HANS COUMANS, man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   INTERVIEW   BOEK   STICHTING   CONTACT

 

Voorwoord boek
Serge Coumans

 

In navolging van een reeks van (tijdelijke) overzichtstentoonstellingen van de flamboyante Zuid-Limburgse plein air kunstschilder-sneltekenaar Hans Coumans (1943-1986) heeft tussen 2011 en 2018 een uitgebreid onderzoek (2010-2018) plaatsgevonden naar zijn levensloop en zijn schilderkunst met als doel zijn materiële en immaterieële nalatenschap blijvend te behouden in de vorm van een oeuvreboek met de titel 'Hans Coumans, man van de heuvels', dat medio volgend jaar zal worden gepubliceerd. Het onderzoek heeft een aanzienlijke tijd in beslag genomen, aangezien de temperamentvolle, grillige Hans Coumans een vrij en nogal turbulent leven leidde, waardoor het een moeilijke opgave is gebleken om zijn levenspad volledig helder in kaart te brengen en zijn werk te traceren, te documenteren en in de tijd te plaatsen. Hans Coumans had namelijk het karakter van een klassieke bohémien en laat-19e-eeuwse impressionistische plein air schilder, hij was lange tijd een avontuurlijke vagebond die op hooizolders en onder bruggen sliep, een "laatste cowboy onder de Limburgse schilders" zoals hij zichzelf meermaals typeerde (zie artikel) die voordat hij zich toelegde op de serieuze schilderkunst een ongebonden vrijbuitersleven leidde en overal en nergens allerlei (decoratieve) schilderklussen aannam, in zijn jonge leven met zijn schilderijen (veelal met taferelen van het Heuvelland) onder zijn arm langs de vele kroegen struinde op zoek naar die ene geïnteresseerde en met sneltekenen acte de présence gaf op de toeristische terrassen en talrijke jaarlijkse Limburgse braderieën, waardoor er een aantal perioden zijn, waarin het onduidelijk is waar hij verbleef en wat hij in die tijd vervaardigde. Gedurende zijn leven is zijn werk nooit 'officieel' gedocumenteerd, hoogstzelden is een werk voorzien van een jaartal, soms zijn werken niet eens gesigneerd (omdat iedereen op grond van de typische Coumans-toets toch wel wist aan wie het betreffende werk toebehoorde), maar ook is veel werk na zijn dood verloren gegaan, vernietigd (wandschilderingen vanwege modernisatie overgeschilderd) of is het gewoonweg niet bekend waar werk, waarvan bekend is dat het heeft bestaan, via verkoop of schenkingen na al die jaren gebleven is. Daarnaast is een aanzienlijk deel van de werken, die gedurende het onderzoek zijn getraceerd, beschadigd en verwaarloosd aangetroffen of aangetast door oppervlaktestof, sigarettenrook en vocht, wat gevolglijk een extra moeilijkheidsgraad betekende voor het fotograferen van de werken. Om ondanks de vele hindernissen toch een beeld te kunnen schetsen van deze buitengewoon getalenteerde en veelzijdige kunstschilder is door middel van een jarenlange opbouw van een inmiddels omvangrijk netwerk van familie, vrienden, intimie, kopers, Coumans-kenners, fans en andere mensen, die Hans Coumans op een of andere manier hebben gekend, getracht om informatie te vergaren over zijn leven en zijn werk. Dit heeft geleid tot enkele honderden gesprekken en tot de documentatie van ruim 1700 werken, met de kanttekening dat dat aantal vermoedelijk slechts een deel zijn oeuvre behelst en de schilder (afgaande op diverse schattingen) vermoedelijk meer dan 4000 werken moet hebben gerealieerd, omdat de sneltekeningen - het sneltekenen, doorgaans zo'n 25 portretten op 'n 'Zondagse dag' (lees: 'n goede dag), was volgens de schilder zelf de hoofdbron van inkomsten - welk een substantieel deel van zijn oeuvre betreft, slechts in zeer beperkte mate zijn aangetroffen. Met de vele overleveringen en anekdotes, wetenswaardigheden, diverse krantenartikelen, foto's van de schilder en zijn werk als eindresultaat, is een poging gewaagd om voor het eerst een zo compleet mogelijke doorsnede over zijn leven te reconstrueren, dit ondanks de vele hyaten. Dit kennende is er het besef, dat het onderzoek te allen tijde onvolledig is en dat het onmogelijk is gebleken om een volledig en sluitend beeld van deze schilder te tonen. Desondanks omvat het oeuvreboek genoeg informatie en foto's van zijn schilderijen om een globale indruk te geven van zijn levensloop en de ontwikkeling van zijn schilderkunst.

Hans Coumans, "kunstenaar bij de gratie Gods en op eigen initiatief" zoals hij dat zelf verwoordde, beoefende een legendarisch bruisende Bourgondische levenskunst en een al even bruisende schilderkunst, welk blijk geeft van een hartstochtelijke liefde voor het leven (de natuur). De schilder kende een bijzonder intense levenswijze, wat zijn weerslag vond in een bijzonder intense schilderkunst. Hij stond bekend als een klassieke bohémien, een artistieke vrijbuiter en rebelse, links-dwarse maatschappijcriticus (moraalridder). Ook werd hij omschreven als bon-vivant of Bourgondiër, romanticus, natuurmens, comédien en verhalenverteller (theaterman). Zelf afficheerde hij zich als "... laatste cowboy onder de Limburgse schilders" (zie artikel), omdat hij als vrije en volledig financieel onafhankelijke kunstschilder met zijn eigen wetten en regels een onconventioneel leven leidde en zich allesbehalve conformeerde aan de norm, er zelfs (steevast) lijnrecht tegenin ging. Wat de reputatie van Hans Coumans ook was, hij was beslist een uitgesproken man met een uitgesproken levenshouding: puur, emotioneel (intuïtief) en principieel. Hans Coumans was een man met een fijngevoelige, über-emotionele en grillige persoonlijkheid, waardoor hij sentimenteel, impulsief en uitgesproken gepassioneerd in het leven stond en een bijzonder emotionele verbintenis kende met "... ut leve" (het leven, de natuur) en het schilderen. Hij was een bijzonder principieel en ongepolijst man, een purist (non-conformist) zogezegd, een vrijzinnige geest met een kritische maatschappelijke analyse, niet alleen met een groot gevoel voor eerlijkheid en gerechtigheid, maar daadwerkelijk voorvechter van fundamentele vrijheidsrechten (zelfbeschikking), gelijkheid en (sociale) rechtvaardigheid. Bovendien was hij een comédien en bezat hij de kunst van de humor, waarmee hij mensen aan zich wist te binden en tezelfdertijd (via ludieke publieke acties en zijn kunst) streed tegen allerlei vormen van onrecht.
Wars van tradities en conventies wist Hans Coumans zich al vroeg als artistieke vrijbuiter vrijgevochten van de gevestigde maatschappelijke orde en eigenhandig een status te verwerven als vrije en onafhankelijke, bewust autodidact kunstschilder, die "... leefde van enkel het penseel..." - subsidies weigerde hij pertinent uit eergevoel. Door zijn bruisende schilderkunst maar beslist ook als gevolg van zijn bruisende levenskunst werd hij al snel omarmd door de mensen en groeide hij uit tot een populaire plein air schilder, een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond. Hoewel Hans Coumans ook als portrettist-sneltekenaar zijn brood verdiende, zou de landschapskunst als gevolg van zijn grote liefde voor de natuur gedurende zijn gehele leven blijvend een centrale positie innemen in zijn oeuvre - de Heuvellandmotieven zijn dan ook te beschouwen als zijn persoonlijke oeuvre - en als zodanig kenmerkend zijn voor zijn oeuvre. Tradities en modegrillen in de kunsten ten spijt, schilderde Hans Coumans gedurende zijn gehele leven non-conformistisch buiten de mainstream abstract/conceptuele kunst om in een licht-impressionistische stijl, het zogenoemde Coumansisme, het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was en welke hij gedurende zijn carrière voortdurend perfectioneerde. Zijn schilderkunst kenmerkt zich als bijzonder 'levendig': de werken zitten vol emotie en kennen een opvallend losse, elegant beweeglijke toets en veelal een warm, uitbundig coloriet. De impressionistische werken zijn daadwerkelijk de impressie van het moment, en hoewel hij schilderde naar waarneming, wilde hij vooral de grootsheid van de natuur, waardoor hij was gefascineerd, uitdrukken. Ondanks dat Hans Coumans slechts een leeftijd van 43 jaar bereikte, bleek hij een productieve schilder en realiseerde hij een artistieke nalatenschap van enkele duizenden werken, waarmee hij in de provincie Limburg medio de jaren 80 bekendheid verwierf als 'man van de heuvels'.

