aangezien hij een charismatische jonge plein air schilder was, die overal werd uitgenodigd in de plaatselijke kroegen en restaurants om mee te eten. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, struinde hij de vele Zuid-Limburgse kroegen en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld wellicht geïnteresseerd waren in een tafereel van het typische Heuvelland. In pension 't Hoonderhöfke in Schoonbron, waar Hans Coumans gedurende de winterperiode van 1964 en 1965 af en aan verbleef, en later in het restaurant van Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, waar hij in de omgeving veelvuldig aan het werk was, mocht hij zijn eerste serieuze exposities organiseren.
In 1965 verruilde de jonge aspirant-schilder het Geuldal met de Maasoever en mocht hij, inmiddels oud genoeg, toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans erg aanspraak, stuitte de harde hand van de academische scholing - de heersende ijzeren discipline op de academie en de technische aard conflicteerde diametraal met zijn emotionele, intuïtieve wijze van werken - de aspirant vrije kunstschilder zo zeer tegen de borst, waardoor hij het na een aantal verhitte discussies al na een paar weken voor gezien hield. De academische werken waren wellicht vanuit technisch oogpunt perfect, concludeerde hij, maar de werken leefden niet. En dat was nou juist de essentie: "een schilderij moet leven!!", was hij stellig. Te eigenzinnig voor de academie richtte de jonge schilder zich zoals voorheen eigenhandig op de vrije schilderkunst en de al even vrije kunst van het leven. Enige tijd stortte hij zich in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Om de algemene opvatting, dat kunstenaars 'parasieten van de samenleving' waren, te weerleggen, ondernam de jonge schilder samen met een academie-kameraad gedurende wintermaanden van 1965-1966 een 3 maanden durende voetreis door de Eifel, waarbij het tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek goed geld verdiende in de plaatselijke kroegen - dit werd overigens net weer zo goed ter plekke gespendeerd. In het voorjaar van 1966 trok Hans Coumans enige maanden naar Haarlem en Amsterdam om zich te voegen bij enkele Limburgse schilders en studenten van de Rietveld Academie en kort daarna om zich aan te sluiten bij het geweldloze, ludieke studentenprotest van de recentelijk opgerichte anarchistische Provo-beweging gericht tegen de gevestigde autoriteit - andere thema's waren ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - maar de (tot zijn verbijstering) gewelddadigheden in de hoofdstad deden hem al weer spoedig terugkeren naar het gemoedelijkere zuiden. Terug in Zuid-Limburg vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder in Valkenburg, waar hij zich intensief bezighield met behalve een bruisende schilderkunst met een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Ofschoon hij zich na de academie eigenhandig plein air verder bekwaamde in de landschapskunst, ontplooide hij zich hier in het toeristische Geulstadje aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als sneltekenaar van houtkool portretten (in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën) en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e veel waardering voor kreeg - en vond hij de weg naar de decoratieve kunst in de plaatselijke établissementen en openbare gelegenheden. Hij ontdekte een nichemarkt voor grote thematische wandschilderingen veelal van het landschap van het Heuvelland, wat zijn specialisme werd. Binnen afzienbare tijd was hij een plaatselijke bekendheid, verkreeg hij opdracht naar opdracht en hingen er gaandeweg tientallen decoratieve werken in de kroegen van Valkenburg en omstreken en zou hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders, opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Roermond tot Vaals. Op advies van de plaatselijke verfhandelaar, die zag dat Hans Coumans zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij de in Valkenburg woonachtig landelijk bekende beeldend kunstenaar Charles Eyck. Hoewel de verfhandelaar Hans Coumans diverse malen met klem aanspoorde om deze keer vol te houden, bleek het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als op de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten - beginnende leerlingen mochten enkel basiswerkzaamheden verrichten, "... wat lijntjes trekken..." en penselen schoonmaken - en hij, nadat hij bij afwezigheid van zijn leermeester de schilderijen naar eigen inzicht vervolmaakte, zonder pardon de laan werd