HANS COUMANS
man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Man van de heuvels
biografie

Kunstschilder Johannes Jozef (Hans) Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Ondanks dat hij van jongs af aan door rusteloosheid gedreven op zoek naar vrijheid de wijde wereld in trok, bleef hij terugkeren naar zijn geliefde Heuvelland om hier, eenmaal verlost van de grip van de maatschappelijke orde, in alle rust te schilderen.

Hans Coumans werd in de Tweede Wereldoorlog op 19 maart 1943 geboren als vijfde telg uit een doorsnee gezin in de Grachtstraat in het lommerijke kerkdorp Strucht (Schin op Geul) in Zuid-Limburg. Ondanks dat het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul door de Reichsschuhle voor jongens in het voormalige Jezuitenklooster een Duits bolwerk was, was Strucht redelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen. In het dorp hadden zeker ingrijpende incidenten plaatsgevonden, zoals enkele aanhoudingen en deportaties naar Duitse werkkampen, maar zware oorlogshandelingen en bombardementen hadden er niet plaatsgevonden. Vlak na de oorlog was Strucht een typisch Zuid-Limburgs dorp, een tamelijk gesloten gemeenschap voornamelijk bevolkt door enerzijds agrariërs en anderzijds mijnwerkers, waar de tijd langzaam verstreek, een sober leven heerstte en hard werd gewerkt - er was honger. In het dorp golden de Roomse moraal en oude waarden, en zorgde het verenigingsleven - kerk, carnaval(verenigingen), schutterij - voor sociale cohesie. De Grachtstraat lag in een uithoek aan de voet van de Dousberg en was een mijnwerkersenclave, die ook wel de Jordaan genoemd werd vanwege de grote gezinnen die er woonden en die het niet breed hadden. Een gemiddeld gezin telde in die tijd vaak 8 kinderen - er waren ook extreme gevallen van maar liefst 17 kinderen - en de familie Coumans zat daar qua omvang met 6 kinderen niet ver vandaan. Vader des huizes was Peter Alphons (Funs) Coumans, een in Strucht geboren mijnwerker en fanatieke, overigens niet onverdienstelijk wedstrijd-duivenhouder, die geregeld prijzen in de wacht sleepte. Moeder was de ietwat 'chique mevrouw' Maria Johanna (Maria) van der Loo, de met grote toegeeflijk opgevoedde dochter van de uit Duisburg afkomstige architect Henricus van der Loo - zij was een 'stadsdame' (van buitenaf) - die zoals gebruikelijk in die tijd het huishouden voor haar rekening nam. Funs en Maria waren op 23 en 18 jarige leeftijd getrouwd en vrijwel direct aan kinderen begonnen - Maria verwachtte haar 1e kind op haar 20e. Ondanks de katholieke invloed praktiseerden zij geen streng geloof, maar genoten de kinderen wel een strenge en redelijk conservatieve opvoeding volgens de waarden en normen uit die tijd. Dankzij de professie alsook het familiegeld van Henricus van Loo en doordat Funs Coumans zich in de loop van de tijd in de staatsmijnen Emma in Hoensbroek had opgewerkt tot boven de grond en een redelijk betaalde baan genoot als planner, was het mogelijk geweest om (voordat de oorlog uitbrak) eigenhandig een vrijstaand huis te bouwen in de Grachtstraat waar het 8-koppige gezin in een gemoedelijke sfeer hun leven doorbracht en de kinderen in voorspoed opgroeiden. Afgekeerd van de doorgaande weg had de Jordaan directe verbinding met het groene achterland, waardoor het een rustig en veilig domein was voor de jeugd, die van heiden en ver kwam om hier tijd te spenderen. Ook de kinderen van de gegoede hotelfamilie Van Kempen uit Valkenburg aan de Geul vertoefden hier geregeld. Door een liefdesrelatie van de oudste dochter van de familie Coumans en oudste zoon van de hotelfamilie onderhielden beide families aan het begin van de jaren 60 een vriendschappelijke band en verbleven de andere kinderen waaronder Christine van Kempen gedurende de drukke vakantieperiodes geregeld in de Grachtstraat. Van hieruit ondernamen alle kinderen van de twee families gezamenlijk excursies in de natuur of bezochten zij attracties in de omgeving, zoals het Sprookjesbos in Valkenburg en Kasteel Schaloen in Oud-Valkeburg. Niemand kon op dat moment vermoeden dat Christine van Kempen met de herhaaldelijke woorden dat zij en haar schoonbroer Hans Coumans later ooit nog eens in het huwelijksbootje zouden treden - die laatste verkoos daarop keer op keer geschrokken het hazenpad - op een later tijdstip daadwerkelijk een beslissende rol zou gaan spelen in het leven van de toekomstige schilder.