 

 

Inleiding boek

 

Hans Coumans hield hartstochtelijk van het leven, dat hij dagelijks de grond kon kussen, werd wel eens gezegd. En de werkelijkheid was beslist niet minder dramatisch. Met 'Sturm und Drang' leefde deze über-gevoelsmens het leven. Door zijn opvallend emotionele (sensitieve) en grillige persoonlijkheid - 'himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt' - was Hans Coumans een impulsieve, egocentrische, theatrale man, die een bijzonder über-emotionele verbondenheid met het leven kende. Hij was diep onder de indruk van de Schepper - zijn grote Vriend - en hij had onnoemelijk respect voor "... het hele gebeuren" (de mystiek) rondom de Schepping, zoals alles ontstaat en was ontstaan, dat "ut leve' (het leven, de natuur) hem Heilig was. Volgens de schilder was het leven een groot goed, welk gekoesterd en beschermd diende te worden. Dit was beslist een zeer indringend persoonlijk canon of in ieder geval een zeer indringende levensfilosofie, welk ten grondslag aan een uitgesproken ethos en dito schilderkunst. In principe was het relaas eenvoudig: Hans Coumans stond enkel een zinvol en bescheiden bestaan voor, in een harmonieuze samenhang met de natuur en de medemens. Hij wilde leven in volledige vrijheid ('de vrije wil'), hij wilde het leven vieren en hij wilde schilderen. Niet meer, niet minder. Hij kende dan ook momenten van grote gelukzaligheid, zodra hij in de vrije natuur ergens in een veld tussen de koeien kon schilderen terwijl de zon scheen, de vogels floten en hij van zijn welverdiende halve liter kon genieten. Anderzijds kende hij momenten van grote woede en frustratie en trok hij fel van leer, op het moment dat hij het ergens niet mee eens was en zijn persoonlijke vrijheid in het geding kwam of zodra er maatschappelijk onrecht geschiedde - hij spuwde dikwijls vuur, zodra het handelde over politieke zaken en de politieke grip op de 'eenvoudige man'.
De indringende en pure levensfilosofie was tezelfdertijd beslist een indringend persoonlijk dogma of anders gezegd een persoonlijk 'isme' en zodoende de basis voor een sterk zwart-wit-denken met weinig ruimte voor nuance. Omdat hij Heiligheid toekende aan "ut leve" (het leven, de natuur) was hij fel gekant tegen elk ander 'isme' - gedachtegoed, religie, overtuiging, traditie, conventie, modegril, trend, (kunst)opvatting, geld - dat pretendeerde de exclusieve waarheid te vertegenwoordigen en als zodanig een aantasting vormde voor de vrije waarde (en zijn persoonlijke vrijheden). Deze 'ismen' waren slechts verzinsels, door de mens zelf gefabriceerde en opgelegde (morele) denkrichtingen van dikwijls discutabele aard. Naast een twijfelachtige fundamentele grondslag lag misbruik, corruptie en hypocrisie veelal door de elite op de loer en genereerden conventies per definitie uitsluiting jegens andersdenkenden. Hij verzette zich dan ook fel tegen de entiteiten in de maatschappij, die de vrije denkruimte van het individu ondermijnden. Volgens de schilder was in feite elk gedachtegoed slechts een mening, die zoals elke andere mening ter discussie gesteld kon worden. Hoewel Hans Coumans zich onder geen enkel beding wenste te scharen onder welk 'isme' - het Coumansisme was duidelijk het 'anti-isme' als weerwoord op de hegemonie van de (intolerante) mainstream kunst - dan ook, vertoonde zijn levensfilosofie Heidense elementen (de verbondenheid met de numineuze natuur) en overeenkomsten met het Humanisme (menselijkheid, menswaardigheid, zelfbeschikking), met de opvattingen van humanist Desiderius Erasmus (vrijheid, autonomie individu) en vrijdenker Baruch Spinoza (het Godsbeeld en de natuur) alsook met de 19e eeuwse Franse vrijheidsidealen, waarin begrippen als vrijheid, gelijkheid en broederschap centraal stonden.
Door het gebod van de totale 'vrije wil' en de absolute autonomie van het individu werd bevrijding van 'het systeem' gevolglijk een leidmotief. Gedurende zijn gehele leven, van jongs af aan, zou hij dan ook in verzet komen tegen het gezag. In zijn strijd geraakte hij voortdurend en zeker ook welbewust in aanvaring met de klassieke gevestigde macht, dus het kerkelijke, politieke, maatschappelijke en culturele establishment. Als non-conformist verfoeide hij het kuddegedrag en de middelmaat, de heersende norm, de modegrillen en tradities. Materialisme, consumptie-maatschappij, industrialisatie en technologische ontwikkelingen waren in zijn ogen louter schijngeloofsartikelen, die enkel negatieve invloed hadden op de mens (sociale ongelijkheid) en de natuur en uiteindelijk leidden tot vernietiging van de aarde. Niet alleen was hij fel tegenstander van kruisraketten, tevens hekelde hij moderne ontwikkelingen zoals het televisie-apparaat en zelfs het automobiel, frappant genoeg het voertuig wat hem uiteindelijk noodlottig werd. Het kapitalistische wereldbeeld, dat alles beschouwde in termen van geld, was totaal onverenigbaar met zijn opvatting, dat de wereld van iedereen was. Geld, bezit en status hadden voor hem geen enkele waarde, omdat in zijn ogen ieder mens gelijk was. Hij behandelde ook iedereen gelijk, ongeacht afkomst of status: enkel de persoon telde, zeker niet wat deze aan of om had. Hij stelde, dat de mens was verblind door hebzucht en gekaapt door het geld, terwijl de werkelijke waarde van "ut leve" niet (meer) gekend werd. Voor de werkelijke waarde van het leven hoefde men slechts om zich heen te kijken, naar wat er 'is' oftewel naar het leven zelf (de natuur). De mens was vergeten zelf onderdeel te zijn van de natuur en dat er een belangrijke taak op hem rustte om de natuur (het leven) te beschermen. Voor veel mensen was het leven een vanzelfsprekendheid, maar zij waren zich niet bewust van de bijzonderheid ervan, aldus de schilder. Een keer wees hij een dorpsgenoot op een krop sla en zei: "Je eet je hele leven sla, maar begin zo'n krop maar eens te tekenen, je ontdekt dan hoe dwaas het is dat je je hele leven met sla hebt geleefd en nooit (werkelijk) sla hebt gezien... dat je niet eens weet waarin een slablad verschilt van een blad van savooi kool...". En in het verlengde daarvan: "Zo is het hetzelfde met het tekenen van de mens. Je kent hem pas goed als je hem hebt getekend, misschien is het daarom dat ik in zovelen ben teleurgesteld.".
De schilder vond het in een democratie behalve ieders burgerplicht de taak des onafhankelijke kunstenaars om kritische vragen te stellen en misstanden aan de kaak te stellen. Volgens de schilder ontbrak het maar al te vaak aan het publieke debat. De mensen mistten een kritisch bewustzijn of ze waren te gezagsgetrouw en te goedgelovig, lieten zich misleiden, indoctrineren of durfden geen weerwoord te bieden uit angst hun maatschappelijke positie te verliezen. Daar waar de meerderheid zich angstvallig stilhield, nam Hans Coumans het penseel op tegen maatschappelijk onrecht. Herhaaldelijk berichtten plaatselijke kranten over ludieke provo-achtige protestacties 'op de barricade' en hilarische doch zeer kritische werken die de schilder-activist provocerend aan de voorgevel van zijn huis ophing, waarmee hij kritiek uitte over allerlei actuele maatschappelijke kwesties, zaken aan de orde stelde die het daglicht niet konden verdragen of gericht uithaalde naar bepaalde lieden van de kerk ("Zij, die de Bijbel op de kop gelezen hebben...") of de politiek, die hij aansprak op hun geweten. Hoewel dit maatschappelijk activisme vaak weerklank wekte onder stadsgenoten, leidde de vrijheid van meningsuiting ook tot ophef en verhitte debatten, wat hem beslist niet bij iedereen geliefd maakte, getuige de diverse annuleringen van opdrachten en bedreigingen aan zijn adres. Maar voor Hans Coumans waren dit dikwijls pricipiële zaken en daarnaast kon hij ook wel genieten van de roering, die hij teweeg had gebracht.