uitgestuurd. Achteraf gaf Hans Coumans ruiterlijk toe het nodige te hebben opgestoken op het gebied van kleurgebruik en verftechnieken, hoewel hij kritiek had op de tekenachtige manier van schilderen, terwijl Charles Eyck de werken van zijn leerling veelal te druk en te rommelig vond. Ondanks de verschillende opvattingen over kunst onderhielden Hans Coumans en Charles Eyck blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten alsook in de plaatselijke kroegen. Een paar jaar later, in het voorjaar van 1969, vergezelde Hans Coumans enkele stadsgenoten naar de Spaanse Costa's - dit was voor de schilder een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg - waar hij spoedig naam maakte als Pintor Holandes en hij naast zijn activiteiten als en plein air sneltekenaar-schilder diverse reclame- en decoratieve werken in de horecagelegenheden realiseerde, maar na ruim een half jaar, na een niet uitbetaalde opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, berooid deels te voet deels liftend terugkeerde naar het Heuvelland. Aan het einde van de jaren 60 was de markante theaterman Hans Coumans door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn charismatische persoonlijkheid uitgegroeid tot een populair cultfiguur, een volkse schilder en zelfs een toeristische attractie à la Montmartre, in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg. In die tijd kon men dikwijls een verlate schildersuitrusting compleet met schilderij en de vermelding "de schilder is effe weg!" ergens in Valkenburg of omgeving langs de oevers van de Geul aantreffen, die daar soms dagenlang onbewaakt stond, terwijl de schilder op zoek naar inspiratie - volgens de schilder kwam inspiratie namelijk niet alleen van de Herrgot maar tevens uit de brouwerijen - het aanlokkelijke bruisende sociale leven in de plaatselijke kroegen opzocht.
Ofschoon het gemakkelijke geld (van die commerciële projecten) en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefende, hield dit de vrije schilder evenwel lange tijd gevangen en weerhield het hem om zich daadwerkelijk te richten op datgene waar zijn hart lag, namelijk de vrije kunst. In tegenstelling tot zijn reputatie was deze vrije schilder allesbehalve volledig vrij, besefte hij maar al te goed. Het zelfpredikaat 'schilder van het volk' was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, puur uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapot ging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de schilder, die zich zeker niet de wetten en regels liet voorschrijven, dit telkens als bemoeizucht. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende muze - zijn jongere schoonzus, die hij al 20 jaar niet had gezien, was naar hem gestuurd voor de opdracht voor een portret - met wie hij na een hartstochtelijke liefdesrelatie een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk trad en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrok. De liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in de schildersloopbaan van Hans Coumans. Zijn muze gaf hem niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Wie wilde de schilder nou werkelijk zijn, de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en betrekkelijke rust die zijn muze hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn kunnen, bewoog de schilder uiteindelijk om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker toen de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitbleven en zij hem dreigde te verlaten, moest hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en zijn productie zien te vergroten, op een of andere manier nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment is de schilder dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden veelal richtte op stillevens stillevens en de (olieverf) portretkunst. Daarnaast gaf hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, fancy-fairs, allerlei thematische markten en (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel zou uitmaken van zijn kunstenaarsschap en inkomstenbron.
Na een moeizame financiële en emotionele periode die volgde, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten bracht en de schilder nog steeds concessies moest doen, trok Hans Coumans met zijn gezin in de zomer van 1974 een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, weg uit Valkenburg, in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseerde de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden, die de schilder wilde helpen om publiciteit te genereren, een derde expositie.