Het zou niet lang duren voordat de ouders Coumans met de opvallende kunstzinnige aanleg van hun zoon kennismaakten, zodra vanaf zijn 4e levensjaar talloze behangrollen en de nodige houtskool bestemd voor het opwarmen van het eten in het arbeidersgezin het moesten ontgelden. Maar de tekenkunsten manifesteerden zich pas publiekelijk, wanneer hij vanaf 6-jarige leeftijd op de katholieke basisschool tekenwedstrijden won - overigens zat hij in een artistieke klas: enkele klasgenoten waaronder buurtgenoot Zef Swillems wonnen eveneens prijzen. Soms betrof de hoofdprijs een excursie met de gehele klas. Een andere keer ontving hij voor een tekenwedstrijd uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan 50.000 kinderen deelnamen de 2e prijs, een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs 600 Gulden bedroeg, omdat de jury de inzending niet van een kind achtte. Hoofd van de basisschool en zelf amateurschilder, die in het dorp erom bekend stond dat hij creativiteit belangrijk vond en dit actief stimuleerde bij zijn leerlingen - hij hielp eerder onder meer 'trots van het dorp', de bekende kunstschilder (en buurtgenoot) Guillaume Stassen, die later naar Amsterdam en Parijs trok - ontging de uitspattingen van de jonge Hans Coumans evenmin en adviseerde de ouders, die overigens niets met kunst hadden, om de creativiteit van hun kind verder te ontwikkelen. Ondanks de welgemeende intenties en diverse tekenadviesen van het hoofd van de school, was de jonge creatieveling nogal eigendunkelijk en koppig van aard - dit was een familietrek - en weinig ontvankelijk hiervoor: hij wilde het vooral zelf doen.
Rond zijn 8e levensjaar was het voor de wereld (in ieder geval Strucht) duidelijk dat zijn pad definitief was uitgestippeld. "Ik word schilder en ga de wijde wereld in...", verkondigde de jonge Hans Coumans met enige bravoure. Het is de vraag of die vrijheidsdrang geïnspireerd was op die andere schilder in de straat of dat dit het gevolg is van het feit dat hij pas laat, met 18 maanden, kon lopen en dus lange tijd gekluisterd was aan de kinderbox, wat onuitwisbare sporen moest hebben nagelaten. In ieder geval had hij het plan opgevat te gaan studeren aan de kunstacademie en tot die tijd zou hij het rustig aan kunnen doen. In de klas nam de aspirant schilder veelvuldig het voortouw zodra het vak tekenen aan bod kwam en sporadisch maakte hij vluchtige portretjes van zijn medeleerlingen. Om gehoor te geven aan het advies van het hoofd van de school stelden zijn ouders voor, ondanks dat zij niets met kunst hadden, om het kolenhok achter de keuken in het ouderlijk huis te gebruiken voor zijn creatieve uitspattingen. Maar omdat de jonge creatieveling ook wel inzag, dat zijn ouders hem eigenlijk niet begrepen en niet serieus namen op dit gebied, weigerde hij dit. Zijn ouders veronderstelden namelijk dat dit alles een soort hobby was, iets tijdelijks, maar toch zeker niet iets serieus om later van te leven. Zodra de aspiratie van de creatieveling zich rondsprak in de buurt, stelden de overburen de familie Van de Hove de schuur naast hun woonhuis ter beschikking, waar de jonge Hans Coumans op 11-jarige leeftijd zijn eerste 'officiële' atelier inrichtte. Hier experimenteerde hij met gouache en olieverf, maar hij was ook bedreven met objecten van zachte mergelsteen, dat uit de mergelgrotten in de omgeving kwam, dat hij bewerkte met keukengerei en geleend gereedschap. Plaatselijk illustrator Lei Stassen, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, was erg enthousiast geraakt en stelde gratis papier en tekenmateriaal ter beschikking en gaf af en toe uitleg over de beginselen van het perspectieftekenen. Dikwijls sloten ook enkele andere jonge kunstzinnige buurtgenoten zoals Zef Swillems zich aan. Van de productie uit deze beginperiode is niets bewaard gebleven behalve een olieverfschilderij van een boerderij met een brug uit 1953 () alsook een olieverfschilderij van een boerderij () en het woonhuis van de overburen () - dit werk maakte hij als dank voor het ter beschikking stellen van de schuur - beide uit 1954.

Het voornemen om het tot aan de academie rustig aan te doen, daarvan kwam uiteindelijk weinig terecht. Na de basisschoolperiode zouden zich weldra turbulente tijden aandienen binnen de familie Coumans. De rusteloze vrije geest ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een ongebonden kunstenaarsbestaan.