 

 

In elk motief dat de schilder Hans Coumans hanteerde, manifesteerde zich een werkelijke obsessie voor het subject: hij wilde de ziel, het wezen ervan doorgronden, blootleggen en anderen hiervan deelgenoot maken, bewust maken. "Velen hebben de ogen open, maar ze zien niets!" poneerde de schilder voortdurend, doelend op de grootsheid van "ut leve", een uniekheid en pracht, waarmee de mens door omringt was en zelf deelgenoot van was. Dat hij het bijzondere talent had om diep door te dringen tot het wezen van de persoon of de geest van de plek, is aanschouwbaar in de vele 'levendige' en indringende werken. Zo zijn de portretten van mensen zeer treffend en overigens in een handomdraai neergezet en wist hij op een verbluffende wijze het karakter des persoons op het papier tot leven te wekken. Ook de talrijke natuurlandschappen (en dorpsgezichten) van het Zuid-Limburgse Heuvelland kenmerken zich als bijzonder levendig en lijkt de genius loci blijvend op het linnen te zijn gevat.
De hartstochtelijke liefde voor het leven (de natuur) uitte zich in een onbedwingbare artistieke bezieling. De overweldigende indrukken van de natuur wakkerden een onstuitbare schilderkoorts aan. De schilder was lyrisch over de motieven, de transformatieprocessen, de unieke aangezichten van de jaargetijden, de vergankelijkheid en het ontstaan van nieuw leven (de bloesem), de bonte kleurschakering en de magische werking van het licht, vooral gedurende de herfstmaanden met zijn roestige, roodbruine tinten, dat hij hierover urenlang gefascineerd kon uitwijden. Volgens omstanders werd hij idolaat, een gevolg van zijn fijngevoeligheid, van de wonderbaarlijke fenomenen die in de natuur plaatsvonden - "Ik word gek van de kleuren!" - dat hij niet anders kon dan "die besonders schöne Motieve mit pinsel und farbe festzuhalten", zoals een Duits artikel van een plaatselijke krant uit Gangelt eens uitdrukte. De natuurmotieven getuigen van een groot ontzag voor "ut leve" en grootsheid van de natuur in de zuidelijke provincie, die volgens de schilder "... onovertroffen in Nederland" was. De schilderijen zijn als een daad van verwondering. Het zijn dan ook deze natuurmotieven van het typische Heuvelland, zijn favouriete onderwerp, die te beschouwen zijn als zijn persoonlijke oeuvre, waarmee Hans Coumans in de jaren 70 en 80 van de vorige eeuw bekendheid verwierf in de Limburgse provincie.
Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de grote Europese steden (zoals Amsterdam) trokken en aansluiting vonden bij de mainstream abstracte/conceptuele kunst, bleef Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en het unieke landschap van het Heuvelland, en schilderde hij buiten de mainstream om in een licht-impressionistische stijl, het zelfbenoemde Coumansisme - binnen de artistieke discours poneerde Hans Coumans het Coumansisme als (ironieke) impressionistische kritiek op de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment. Deze schilderstijl, "het enige 'isme' waar ik fervent aanhanger van ben!", kenmerkt zich als bijzonder 'levendig', omdat de werken over het algemeen een opvallend gracieuze beweeglijkheid kennen. Het werk is intuïtief, soms ongeduldig en zit vol emotie, waarbij het zich kenmerkt door een opvallende 'levendigheid' en een warm, uitbundig coloriet. Zelf omschreef hij zijn stijl als een 'lichte' variant op het impressionisme vanwege de spontane, emotionele (intuïtieve) en vlotte benadering. De losse, dikwijls voor omstanders ogenschijnlijk nonchalante maar trefzekere schilderwijze laat een virtuoze schilder zien. Hij had een krachtige hand en speelde behendig met het penseel alsof hij een theatershow gaf. Creaties ontstonden opzienbarend snel in een handomdraai, dikwijls met een paar streken, daar waar bij collega's dikwijls uitgebreide voorstudies aan te pas kwamen.
Hoewel Hans Coumans een emotionionele en grillige persoonlijkheid kende, was hij bijzonder principieel en standvastig, zowel in zijn leven als schilderkunst. Hij was van jongs af aan onvervalst impressionist en hij zou blijvend het impressionistische pallet hanteren en dit gedurende zijn schilderscarriere voortdurend doorontwikkelen. De schilder was vooral geïnteresseerd in het vakmanschap, de kunst van "het echte schilderen" zoals hij dat benoemde, waarin hij in de loop der jaren (mede dankzij een toenemend zelfvertrouwen) in toenemende mate excelleert. Kenmerkend van zijn oeuvre is dan ook, dat de stijlontwikkeling behoudens enkele Barokke invloeden (vroege periode) en expressieve experimenten (latere periode) in de grote lijn tamelijk behoudend verloopt, terwijl opeenvolgende individuele werken een sterk wisselende stijlkarakter kunnen vertonen. Deze opeenvolgende werken zijn dikwijls van verschillende emotionele expressie, vertonen een opvallend inconsistent kleurenpallet of zijn (niet op de laatste plaats) van wisselende artistieke kwaliteit. Dat is niet zo verwonderlijk gezien het grillige karakter van de schilder, wat direct zijn weerslag vond in zijn grillig oeuvre. Zijn temperament was erg van het moment afhankelijk, waardoor het oeuvre soms onsamenhangend verschijnt.
In tegenstelling tot afgestudeerde schilders, die de academische leer praktiseerden, hanteerde autodidact Hans Coumans een geheel eigen methodiek. Volgens de schilder bestond de kunst van het schilderen namelijk voor het overgrote deel, voor 80%, uit durf en slechts het overige deel voor 10% uit (de beheersing van de) techniek en voor 10% uit de kwaliteit van het materiaal. De durf om die eerste paar streken neer te zetten op het witte doek, ongeremd, daarin schuilde de ware kunst van het schilderen. Deze methodiek is duidelijk zichtbaar in zijn schilderijen aan de de trefzekere (soms grove) streken, de lichte 'veerachtige' toetsen, soms de spitse achterkant van het penceel of de ruige vegen van het plamuurmes, zelfs het zakmes waarmee de schilder normaliter zijn appel schilde, die een virtuoze en zelfverzekerde schilder laten zien. Dikwijls schilderde hij met meerdere en complementaire kleuren aan het topje van 1 penseel om vlot en direct 'nat-op-nat' te kunnen mengen op het doek. Via deze methode ging schilderen in een buitengewoon rap tempo. In vergelijking met vele bekende impressionistische schilderijen, die feitelijk dikwijls zorgvuldig overwogen en na uitgebreide voorstudies waren geconstrueerd alsof het de impressie van het moment was, is de kunst van Hans Coumans daadwerkelijk de impressie van het moment. De werken zijn in de buitenlucht in het onmiddelijke moment vervaardigd, in een buitengewoon rap tempo, zonder voorstudies of technische hulpmiddelen zoals het perspectiefraam of de fotografie. Zijn studies beperkten zich voornamelijk tot de ontelbare, langdurige wandelingen door de natuur - hij kende de unieke plekken van het Heuvelland - en zodra het licht 'goed' was, liet hij alles uit zijn handen vallen en haastte hij zich naar zijn onderwerp. De meest krachtige werken zijn die die het snelst zijn vervaardigd: hierin komt het meesterschap over het penseel het duidelijkst naar voren. Anderzijds kende hij dagen zonder inspiratie - " een schilder heeft niet elke dag een zondagse dag..." - leed hij periodes aan neerslachtigheid of ervoer hij te veel druk bij opdrachten, wat invloed had op de artistieke prestatie. Ook gingen schilderijen dikwijls onaf (nat) van de hand, omdat toevallige voorbijgangers de schilder een acceptabel bod deden. Hoewel er zodoende zonder meer vele schilderijen van een twijfelachtige artistieke kwaliteit in omloop zijn, zijn er binnen het omvangrijke oeuvre dat deze broodschilder uiteindelijk realiseerde talloze werken die van een uitzonderlijk fraaie artistieke kwaliteit zijn. En dan met name de portretten en de natuurmotieven laten een erkentelijke schilder zien.