Als gevolg van de onvrede over de grootschalige vernieuwingsdrang van Valkenburg in de jaren 70 waardoor de unieke identiteit van het mergelstadje volgens de schilder dreigde verloren te gaan alsook vanwege de gaandeweg toenemende overlast die de schilder en zijn gezin ondervond van het massatoerisme dat recentelijk zijn intrede had gedaan, verruilde het prille kunstenaarsgezin in 1976 toeristisch Valkenburg met het forenzendorp Nuth, waar het gezin tijdelijk antikraak intrek nam in een bijgebouw van het voormalige nonnenklooster (op dat moment een AZC). Ondanks de aanvankelijke rust en de grip op de financiën, wat overigens ook hij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef, kwam de schilder al gauw als gevolg van een sociaal isolement - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst had, en zodoende niet beschikte over een rijbewijs, was hij aangewezen op de voetenwagen, het openbaar vervoer of kennissen en opdrachtgevers die hem brachten en ophaalden - en dit maal drugsoverlast van het AZC gevolgd door een aanslag dit wil zeggen een gericht schietincident op zijn huis waarvoor het gezin op de vlucht moest slaan en gedurende 3 maanden op diverse adressen bivakkeerde, medio 1979 in een hevige depressie geraakte welke vervolgens ruim een jaar zou duren - er waren periodes dat de schilder enkel op de bank lag. Eenmaal terug in Nuth zou het kunstenaarsgezin hier vanwege de herontwikkelingsplannen van het voormalige kloosterterrein nog maar kort verblijven en was het gezin gedwongen om hun heil elders te zoeken.
Uiteindelijk zou het kunstenaarsgezin zich in de zomer van 1981 vestigen in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de theaterman-schilder het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankocht (deels met de hulp van de tante van de kunstenaarsvrouw die tevens hier haar oude dag zou kunnen doorbrengen) en waar hij na een grootscheepse verbouwing tot atelier-galeriewoning onverwacht gaandeweg in een bloeiperiode terecht kwam. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt was, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op zijn schilderkunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt. En deze trend zou zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving vond de schilder eindelijk de langgekoesterde geestelijke rust, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst.
Vanaf het begin van de jaren 80 genoot Hans Coumans met zijn schilderkunst, het zogeheten Coumansisme - binnen de artistieke discours poneerde Hans Coumans het Coumansisme als (ironieke) impressionieke kritiek op de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment - zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdde zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre en deed geen enkele concessie meer. In de provincie had hij inmiddels toenemende naamsbekendheid verkregen als respectabele kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. In al die jaren was er groep van liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankocht. Als gevolg hiervan ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder wees hij af, aangezien de activist-schilder immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelde Hans Coumans op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage, van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici. Met een wisselend internationaal gezelschap van leerlingen toerde hij wekelijks door Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder bezocht hij door heel Limburg tot aan Nijmegen toe braderieën, markten en andere (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren. Na een aantal opdrachten in Spanje trok Hans Coumans vanaf 1983 weer vaker naar Valkenburg en omstreken, waar hij als vanouds de markante plekken schilderde en hij weer volop in de belangstelling stond. Een semester lang was hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildervak (de ambachtelijkheid van het schilderen) bij te brengen. Na een buitengewone productieve periode vond begin 1984 op initiatief en met de hulp van wederom de plaatselijke amateurschilder-timmermaneen een succesvolle expositie in Kasteel 'Doonder' in Doenrade plaats, gevolgd door een tweede expositie in de zomer van datzelfde jaar in het kasteel, dit maal georganiseerd door de Onderbankse wethouder.
Na deze successen werd de schilder eind 1984 ernstig ziek door levercirrose, het gevolg van een leven lang over-enthousiast alcoholgebruik. Toch gaf de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zou hij na een kort ziektebed gevolgd door een moeizaam herstelperiode - hij was gehouden aan een streng dieet - van nagenoeg een jaar eind 1985 met de hulp van de Onderbankse wethouder een volgende expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, zijn vijfde en meest succesvolle expositie tot dan toe.
Met een zesde expositie in voorbereiding een jaar later, overleed Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder was op weg naar Malden om de winnaars en deelnemers van de jaarlijkse bosloop te portretteren. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, was hem noodlottig geworden. De sneltekenaar-schilder werd 43 jaar, hij liet een vrouw en vier kinderen na en realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.