 

 

Alvorens Hans Coumans zich volledig zou toeleggen op de ware schilderkunst, of zoals hij dat verwoordde "het echte schilderen", ging hij 'lange' tijd - in verhouding tot zijn relatief korte leven van 43 jaar - door het leven als een (artistieke) vrijbuiter. Lange tijd zou de ware levenskunst op de voorgrond staan, vooraleer hij zich zou wagen aan de ware schilderkunst. In zijn schilderscarrière zou het vrije werk dan ook 'lange' tijd overschaduwd zijn door het commerciële werk, totdat hij zijn jeugdliefde na 20 jaar opnieuw ontmoette, en de liefde voor haar betekende een belangrijk keerpunt voor zijn leven en zijn schilderkunst.
Johannes Jozef (Hans) Coumans werd op 16 maart 1943 als vijfde telg uit een doorsnee mijnwerksersfamilie geboren in de Grachtstraat aan de voet van de groene Sousberg in het lommerrijke kerkdorp Schin op Geul. Het zou niet lang duren voordat duidelijk werd, dat Hans Coumans als onconventioneel figuur door het leven zou gaan. Al op vierjarige leeftijd vertoonde hij een opmerkelijke aanleg voor tekenen, waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar diverse tekenwedstrijden won van onder meer de Staatsmijnen en later de verffabrikant Talens, maar net zo vaak werd gediskwalificeerd, omdat de jury de inzendingen niet van een kind achtte - dit tot grote woede van datzelfde kind. Rond zijn 8e levensjaar leek het definitief beklonken zodra hij in vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigde, terwijl zijn ouders, die niets met kunst hadden geen idee hadden wat ze ermee moesten aanvangen en dorpelingen enkel hun schouders geamuseerd ophaalden. Hij zou gaan studeren aan de kunstacademie in de grote stad en het tot die tijd rustig aan kunnen doen, was zijn voornemen. Op school voorzag de jonge creatieveling dikwijls het hele schoolbord van striptekeningen voorafgaand aan de les en nam hij steevast het voortouw zodra het vak Handvaardigheid aan bod kwam. Het hoofd van de basisschool, zelf gepassioneerd amateurschilder, zag al vroeg het talent en moedigde de ouders aan om dit verder te ontwikkelen, maar ondanks zijn persoonlijke inspanning om Hans Coumans direct na de basisschool op de kunstacademie toegelaten te krijgen, had hij allesbehalve een hoge pet op van de kindschilder, daar deze allesbehalve ontvankelijk was voor de goedbedoelde adviezen en er zelfs lijnrecht tegenin ging. Zodra de ambitie zich in de buurtgemeenschap verspreidde, stelden de overburen hun schuur naast hun boerderij ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiele' atelier betrok en vanaf dat moment volop experimenteerde met aquarelverf, olieverfschilderijen en mergelsculpturen. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, bezorgde hem gratis papier en tekenmateriaal en bracht hem de beginselen van het perspectieftekenen bij. Niemand had in die tijd kunnen vermoeden, dat zijn jongere schoonzus, een telg uit een gegoede hotelfamilie uit Valkenburg aan de Geul, die gedurende de drukke vakantieperiodes geregeld bij de familie Coumans verbleef, met de bezwerende woorden, dat zij en Hans Coumans ooit in het huwelijksbootje zouden stappen, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zou zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.
De rusteloze vrije geest, die zich kort na zijn artistieke aanleg openbaarde ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een onzeker, ongebonden kunstenaarsbestaan. Het onbegrip en de bezorgdheid van zijn ouders omtrent het kunstenaarsschap - kunst bracht geen brood op de plank, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - maar ook de onenigheid over een (in die tijd gebruikelijke) financiële bijdrage van de kinderen aan het huishouden leidde spoedig tot verzet en toenemende explosieve conflicten binnen de familie. Ondanks de andere kinderen in de familie Coumans al vroeg in de weer waren met allerlei baantjes, had de jonge Hans Coumans werken zeker nog niet uitgevonden en weigerde hij zich te conformeren. Liever struinde hij door de natuur waar hij doordrongen geraakte van de grootsheid van het leven en richtte hij zich op de kunst van het levensgenieten: "ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb...". In zijn vroege tienerjaren, na het behalen van zijn diploma in 1960 tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen, waar hij (op dat moment nog te jong voor de kunstacademie) volgens eigen zegge "... vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan had...", zou hij zich afzetten tegen het ouderlijke gezag en het (in zijn ogen) al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om gevolglijk 'de wijdte' te verkiezen en solistisch de wereld in te trekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. De jonge rebel liep aanvankelijk nog kortstondig maar veelvuldig van huis om vervolgens onverwacht weer aan de deur te staan, maar gaandeweg liet hij zich gelden door lange afwezigheid: dan pakte hij zijn buidel en dan was hij 'er weer eens vandoor', zoals dat werd rondgesproken in het dorp. Gedurende diverse langdurige clandestiene solistische zwerftochten tussen zijn 15e en 19e levensjaar door diverse landen - Duitsland (Laurensberg onder de studenten van de Akense universiteit; Heidelberg; Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs), Spanje - met zelden meer dan 2,5 Gulden op zak in het op dat moment nog gesloten Europa leerde de vagebond de kunst van het (over)leven via allerlei baantjes (o.a. decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser, knecht op een rondreizende kermis) en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen. De enige trouwe metgezel was zijn tekenblok, waarin de vagebond-schilder onderwerpen vastlegde die hem onderweg intrigeerde, maar ook ideeën en gedachten van religieuze en wereldbeschouwelijke aard. Gedurende deze langdurige reizen hadden zijn ouders tot groot verdriet dikwijls geen idee waar hun zoon zich ophield. Meermaals werden zoekacties georganiseerd en na een tip zelfs Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na een afwezigheid van ruim een half jaar in het Schwarzwald opspoorde en hem huiswaards stuurde. Tussendoor, in 1961, vergezelde de jonge Hans Coumans het beroemde internationale circus Tony Boltini als olifantendompteur en rekwisiteur - Tony Boltiny was een klant van Klants Zoo Valkenburg, die dompteurs en dieren aan internationale circusgezelschappen verhuurde - een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland, totdat ook de circuspiste hem te zeer benauwde - het circusleven was zwaar - en hij wederom zijn vrijheid opzocht. Op de momenten dat hij bij zijn ouders verbleef en hij niet als boerenknecht op het land of als huisschilder-vrijbuiter her en der aan het werk was, struinde hij met zijn schildersattributen door de omgeving van Schin op Geul om en plein air te schilderen, wat tot belangstelling leidde. Plaatselijke bekendheid zorgde gaandeweg voor opdrachten voor natuurmotieven, portretten en decoratieve wandschilderingen (natuurmotieven) bij particulieren en enkele établissementen in het dorp. Al vroeg in het leven van Hans Coumans tekende zich een opvallend emotionele betrokkenheid en interesse in de wereld af, die vermoedelijk nog eens werd versterkt door zijn persoonlijke ervaringen en wat hij van de wereld had gezien gedurende zijn reizen. Die betrokkenheid uitte zich in diverse religiekritische en maatschappijkritische werken (waaruit blijkt dat hij kennis had van literatuur over de Verlichting en het Humanisme), die veelvuldig uit pure woede en frustratie over al het onrecht in de achtertuin van zijn ouders in rook opgingen.
De militaire dienstplicht, gestationeerd in de barakken van de Willem II kazerne in Amersfoort, maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden, maar al gauw bleek de jonge schilder, die geen enkele autoriteit erkende en als pacifist pertinent weigerde een wapen ter hand te nemen om te schieten - pas op: hij was geen dienstweigeraar en deed aan alles mee, behalve aan schieten: "schieten verrek ik!!" - enkel geschikt om de officieren alsook hun kinderen te portretteren, totdat de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening plotsklaps een ongeluk kreeg en hij na een verblijf in het ziekenhuis in Utrecht vanwege een verbrijzelde voet van defensie na een officieuze deal (dat hij het letsel niet ten tijde van zijn diensttijd had opgelopen) vroegtijdig 'glansrijk' mocht afzwaaien.
Na de tucht van het leger, eenmaal terug in het Geuldal, trok hij weer in bij zijn ouders, die inmiddels overtuigd van het talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken lieten verbouwen tot atelierruimte. Toch zouden na aanvankelijke rust de emoties spoedig weer hoog oplopen totdat de situatie wederom onhoudbaar werd en zij hun zoon definitief de deur wezen. Vanaf dat moment verkaste de jonge vagebond, de pauperschilder met enkel 3 penselen op zak, van het ene naar het andere adres, soms leegstaande kamers in hotels, soms op een zolder boven een kroeg of bij een boer op de Keutenberg in Schin en via een kennis van zijn oudere zus een tijd lang in Oud-Genhei, en verrekende hij bij gebrek aan geld kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Anderzijds had hij behalve een slaapplaats niet veel nodig, aangezien hij door zijn charisma door de mensen werd omarmd en hij in de plaatselijke kroegen en restaurants dikwijls een warme maaltijd aangeboden kreeg. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, mocht hij zijn werk ophangen in de kroegen en etalages van winkels en struinde hij de vele Zuid-Limburgse kroegen, de wekelijkse markten en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld een typisch Heuvellandtafereel op de kop konden tikken. In pension 't Hoonderhöfke in Schoonbron, waar Hans Coumans gedurende de winterperiode van 1964 en 1965 af en aan verbleef, en later in het restaurant van Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, waar hij veelvuldig in de omgeving werkte, mocht hij zijn eerste serieuze exposities organiseren. Vervolgens zou het restaurant geregeld volhangen met zijn werk.
In 1965 verruilde de jonge aspirant-schilder het Geuldal met de Maasoever en mocht hij, inmiddels oud genoeg, toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans erg aanspraak, stuitte de harde hand van de academische scholing - de ijzeren discipline en de technische aard van de academische opleiding conflicteerde diametraal met zijn emotionele, intuïtieve wijze van werken - de aspirant vrije kunstschilder zo zeer tegen de borst, waardoor hij het na een aantal verhitte discussies al binnen een paar weken voor gezien hield en de academie vroegtijdig verliet. De academische werken waren wellicht vanuit technisch oogpunt perfect, concludeerde hij, maar de werken leefden niet. En dat was nou juist de essentie: "een schilderij moet leven!!", was hij stellig. De techniek ondermijnde het gevoel, de emotie, waardoor het afgebeeldene levenloos verscheen. Te eigenzinnig voor de academie en vol vertrouwen over zijn eigen kunnen, richtte de jonge schilder zich zoals voorheen eigenhandig op de vrije schilderkunst en de al even vrije kunst van het leven. Enige tijd stortte hij zich in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Met mede-aspirant-schilders volgden vele nachtelijke discussies over kunst en het kunstenaarsschap en dat kunstenaars volgens de algemene opvatting 'parasieten van de samenleving' waren. Om het tegendeel te bewijzen (dat de kunstenaar beslist zijn eigen kost kon verdienen) besloot hij samen met een academie-kameraad tot een 3 maanden durende trektocht door de Eifel met enkel tien Gulden als inleggeld voor noodgevallen, die gedurende de winter van 1965-1966 plaatsvond, waarbij het opvallende tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen goed geld verdiende - dit werd overigens net weer zo goed ter plekke gespendeerd - en bij terugkomst bleek, dat de reis ieder zelfs enkele honderden Guldens had opgeleverd. In het voorjaar van 1966 trok Hans Coumans enige maanden naar Haarlem en Amsterdam - in Amsterdam als in tal van andere grote Europese steden halverwege de jaren 60 gebeurde het op het gebied van kunst en democratie - om zich te begeven onder de studenten van de Rietveld Academie en kort daarna aan te sluiten bij het geweldloze, ludieke studentenprotest van de recentelijk opgerichte anarchistische Provo-beweging gericht tegen de gevestigde autoriteit - andere thema's waren ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - echter, de rellen en gewelddadigheden in de hoofdstad deden de schilder al weer spoedig terugkeren naar het gemoedelijkere zuiden. Terug in Zuid-Limburg vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder in Valkenburg, waar hij zich intensief bezighield met een bruisende schilderkunst en een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Ofschoon hij zich na de academie eigenhandig plein air verder bekwaamde in de landschapskunst, ontplooide hij zich hier in het toeristische Geulstadje aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als sneltekenaar van houtkool portretten (in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën, evenementen en weekmarkten) en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e waardering voor kreeg - en vond hij de weg naar de decoratieve kunst in de plaatselijke établissementen en openbare gelegenheden. Hij ontdekte een nichemarkt voor grote thematische wandschilderingen veelal van het landschap van het Heuvelland, wat zijn specialisme werd. Binnen afzienbare tijd was hij een plaatselijke bekendheid, verkreeg hij opdracht naar opdracht en hingen er gaandeweg tientallen decoratieve werken in de kroegen van Valkenburg en omstreken en zou hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders, opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Roermond tot Vaals. Op advies van de plaatselijke verfhandelaar, die zag dat Hans Coumans zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij de in Valkenburg woonachtig landelijk bekende beeldend kunstenaar Charles Eyck. Hoewel de verfhandelaar Hans Coumans diverse malen met klem aanspoorde om deze keer vol te houden, bleek het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als op de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten - beginnende leerlingen mochten enkel basiswerkzaamheden verrichten, "... wat lijntjes trekken..." en penselen schoonmaken - en hij, nadat hij bij afwezigheid van zijn leermeester de schilderijen naar eigen inzicht vervolmaakte, zonder pardon de laan werd uitgestuurd. Achteraf gaf Hans Coumans ruiterlijk toe het nodige te hebben opgestoken op het gebied van kleurgebruik en verftechnieken, hoewel hij kritiek had op de tekenachtige manier van schilderen, of zoals hij dat zelf verwoordde “Eyck was een goede tekenaar die zijn tekening vervolgens inkleurde, maar dat heeft weinig met schilderen te maken.”. Daarentegen vond Charles Eyck de werken van zijn leerling vaak te druk en te rommelig: deze miste een krachtig en eenduidig thema, dat het advies was om er soms maar gewoon een stuk af te snijden. Ondanks de verschillende opvattingen over kunst onderhielden Hans Coumans en Charles Eyck blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten en niet in de laatste plaats in de plaatselijke kroegen. Een paar jaar later, in het voorjaar van 1969, vergezelde Hans Coumans enkele stadsgenoten naar de Spaanse Costa's - dit was voor de schilder een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg - waar hij spoedig naam maakte als Pintor Holandes en hij naast zijn activiteiten als en plein air sneltekenaar-schilder diverse reclamewerken en decoratieve werken in de horecagelegenheden realiseerde, maar na ruim een half jaar, na een niet uitbetaalde opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, berooid maar niet zonder dat hij het omvangrijke werk waar hij enkele weken mee bezig was geweest met enkele stadsgenoten midden in de nacht met witte verf had overgeschilderd, deels te voet deels liftend terugkeerde naar het Heuvelland.
Aan het einde van de jaren 60 was de markante Hans Coumans door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn charismatische persoonlijkheid uitgegroeid tot een populair cultfiguur, een volkse schilder, zelfs een toeristische attractie à la Montmartre en inspirator voor andere schilders in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg. Hij had de reputatie van een Bourgondiër, een schilder met veel dorst, die op zoek naar inspiratie - "inspiratie komt niet alleen van de Herrgot maar tevens uit onze brouwerijen!" - het aanlokkelijke bruisende sociale leven opzocht en als een theaterman de show steelde in de plaatselijke kroegen - pas op: hij ging nooit aan de bar zitten, altijd aan de stamtafel. Legendarisch waren de vele taferelen van de verlate schildersuitrusting in het centrum van Valkenburg of ergens aan de oevers van de Geul compleet voorzien van een schilderij en de vermelding "de schilder is effe weg!", terwijl de uitrusting daar soms dagenlang onbewaakt stond en de schilder al die tijd in geen velden of wegen te bekennen was.