Hans Coumans was een onvervalst impressionist en hij zou blijvend het impressionistische pallet hanteren, het Coumansisme - binnen de artistieke discours poneerde Hans Coumans het Coumansisme als (ironieke) impressionieke kritiek op de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment - welk hijzelf omschreef als een 'lichte' variant op het impressionisme vanwege de vlotte, spontane (intuïtieve) benadering. Zijn stijl kenmerkt zich in het bijzonder als 'levendig', omdat de (met name vrije) werken een opvallend gracieuze beweeglijkheid en veelal sprankelend koloriet kennen. De losse, ogenschijnlijk nonchalante maar trefzekere schilderwijze laat een virtuoze schilder zien. Hij had een krachtige hand en speelde met het penseel. Behendig, ogenschijnlijk nonchalant, ontstonden zijn creaties in een handomdraai, waar bij collega's uitgebreide voorstudies aan te pas kwamen. Kenmerkend of in ieder geval opvallend van dit Coumansisme is dat de stijlontwikkeling, afgezien van enkele Barokke invloeden (vroege periode) en expressieve experimenten (latere periode), tamelijk behoudend verloopt - de schilder richtte zich hoofdzakelijk op het vakmanschap, waarin hij in de loop der jaren (door een toenemend zelfvertrouwen) in toenemende mate excelleert - terwijl de opeenvolgende individuele werken van sterk wisselende emotionele expressie kunnen getuigen, dikwijls een opvallend inconsistent kleurenpallet vertonen of (niet op de laatste plaats) van wisselende artistieke kwaliteit zijn. Dit is te wijten aan de grillige emotionele gemoedstoestand van de schilder, welk direct zijn weerslag vond in de impressie van het moment: deze was emotioneel, intuïtief en impulsief. Zijn temperament was nogal van het moment afhankelijk, waardoor het oeuvre in een doorsnede vaak onsamenhangend verschijnt.
In tegenstelling tot veel andere schilders, die met academische techniek behoedzaam aan de slag gingen, kenmerkte de schilderstijl van Hans Coumans zich hoofdzakelijk uit durf. Volgens Hans Coumans bestond schilderen namelijk voor het overgrote deel, voor 80%, uit durf en slechts het overige deel voor 10% uit (de beheersing van de) techniek en voor 10% uit de kwaliteit (c.q. eigenschap) van het materiaal. De grove streken, de lichte 'veerachtige' toetsen, soms de spitse achterkant van het penceel of de ruige vegen van het plamuurmes, zelfs het zakmes, deze handelingen vertonen bravoure. Dikwijls schilderde hij met meerdere (complementaire) kleuren aan 1 penseel om vlot en direct te kunnen mengen op het doek. Zo ging schilderen in een buitengewoon rap tempo. In vergelijking met bekende impressionistische werken, die feitelijk dikwijls zorgvuldig overwogen en na uitgebreide voorstudies werden geconstrueerd, is de kunst van Hans Coumans daadwerkelijk de impressie van het moment: de werken zijn in de buitenlucht in het moment vervaardigd, in een buitengewoon rap tempo, zonder voorstudies of technische hulpmiddelen zoals het perspectiefraam of de fotografie. Zijn studies beperkten zich tot de ontelbare, langdurige wandelingen door de natuur - hij kende de unieke plekken van het Heuvelland - en zodra het licht 'goed' was, liet hij alles prompt uit zijn handen vallen en spoedde hij zich naar zijn onderwerp. De meest krachtige werken zijn de werken die het snelst zijn vervaardigd: hierin komt het meesterschap over het penseel het duidelijkst naar voren. Anderzijds waren er dagen zonder inspiratie - " een schilder heeft niet elke dag een zondagse dag..." of leed hij periodes aan neerslachtigheid of ervoer hij te veel druk (te weinig vrijheid) bij opdrachten, wat vanzelfsprekend invloed had op de artistieke prestatie. Desondanks zijn er gezien het omvangrijke oeuvre (uitgaande van alleen al het gedocumenteerde deel) dat deze schilder realiseerde, talloze werken die van uitzonderlijke artistieke kwaliteit zijn en getuigen van een erkentelijke schilder.