Ofschoon het gemakkelijke geld (van die commerciële projecten) en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefende, hield dit de vrije schilder evenwel lange tijd gevangen en weerhield het hem om zich daadwerkelijk te richten op datgene waar zijn hart lag, namelijk de vrije kunst. In tegenstelling tot zijn reputatie was deze vrije schilder allesbehalve volledig vrij, besefte hij maar al te goed. Het zelfpredikaat 'schilder van het volk' was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, puur uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapot ging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Maar hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken, bleef de natuurmens Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en aan de natuur van het Heuvelland. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans "... met zijn talenten in die slurf is blijven hangen..." en niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij zijn vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Maar Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Heuvelland oefende een blijvende aantrekkingskracht op hem uit, en dit motief zou blijvend behoren tot zijn geliefde onderwerp blijven, waaraan hij zijn schilderscarriere (grotendeels) wijdde.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de non-comformist dit telkens als bemoeizucht. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus, die hij al 20 jaar niet meer had gezien - zij was door haar 2 tantes naar hem toe gestuurd voor de opdracht van een portret voor haar ouders - en met wie hij na een hartstochtelijke liefdesrelatie een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk trad en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrok. Zijn vrouw gaf hem niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Wie wilde hij nou werkelijk zijn, de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en betrekkelijke rust die zijn vrouw hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn kunnen, bewoog de schilder uiteindelijk om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker toen de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitbleven en zij hem dreigde te verlaten, moest hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en zijn productie zien te vergroten, op een of andere manier nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment is de schilder dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden veelal richtte op stillevens stillevens en de (olieverf) portretkunst. Daarnaast gaf hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, op weekmarkten, fancy-fairs, allerlei thematische (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel zou uitmaken van zijn kunstenaarsschap en inkomstenbron.
Na een moeizame financiële en emotionele periode die volgde, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten bracht en de schilder nog steeds concessies moest doen, trok Hans Coumans met zijn gezin in de zomer van 1974 een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, even weg uit Valkenburg, in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseerde de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden, die de schilder wilde helpen om publiciteit te genereren, een derde grote expositie.
Terwijl na de korte intermezzo de zaken gaandeweg beter gingen en de verbouwing (vergroting) van zijn atelier ook positieve invloed had op zijn productie, ervoer de schilder een toenemende onvrede over de gang van zaken in Valkenburg. Niet alleen stuitte de vernieuwingsdrang van Valkenburg, die vanaf de jaren 70 plaatsvond, waardoor de unieke identiteit van het mergelstadje als gevolg van de afbraak van karakteristieke monumentale historische panden en tezelfdertijd de bouw van grootschalige anonieme nieuwbouw dreigde verloren te gaan, de schilder tegen de borst, ook ondervond de schilder en zijn prille gezin toenemende overlast van het massatoerisme dat recentelijk zijn intrede had gedaan. Toen gesprekken en een verbouwing aan zijn huis niets opleverde, restte de schilder niets anders dan zijn eens zo geliefde Valkenburg in 1976 te verruilen met het forenzendorp Nuth, waar het gezin via een bevriende kastelein-projectontwikkelaar tijdelijk antikraak intrek nam in het voormalige Groene Kruisgebouw, een bijgebouw van het voormalige imposante nonnenklooster (op dat moment een AZC), dat binnen afzienbare tijd afgebroken en herontwikkeld zou gaan worden. Ondanks de aanvankelijke rust en de grip op de financiën, wat overigens ook hij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef, kwam de schilder al gauw als gevolg van een sociaal isolement - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst had, en zodoende niet beschikte over een rijbewijs, ging hij veelal te voet of kon hij rekenen op kennissen en opdrachtgevers die hem brachten en ophaalden - en dit maal drugsoverlast van het naastgelegen AZC gevolgd door een aanslag (een gericht schietincident op zijn huis) waardoor het gezin gedurende 3 maanden moest onderduiken op diverse adressen in Mechelen, Slenaken en Hoensbroek, medio 1979 in een hevige depressie geraakte welke vervolgens ruim een jaar zou duren. Er waren periodes dat de schilder enkel op de bank lag. Eenmaal terug in Nuth zou het kunstenaarsgezin hier vanwege de aanstaande herontwikkelingsplannen van het voormalige kloosterterrein nog maar kort verblijven en was het gezin gedwongen om hun heil elders te zoeken.
Uiteindelijk zou het kunstenaarsgezin zich in de zomer van 1981 vestigen in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de theaterman-schilder via een bevriende makelaar het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankocht (deels met de hulp van de tante van de kunstenaarsvrouw, die hier haar oude dag zou doorbrengen) en waar hij na een grootscheepse verbouwing tot atelier-galeriewoning onverwacht in een bloeiperiode terecht kwam. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt was, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op zijn schilderkunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt. En die trend zou zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving vond de schilder eindelijk de langgekoesterde geestelijke rust, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst.
Vanaf het begin van de jaren 80 genoot Hans Coumans met zijn schilderkunst, het zogeheten Coumansisme zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdde zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre en deed geen enkele concessie meer. In de provincie genoot hij inmiddels toenemende naamsbekendheid als respectabele kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. In al die jaren was er groep van liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankocht. Als gevolg hiervan ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder wees hij af, aangezien de activist-schilder immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelde Hans Coumans op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage, van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici. Met een wisselend internationaal gezelschap van leerlingen toerde hij wekelijks door Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder bezocht hij door heel Limburg tot aan Nijmegen toe braderieën, markten en andere (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren. Na een aantal opdrachten in Spanje trok Hans Coumans vanaf 1983 weer vaker naar Valkenburg en omstreken, waar hij als vanouds de markante plekken schilderde en hij weer volop in de belangstelling stond. Een semester lang was hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildervak (de ambachtelijkheid van het schilderen) bij te brengen. Na een buitengewone productieve periode vond begin 1984 op initiatief en met de hulp van wederom de plaatselijke amateurschilder-timmermaneen een succesvolle expositie in Kasteel 'Doonder' in Doenrade plaats, gevolgd door een tweede expositie in de zomer van datzelfde jaar in het kasteel, dit maal georganiseerd door de Onderbankse wethouder.
Na deze succesvolle periode werd de schilder eind 1984 opeens ernstig ziek door levercirrose, het gevolg van een leven lang over-enthousiast alcoholgebruik. Toch gaf de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zou hij na een kort ziektebed in het ziekenhuis in Brunssum, gevolgd door een moeizaam herstelperiode - hij was gehouden aan een streng vet-arm, alcohol-arm dieet - van nagenoeg een jaar eind 1985, wederom met de hulp van de Onderbankse wethouder, een volgende expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, welk zijn vijfde en meest succesvolle expositie tot dan toe werd.
Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie populariteit genoot, kreeg hij destijds vanuit de officiële kunstwereld niet de erkenning, die hij gezien zijn artistieke verdiensten volgens zijn mening verdiende. In de periode na de oorlog werd de kunstwereld gedomineerd door de abstracte/conceptuele kunst, die alle eerdere kunststromingen dood had verklaard, en ondanks dat Hans Coumans pleitte voor volledige vrijheid in de kunsten, werd hij vooral volledig genegeerd door de kunstwereld en de media. Nooit is zijn werk aan een kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de serieuze kunstbladen.
Met een zesde expositie in voorbereiding een jaar later, overleed Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder was op weg naar Malden om de winnaars en deelnemers van de jaarlijkse bosloop te portretteren. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, was hem noodlottig geworden. De sneltekenaar-schilder werd 43 jaar, hij liet een vrouw en vier kinderen na en realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.


 

Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie populariteit genoot, kreeg hij destijds vanuit de officiële kunstwereld niet de erkenning, die hij gezien zijn artistieke verdiensten meende te verdienen. Gedurende een schilderscarriere van zo'n 25 jaar had hij zich toegelegd op het ontwikkelen van het meesterschap en eindelijk een niveau bereikt, waarvan hij vond dat hij kon zeggen dat hij het schilderen 'toch wel in zijn vingers had' - "nu mag het wat mij betreft echt gaan beginnen!" - echter, omdat hij als een van weinige schilders van dat moment buiten de mainstream om werkte, bleek er weinig interesse vanuit de mainstream in zijn schilderkunst. En in de periode vóórafgaand aan het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) werd de kunstfilosofie nog bepaald door het geloof in een éénduidige kunstopvatting, welk leidend was voor kunstenaars en allesbepalend voor de vraag wat kunst is en wat niet - de mainstream betwijfelen, betekende automatisch exclusie. Omdat Hans Coumans zich niet liet leiden door trends of modegrillen en in zijn eigen stijl bleef schilderen, werd hij door de 'officiële' kunstwereld volledig genegeerd en toonde de gevestigde vakliteratuur en de deskundigen - "wie dat ook mogen zijn in de kunst..." en "zij, die zelf nog nooit een penseel hebben opgepakt... dus wat weten zij van schilderen?" aldus de schilder - geen interesse in zijn (figuratieve) werk. En om in de kunstwereld en onder het grote publiek gezien te worden, was de gevestigde vakliteratuur een krachtig zo niet crusiaal medium. Zeker in de periode voorafgaand aan het informatietijdperk hadden de enkele kunstcritici grote autoriteit en de gevestigde kunstbladen grote invloed in de kunstwereld. Naast zijn eigenzinnige, koppige schilderhouding, speelde beslist het vroegtijdige overlijden van Hans Coumans op 43 jarige leeftijd ook een rol: hij had gewoonweg te weinig tijd, in vergelijking met Charles Eyck, die 86 jaar werd. Daarnaast ging de schilder zich pas na zijn huwelijk, zo rond zijn 28e levensjaar, volledig richten op 'het echte schilderen', terwijl hij voor die tijd lange tijd een artistiek vrijbuiterleven leidde en hij door het commerciële werk niet toekwam aan zijn vrije werk, en waardoor hij door velen niet als serieuze schilder gezien werd. Tevens ontbrak het hem aan een academische scholing, en hoewel een weloverwogen keuze, was dit in de vorige eeuw een vereiste om binnen de academische discours aan de discussie deel te kunnen nemen. Überhaupt concentreerde de academische discours zich in die periode hoofdzakelijk in de grote Europese steden, de artistieke zwaartepunten zoals onder andere Amsterdam, Brussel en Parijs, en werd de kunst uit de provincie behoudens enkele gevestigde uitzonderingen niet serieus genomen. Dat was zogezegd 'iets lokaals' en kon dus niet veel voorstellen. Slechts een enkele Limburgse schilder, waaronder Charles Eyck als ook een groep van schilders waaronder Guillaume Stassen, Lei Molin, Pieter Defesche, Giel Serpenti die de zuidelijke provincie ontvluchtte en zich in de hoofdstad onder de naam De Amsterdamse Limburgers aansloten bij de moderne kunst, wist zijn naam boven de rivieren te vestigen.
In de periode na de oorlog werd de kunstwereld gedomineerd door de abstracte/conceptuele kunst. Dit was op dat moment de absolute norm, dat volledig werd omarmd en alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard. In de Postmodernistische tijd na de Tweede Wereldoorlog kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd kunst hergedefinieerd. Er werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek. De postmodernisten geloofden dat de vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij. Toonaangevende kunst was vernieuwend en onvoorspelbaar: het moest ontwrichten, in de war sturen en zo kritische vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Het kunstwerk was (nog slechts) een idee, daad of interventie. Het experimenteren en het creëren van abstracte verbeeldingen van de echte werkelijkheid stond voorop. De theorie werd belangrijker dan het beeld. Alles moest anders, opdat vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde het esthetische impressionistische Coumansisme tot een eerder hoofdstuk uit de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans, van de andere kant, had duidelijk andere opvattingen over kunst. En de 'officiële kunstwereld', daar had hij al helemaal geen goed woord voor over. "Een arrogante elitebende was het, die voor de ander bepaalde wat kunst is. Maar wie bepaald dat nou, wat kunst is...?". De schilder achtte de belofte, dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden, de reinste flauwekul en een arrogante gedachte. Volgens hem had de mens zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme en het contact met het echte leven (de natuur) verloren. In tegenstelling tot ontwrichten en vragen stellen, wilde Hans Coumans de mensen laten "kijken, kijken!" en bewust maken van de grootsheid en unieke pracht van de natuur (de aarde), zodat de mensen weer meer waardering krijgen en meer in harmonie zouden gaan leven met de natuur. Gedurende zijn gehele schilderscarrière was de natuur dan ook zijn geliefde onderwerp en lag zijn interesse in het ontwikkelen van het meesterschap, dus het pure (ongekunstelde) schilderen. De recente kunststromingen aanschouwde hij dan ook als een teloorgang van het ware meesterschap. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch. Choqueren om het choqueren, pure (persoonlijke) aandachttrekkerij, meer niet: "... kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, Hans Coumans verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen - want dan zat je immers altijd veilig - van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling, een financiële compensatieregeling voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg, stelde hij dat veel beginnende kunstenaars veelal zitten te kliederen in hun atelier: "... veel (beginnende) kunstenaars verstikken in hun eigen theorieën en produceren uiteindelijk helemaal niets...". Hans Coumans was er van overtuigd dat de kunstenaar volledig vrij en onafhankelijk diende te zijn en dat deze de (maatschappelijke) rol toebedeeld had gekregen om vanuit die positie de wereld te beschouwen en (onafhankelijk) kritiek te leveren. Vanuit die perceptie was het voor hem dan ook volkomen onbegrijpelijk dat vele kunstenaars zich volgzaam gedroegen en niet vrij waren om het werk te maken wat zij zelf wilde (oftewel wat werd opgelegd door het gemeenschappelijke gedachtegoed). En dat terwijl de wereld volgens Hans Coumans vele malen rijker (mooier) zou zijn als iedereen zijn of haar talent ten volle zou benutten, of zoals hij zei: "Het zijn in de geschiedenis juist de freaks, die afwijken van wat zogenaamd hoort en zou moeten, die zich nergens wat van aan trekken en in alles hun eigen gang gaan, die grootse en nieuwe dingen tot stand brengen...".
Het solistische verweer tegen de hegemonie in de kunsten en het pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten - het Coumansisme was in feite niets anders dan een 'anti-isme' van ironische aard - vond op dat moment in de kunstwereld geen weerklank. Toch gingen vanaf de jaren '80 ook andere kunstschilders in Europa en de Verenigde Staten weer figuratief c.q. impressionistisch schilderen en kwam de figuratieve c.q. impressionistische kunst gaandeweg weer in de gratie. Uiteindelijk zou de conceptuele kunst zich onder invloed van het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) van een uniforme stroming verder ontwikkelen tot een brede en pluriforme stroming aan het begin van de 21e eeuw, waarbinnen de eerdere kunststromingen vanuit het experiment of het onderzoek in een of andere gedaante gaandeweg een plek vonden of via kruisbestuiving zelfs leidden tot geheel nieuwe (digitale) kunstvormen. De conceptuele kunst in het digitale tijdperk genereerde uiteindelijk de volledige vrijheid in de kunsten, zoals Hans Coumans eerder had bepleit. 'Alles is kunst' was nu de traditie, wat gevolglijk betekende dat kunstkritiek enkel kon plaatsvinden op individueel niveau en niet (meer) afhankelijk was van generieke maatstaven. Op dat moment zouden de figuratieve kunststromingen weer volledig worden geherwaardeerd in de officiële kunstwereld en kwam er ook weer aandacht voor contemporaine impressionistische schilders en is het impressionisme heden ten dage populairder dan ooit.