Ondanks de bekendheid als getalenteerd schilder verkreeg Hans Coumans gedurende zijn leven nooit erkenning vanuit de 'officiële' kunstwereld, die hij naar zijn mening verdiende. Niet alleen speelde het vroegtijdige overlijden op 43-jarige leeftijd een rol: hij had gewoonweg weinig tijd om zijn kunst te verspreiden. Daarnaast ging de schilder zich pas na zijn huwelijk volledig richten op het 'echte' schilderen, terwijl hij daarvoor lange tijd een (artistiek) vrijbuiterleven leidde en hij door het commerciële werk niet toekwam aan zijn vrije werk. Ook ontbrak het hem aan een academische scholing, en ofschoon een weloverwogen keuze waar hij trots op was, was dit in de vorige eeuw een vereiste om aan de intellectuele (academische) discussie deel te kunnen c.q. 'mogen' nemen. Überhaupt concentreerde de academische discussie zich destijds hoofdzakelijk in de grote Europese steden, de artistieke zwaartepunten zoals Amsterdam, Brussel en Parijs, en werd de kunst uit de provincie niet serieus genomen. Dat was zogezegd 'iets lokaals' en kon dus niet veel voorstellen. Slechts een enkele Limburgse schilder, waaronder Charles Eyck als ook Guillaume Stassen, Lei Molin, Pieter Defesche, Giel Serpenti die op zoek naar artistieke en culturele bevrijding de zuidelijke provincie ontvluchtte en in de hoofdstad tezamen de groep de Amsterdamse Limburgers vormden en zich aansloten bij de mainstream kunst, wist zijn naam boven de rivieren te vestigen. De belangrijkste reden dat de Limburger destijds geen erkenning verkreeg van de mainstream kunstwereld was, omdat de Limburger Hans Coumans simpelweg als één van de weinige schilders op dat moment non-conformistische buiten de mainstream kunst om werkte. En de periode vóórafgaand aan het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) werd de kunstfilosofie nog bepaald door een geloof in een éénduidige opvatting, welk leidend zo niet allesbepalend was voor de vraag wat kunst is en wat niet. Het mainstream paradigma betwijfelen, betekende automatisch exclusie.
De kunstwereld in die periode in de kunstgeschiedenis was in de ban van de (non-figuratieve) abstracte/conceptuele kunst. Dit was op dat moment het exclusieve paradigma, dat door de kunstwereld volledig werd omarmd en welke alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard. Omdat Hans Coumans zich niet liet leiden door trends of modegrillen en in zijn eigen geliefde stijl bleef schilderen, werd hij door de avant-gardeschilders volledig genegeerd en toonde de gevestigde vakliteratuur en de deskundigen, "wie dat ook mogen zijn in de kunst..." en "zij, die zelf nog nooit een penseel hebben opgepakt... dus wat weten zij van schilderen?" aldus de schilder, geen interesse in zijn (figuratieve) werk. En om in de kunstwereld en bij het grote publiek gezien en gehoord te worden, was de gevestigde vakliteratuur een krachtig zo niet cruciaal medium. Zeker in de periode voorafgaand aan het informatietijdperk hadden de enkele kunstcritici grote autoriteit en de gevestigde kunstbladen een allesbepalende invloed in de kunstwereld.