 

 

Met verschijnen van het oeuvreboek 'Hans Coumans, de man van de heuvels' wil Stichting Hans Coumans de markante, vrijgevochten Zuid-Limburgse kunstschilder wederom onder de aandacht brengen en zijn indrukwekkende oeuvre bij een groter publiek bekend maken.
Hans Coumans was een bohémien, een artistieke vrijbuiter en links-dwarse (rebelse) maatschappijcriticus. De populaire schilder beoefende een legendarisch bruisende Bourgondische levenskunst en een al even bruisende schildekunst - pas op: enkel als hij er echt zin in had hanteerde hij het virtuoze penseel. De hartstochtelijke, grillige schilder leefde een intens leven, wat zijn weerslag vond in een intense schilderkunst. Al vroeg in zijn leven besloot hij ondanks de straffe zuiderlijke tegenwind - in het Zuid-Limburg van de jaren 50 stond men afwijzend tegenover kunst - blijvend tot de schilderkunst en wist hij zich als artistieke vrijbuiter vrij te vechten en via allerlei omzwervingen uiteindelijk een status te verwerven als vrije en onafhankelijke, bewust selfmade kunstschilder, die leefde van zijn werk. Uit eergevoel had hij zich gecommitteerd aan het volledig onafhankelijk kunstenaarsschap door pertinent overheidssubsidies (BKR-regeling) te weigeren en te schilderen voor zijn brood. Spoedig ontpopte hij zich door zijn schildertalent en charismatische persoonlijkheid tot een populaire schilder, een 'schilder van het volk', wiens toegankelijke werk gretig aftrek vond - veelvuldig gingen de schilderijen 'nat' van de hand. En ofschoon hij slechts een leeftijd van 43 jaar bereikte, bleek hij een productieve schilder en beslaat zijn artistieke nalatenschap een paar duizend werken, in ieder geval circa 1700 gedocumenteerde werken, (afgaande op diverse schattingen) oplopend tot 4000 werken.
Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie populariteit genoot en werd gezien als erkentelijk schilder, kreeg hij destijds vanuit de officiële kunstwereld geen erkenning voor zijn talent, omdat hij als een van weinige schilders van dat moment met zijn impressionistische kunst geheel in contrast werkte met de heersende traditie van de abstracte/conceptuele kunst. De mainstream abstracte/conceptuele kunst gold destijds als absolute norm en had destijds alle eerdere kunststromingen dood verklaard, en ondanks dat Hans Coumans pleitte voor volledige vrijheid in de kunsten - met zijn impressionistisch Coumansisme ageerde hij fel tegen de arrogantie van de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment - werd hij volledig genegeerd door de 'officiële' kunstwereld en is zijn werk nooit aan een serieuze kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de gevestigde kunstbladen. Hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken en zich aansloten bij de mainstream abstracte kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven als aan de natuur van het Heuvelland. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans met zijn schildertalent in 'die slurf' was blijven hangen en dat hij niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij bij de juiste mensen zijn vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Ook Charles Eyck had een keer laten vallen dat hij "een grote schilder" had kunnen worden, als hij nou maar eens de goedbedoelde adviezen van anderen ter harte zou nemen. Maar Hans Coumans trok zijn eigen plan en bleef voor altijd de hartstochtelijke provinciaal. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Zuid-Limburgse Heuvelland zou altijd zijn geliefd onderwerp blijven, waaraan hij zijn schilderscarriere (grotendeels) wijdde.
De keerzijde van het volledig financieel onafhankelijk kunstenaarsschap was, dit in tegenstelling tot veel andere kunstschilders die gebruik maakte van overheidstoelages, dat de vrije schilder althans zoals hij zichzelf afficheerde lange tijd allesbehalve volledig vrij was, omdat het vrijbuitersschap de vrije serieuze schilderkunst lange tijd in de weg zat. Lange tijd was hij gebonden aan financieel aantrekkelijke en gemakkelijke quasi-artistieke decoratieve projecten, waardoor het commerciële werk zijn gewaardeerde vrije werk lange tijd overschaduwde. Het gevolg hiervan is, dat een deel van zijn oeuvre ofschoon aardig geschilderd in artistieke zin minder interessant is. Er zijn schilderijen van een twijfelachtige artistieke kwaliteit, omdat de schilder concessies moest doen - "ik kan maar voor 10% laten zien wat ik kan.."verzuchte de schilder een tijd lang - druk ervoer van de opdrachtgevers, of omdat hij een periode leed aan depressie of gewoonweg geen 'zondagse dag' had. Hij was zich bewust dat hij geregeld de nodige kitsch moest vervaardigen, aangezien hij nooit en te nimmer aanspraak wilde doen op een overheidstoelage. Toch kent zijn artistieke oeuvre als gevolg van de omvangrijkheid een groot aantal werken waaruit een getalenteerd schilder blijkt. Naast de knap vervaardigde portretten zijn het vooral de natuurmotieven van het Heuvelland - zijn persoonlijke oeuvre - die een werkelijke bezieling en een virtuoze kunstschilder laten zien, die het penseel meester is. Deze natuurmotieven excelleren in een onderscheidende elegantie en getuigen van een hartstochtelijke liefde voor de natuur (het leven). De 'levendige' taferelen van het Heuvelland zijn als een daad van intense verwondering, waarmee hij op een bijzonder intense wijze een glimp van de ziel (van de plek) tracht te onthullen en hij ons als toeschouwer de intrinsieke schoonheid van het Zuid-Limburgse landschap en daarmee de bijzonderheid en de grootsheid van "ut leve" wil tonen.
Het artistieke oeuvre van kunstschilder Hans Coumans kent vanwege de natuurmotieven, stadsgezichten, stillevens, (snel)portretten en daarnaast de decoratieve en maatschappij-kritische werken een breed karakter, waarmee hij de tijdgeest vanaf het begin van de jaren 60 tot en met halverwege de jaren 80 op boeiende wijze portretteert en vastlegt voor volgende generaties. In een periode in de kunstgeschiedenis na de oorlog waarin alles collectief anders moest aldus de mainstream abstracte/conceptuele kunst (van dat moment) en uiteindelijk velen (stylistisch) 'hetzelfde' deden, onderscheidde de impressionistische kunst, het Coumansisme, van Hans Coumans zich duidelijk. Hans Coumans nam net als vele modernisten een kritische maatschappelijke rol aan, maar in tegenstelling tot de modernisten, die ontwrichtten en verwarren, liet Hans Coumans een indringende kijk op "ut leve" (de natuur) en de wereld zien, die aanzette tot 'kijken' en tot bewustwording van de bijzonderheid van het leven. Hoewel Hans Coumans destijds weinig succesvol het figuratieve Coumansisme als antidogma poneerde, waarmee hij de hegemonie van de non-figuratieve mainstream abstracte/conceptuele kunst - feitelijke de arrogantie - op humoristische wijze bekritiseerde en pleitte voor de broodnodige totale vrijheid in de kunsten, zou die vrijheid zich uiteindelijk toch twee decennia na zijn dood vanaf de intrede van het informatietijdperk (onderzoekstijdperk) gaandeweg aandienen. Al met al maakt, dat het artistieke oeuvre van Hans Coumans vanuit culuurhistorisch perspectief van unieke waarde is en relevant voor de Limburgse kunst van de tweede helft van de 20e eeuw.

Het oeuvreboek 'Hans Coumans, man van de heuvels' is door de vele paginavullende foto's van de schilderijen, aangevuld met fotomateriaal en anekdotes een bijzonder kleurrijk geheel, welk een waardevolle aanvulling vormt op de literatuur over de Limburgse kunst van de 20e eeuw. De prijs van een 256 pagina's tellend offset gedrukt exemplaar bedraagt €39,-.

 

 

 

Participanten

 

Onderzoek oeuvre: Serge, Jarosj, Carmen en Christine Coumans
Samenstelling, auteur en vormgeving boek: Serge Coumans, Eindhoven
Mede-auteur: Emile Ceelen, Valkenburg
Beschouwing oeuvre: Peter en Martine Driessen, Maastricht
Documentatie oeuvre: Museum Land van Valkenburg
Fotografie werken: Robin Heemstra, Eindhoven
Eindredactie: Daniëlle Puts, Eindhoven

Wilt u op de hoogte blijven van de ontwikkelingen rondom het boek-project, raadpleeg de website dan regelmatig. Indien u alvast (vrijblijvend en kostenloos) een exemplaar wilt reserveren, dan kunt u een bericht sturen naar het email-adres op de contactpagina. U wordt dan opgenomen in de mailinglijst van Stichting Hans Coumans en ontvangt ruim voorafgaand aan de boekpresentatie automatisch een invitatie.

Overigens is de stichting nog steeds op zoek naar werk, wetenswaardigheden en/of anekdotes die mogelijk interessant kunnen zijn voor het boek. Mocht u in bezit zijn van werk of informatie voor ons hebben, neem dan contact met ons op via de gegevens op de contactpagina.

 

 

© 2019 Hans Coumans, man van de heuvels