In de Postmodernistische tijd na de Tweede Wereldoorlog kwam verzet tegen de traditionele opvattingen - er werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek - en werd kunst hergedefinieerd. De postmodernisten geloofden dat de vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij. Toonaangevende kunst was vernieuwend en onvoorspelbaar: het moest ontwrichten, in de war sturen en zo kritische vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Het kunstwerk was (nog slechts) een idee of een interventie. Het experimenteren en het creëren van abstracte verbeeldingen van de echte werkelijkheid stond voorop. De theorie werd belangrijker dan het beeld. Alles moest anders, opdat vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde het esthetische impressionistieke Coumansisme tot een eerder hoofdstuk uit de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans, van de andere kant, had duidelijk andere opvattingen over kunst. En de 'officiële kunstwereld', daar had hij al helemaal geen goed woord voor over. Een ijdele, arrogante elitebende was het, die wel even voor de ander bepaalde wat kunst is; "maar wie bepaald dat nou, wat kunst is...?". De schilder geloofde niet in de belofte dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden. Vernieuwing, innovatie of technologische ontwikkelingen hadden volgens hem enkel geleid tot toenemende sociale ongelijkheid, vervuilende industrie en massavernietigingswapens, stelde hij. In zijn ogen had de mens het contact met de echte wereld, met de natuur, verloren en zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme. Gedurende zijn gehele schilderscarrière lag zijn interesse in het ontwikkelen van het meesterschap, dus het pure (ongekunstelde) schilderen. De recente kunststromingen aanschouwde hij dan ook als een teloorgang van het ware meesterschap. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch. Bovendien was dit uiteindelijk ook esthetica in de klassieke zin van het woord. Het was choqueren om het choqueren, pure (persoonlijke) aandachttrekkerij, meer niet: "... kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, Hans Coumans verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen - dan zat je altijd veilig - van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling, een financiële compensatieregeling voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. Uiteindelijk ontbrak het de kunstwereld aan zelfkritiek, stelde de schilder, puur uit angst de maandelijkse toelage mis te lopen, waardoor het artistieke circus zichzelf in stand hield en er feitelijk geen of slechts sporadisch sprake was van vernieuwing. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg, stelde hij dat veel beginnende kunstenaars veelal zitten te kliederen in hun atelier: "... veel (beginnende) kunstenaars verstikken in hun eigen theorieën en produceren uiteindelijk helemaal niets...". Hans Coumans was er van overtuigd dat een kunstenaar volledig vrij en onafhankelijk diende te zijn en dat deze de (maatschappelijke) rol toebedeeld had gekregen om vanuit die positie de wereld te beschouwen en (onafhankelijk) kritiek te leveren. Vanuit die perceptie was het voor hem dan ook volkomen onbegrijpelijk dat vele kunstenaars zich zo lieten beïnvloeden en zodoende niet vrij waren om het werk te maken wat zij zelf wilde maar wat werd opgelegd door het gemeenschappelijke gedachtegoed. En dat, terwijl de wereld vele malen rijker en diverser (mooier) zou zijn als iedereen zijn of haar leven en talent ten volle zou benutten. Nota bene waren het de wat vreemde einzelgängers in de geschiedenis, die de wereld opschudden en werkelijk verandering in het denken van mensen te weeg brachten.
Het emotionele solistische verweer tegen de hegemonie, eigenlijk tegen de arrogantie in de kunsten, en zijn pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten - het Coumansisme was in feite niets anders dan een 'anti-isme' van ironische aard - vond op dat moment geen weerklank. Toch gingen vanaf de jaren '80 ook andere kunstschilders in Europa en de Verenigde Staten weer figuratief schilderen en kwam de figuratieve kunst weer in de gratie. Uiteindelijk zou de conceptuele kunst zich onder invloed van het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) van een uniforme stroming verder ontwikkelen tot een brede en pluriforme stroming aan het begin van de 21e eeuw, waarbinnen de eerdere kunststromingen vanuit het experiment of het onderzoek in een of andere vorm gaandeweg een plek vonden of via kruisbestuiving zelfs leidden tot geheel nieuwe (digitale) kunstvormen. De conceptuele kunst in het digitale tijdperk genereerde uiteindelijk de volledige vrijheid in de kunsten, zoals Hans Coumans eerder had bepleit. 'Alles is kunst' was nu de gedeelte opvatting, wat gevolglijk betekende dat kunstkritiek enkel kon plaatsvinden op individueel niveau en niet (meer) afhankelijk was van generieke maatstaven. Op dat moment zouden de figuratieve kunststromingen weer volledig worden geherwaardeerd in de officiële kunstwereld en kwam er ook weer aandacht voor contemporaine impressionistische schilders.

Met verschijnen van het oeuvreboek van 'Hans Coumans, de man van de heuvels' wil de stichting de markante, vrijgevochten Zuid-Limburgse kunstschilder weer onder de aandacht brengen en via een uitgebreide beschouwing zijn bijzonder uitbundige artistieke oeuvre bij een groter publiek bekend maken. De populaire schilder beoefende een legendarisch bruisende Bourgondische levenskunst en een al even bruisende kunst - pas op: ofschoon enkel en alleen als hij er echt zin in had hanteerde hij een virtuoos penseel - van het schilderen. De schilder leefde een über-hartstochtelijk leven en hij hield hartstochtelijk van alles wat het leven hem aanreikte. Door de liefde voor het leven - Heiligheid was gelegen in het leven (de natuur) - en de fascinatie voor de natuur behoren de natuurmotieven tot zijn persoonlijk oeuvre. Ondank de kritiek van tijdgenoten, die op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken en zich aansloten bij de mainstream abstracte kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans te zeer gehecht aan het Bourgondische leven als aan de natuur van de Zuid-Nederlandse provincie en schilderde hij non-conformistisch in een licht-impressionieke stijl, het Coumansisme, waarmee hij binnen de artistieke discours (ironieke) impressionieke kritiek leverde op de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment. Al vroeg wist hij zich als (artistieke) vrijbuiter vrij te vechten en via allerlei omzwervingen een status te verwerven als vrije, bewust selfmade kunstschilder, die leefde van zijn werk. Ondanks dat hij slechts een leeftijd van 43 jaar bereikte, realiseerde hij een artistieke nalatenschap van een paar duizend werken. Omdat hij zich al van jongs af aan uit eergevoel - in het Zuid-Limburg van de jaren 50 stond men afwijzend tegen kunst - had gecommitteerd aan het volledig onafhankelijk kunstenaarsschap door overheidssubsidies (BKR-regeling) te weigeren, was hij genoodzaakt te schilderen voor zijn brood. Door zijn schildertalent en zijn buitengewoon charisma wist hij zich spoedig een plek tussen de mensen te verschaffen en werd hij een populaire schilder, een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond (veelvuldig gingen de schilderijen 'nat' van de hand). Ofschoon na uitgebreid onderzoek circa 1700 werken zijn getraceerd, is de aanname van een aantal van 3500 realistischer, aangezien veel werk waarvan bekend is dat het heeft bestaan is verdwenen of verloren is gegaan. Zo bestond een substantieel deel van het oeuvre uit (houtskool) snelportretten - het sneltekenen op de talrijke Limburgse braderieën was volgens de schilder zelf hoofdbron van inkomsten - waarvan weinig is teruggevonden. Dat geldt eveneens voor tientallen decoratieve muurschilderingen vervaardigd in de établissementen en schutterslokalen, welke in de loop van de tijd als gevolg van modernisatie zijn verwijderd. De keerzijde van deze 'vrije' schilderscarrière was echter, dat 'schilderen voor brood' en ook hoewel in mindere mate zijn langdurig en hardnekkig cynisme (over de toestanden in de wereld) de vrije kunst lange tijd in de weg zat. Het gevolg hiervan is, dat een deel van zijn omvangrijk oeuvre in artistieke zin minder interessant is. Er zijn veel schilderijen van een twijfelachtige artistieke kwaliteit, omdat de schilder concessies moest doen, druk ervoer van de opdrachtgevers, of omdat hij een periode leed aan depressie of gewoonweg geen 'zondagse dag' had. Hij was zich bewust dat hij geregeld de nodige kitsch moest vervaardigen, aangezien hij nooit en te nimmer aanspraak wilde doen op een financiële toelage vanuit de overheid, terwijl veel tijdgenoten daar geen moeite mee hadden. Toch laat zijn persoonlijke oeuvre oftewel het vrije werk waarmee de schilder zich wilde profileren, dus de natuurmotieven van het typische Zuid-Limburgse landschap, een werkelijke bezieling en een virtuoze kunstschilder zien, die het penseel meester is. Deze natuurmotieven excelleren in een onderscheidende elegantie en getuigen van een hartstochtelijke liefde voor de natuur en het leven. De over het algemeen uitbundige of beter gezegd 'levendige' taferelen van het Heuvelland zijn als een daad van verwondering, waarmee hij op een eigenzinnige (persoonlijke) wijze een glimp van de ziel tracht te onthullen en hij ons als toeschouwer de intrinsieke schoonheid van het Zuid-Limburgse landschap en daarmee uiteindelijk de bijzonderheid van het leven-zelf wil tonen.
Het artistieke oeuvre van kunstschilder Hans Coumans kent vanwege de natuurmotieven, stadsgezichten, stillevens, (snel)portretten en daarnaast de decoratieve en maatschappij-kritische werken een breed karakter, waarmee hij de tijdgeest vanaf het begin van de jaren 60 tot en met halverwege de jaren 80 op een interessante wijze portretteert en vastlegt voor volgende generaties. In een periode in de kunstgeschiedenis na de oorlog waarin alles collectief anders moest en uiteindelijk velen 'hetzelfde' deden (binnen de gedicteerde kaders van de mainstream abstracte/conceptuele kunst), laat (het leven en) de kunst van Hans Coumans een onderscheidende en indringende kijk op het leven en de wereld zien, die aanzet tot 'kijken' en tot bewustwording van de bijzonderheid van het leven. Hoewel Hans Coumans destijds weinig succesvol het figuratieve Coumansisme als antidogma poneerde, waarmee hij de hegemonie van de non-figuratieve mainstream abstracte/conceptuele kunst - feitelijke de arrogantie - op humoristische wijze bekritiseerde en pleitte voor de broodnodige totale vrijheid in de kunsten, zou die vrijheid zich uiteindelijk toch twee decennia na zijn dood vanaf de intrede van het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) gaandeweg aandienen. Vanuit deze cultuurhistorische context is het artistieke oeuvre van Hans Coumans van een unieke waarde en zodoende relevant voor de Limburgse kunst van de tweede helft van de 20e eeuw.

Het oeuvreboek 'Hans Coumans, man van de heuvels' is door de vele paginavullende foto's van de schilderijen, aangevuld met fotomateriaal en anekdotes een bijzonder kleurrijk geheel, welk een waardevolle aanvulling vormt op de literatuur over de Limburgse kunst van de 20e eeuw. De prijs van een 256 pagina's tellend offset gedrukt exemplaar bedraagt €39,-.

 

 

Participanten

Onderzoek oeuvre: Serge, Jarosj, Carmen en Christine Coumans
Samenstelling, auteur en vormgeving boek: Serge Coumans, Eindhoven
Mede-auteur: Emile Ceelen, Valkenburg
Beschouwing oeuvre: Peter en Martine Driessen, Maastricht
Documentatie oeuvre: Museum Land van Valkenburg
Fotografie werken: Robin Heemstra, Eindhoven
Eindredactie: Daniëlle Puts, Eindhoven

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen rondom het boek-project, raadpleeg de website dan regelmatig. Indien u alvast (vrijblijvend en kostenloos) een exemplaar wilt reserveren, dan kunt u een bericht sturen naar het email-adres op de contactpagina. U wordt dan opgenomen in de mailinglijst van Stichting Hans Coumans en ontvangt ruim voorafgaand aan de boekpresentatie automatisch een invitatie.

Overigens is de stichting nog steeds op zoek naar werk, wetenswaardigheden en/of anekdotes die mogelijk interessant kunnen zijn voor het boek. Mocht u in bezit zijn van werk of informatie voor ons hebben, neem dan contact met ons op via de gegevens op de contactpagina.