Halverwege de jaren 60 waren in het rooms-katholieke Limburg de mogelijkheden voor onderwijs na afronding van het basisonderwijs beperkt. Voor velen was een toekomst vanuit de familieachtergrond als arbeider in de mijnbouw of op de boerderij vanzelfsprekend, een kleine groep die gezegend was met goed stel hersens liet zich inwijden in het patersleven in abdij Rolduc in Kerkrade waar men gratis een exclusieve studie kon genieten, maar voor jongeren van eenvoudige komaf met dikwijls een nog onuitgesproken interesse, lag de Ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) in het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul voor de hand. Afgezien van dat hij verheugd was verlost te zijn van de katholieke basisschool die dagelijks aanving met een kwartier preek in de kerk, was discipline om te studeren voor deze onrustige, energieke creatieveling met een overdaad aan fantasie een onmogelijke opgave. En werken had hij op dat moment zeker nog niet uitgevonden. Toch leidde de keuze voor de Ulo echter al snel tot een onaangename, zelfs naargeestige tijd, zodat Hans Coumans er na twee jaar definitief een punt achter zette. In plaats van"... 't harde hout van de schoolbanken..." struinde hij liever, soms vergezeld van zijn tekenuitrusting (), dagenlang door de velden en zijn koeien in het Heuvelland, langs de oevers van de Geul of door de bossen op de Schealsberg.
Door deze houding kwam de jonge Hans Coumans al snel op gespannen voet te staan met zijn ouders. De ouders, van eenvoudige komaf, die de kinderen in hun ogen enkel het beste wilden meegeven in de opvoeding, waren nogal dwingend in de schoolkeuzes voor hun kinderen. De jongens moesten een ambacht leren om later de kost te verdienen voor hun gezin en de meisjes werden naar de huishoudschool in Heerlen gestuurd om een goede huisvrouw te worden. Het onbegrip voor wat de jonge creatieveling bezielde - want kunst bracht geen brood op de plank, was de algehele opvatting in de 60-er jaren - of wat het kunstenaarsschap inhield, leidde spoedig tot ernstige onderlinge conflicten tot gevolg, omdat de jonge Hans Coumans zich in zijn 'vrije wil' aangetast en bedreigd voelde. Op de achtergrond speelde mee dat, zoals gebruikelijk in die tijd, geacht werd dat de kinderen een geringe financiële bijdrage leverden aan het huishouden. Omdat werken niet zijn grootste hobby was, was de jonge Hans Coumans het hier pertinent mee oneens en duldde hij beslist geen autoriteit: hij wilde zich niet schikken en geen (gedeelde) verantwoordelijkheid nemen. Zeker niet omdat zijn moeder nogal een gat in haar hand had en vader bij tijd en wijlen de nodige sterke drank achterover sloeg. Het enige wat hij wilde, was vrij zijn (om te doen en te laten wat hij wilde) en schilderen - over een paar jaar naar de kunstacademie. Überhaupt had hij geen affiniteit met geld of bezit: hij begreep de waarde niet van geld. Een (groot) huis of een auto, overigens een zeldzaamheid in die tijd, daar had hij niets mee - hij had zelfs een afkeer van auto's en liep geregeld scheldend en vloekend met zijn handen slaand door de lucht, zodra er een auto passeerde op de doorgaande weg in Strucht die in zijn ogen al gauw veel te hard reed. Een andere keer had hij zijn gloednieuwe winterjas ter waarde van 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, gedurende de vrieskou aan een zwerver gegeven, omdat die de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij. Doorgaans liet hij het afweten of verzon hij excuses om er onderuit te komen, maar die enkele keren dat hij als boerenknaap op de akkers in het dorp zoals bij boer Eijssen aan de slag ging, was hij een gangmaker die vooral bedreven was in het vermaken van anderen, in moppen tappen en het vertellen van verhalen. Toch kon afgezien van zijn familie niemand hem zijn weinig productieve kant kwalijk nemen, daar dit ruimschoots werd gecompenseerd door zijn oprechtheid en aimabele, beminnelijke aard - hij had geen kwaad in zich. In plaats van het harde werken, verrichte hij liever lichte huishoudelijke klussen zoals behangen en verven voor oudere mensen in het dorp die dat niet meer konden, maar dat leverde nauwelijks geld op. Een enkele keer werd hij beloond met een kop soep of deed hij een en ander gratis, want de mensen hadden al zo weinig, vond hij. En als hij al iets had verdiend, dan bleek dat dikwijls ruimschoots genuttigd aan zijn geliefde lichtgele alcoholische dorstlesser in de plaatselijke kroegen - "... want waar hard gewerkt wordt, moet goed gespoeld worden!" - zoals De Duif op de Breeweg, voordat hij thuis arriveerde.
Om zijn ouders, waar hij ondanks de strubbelingen veel aan te danken had, niet teleur te stellen - zij hadden zeker gelijk dat een afgeronde opleiding belangrijk was - startte hij in 1958 de opleiding tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen. Niet dat het vak huisschilder een welbewuste keuze was: het lag enigszins in de lijn van wat hij ambieerde. Hier had hij volgens eigen zeggen tenminste nog iets aan vanwege de technische basiskennis en kennis van materialen. Hoewel deze studie hem zwaar viel, wist hij na twee jaar zijn diploma te behalen. Met een diploma op zak kon hij direct aan de slag bij een plaatselijke huisschilder. Echter, omdat de afgestudeerde geen 'man van de tijd' was en werkdagen lang konden duren, haakte hij al na minder dan een maand af.
Om serieus werk te maken van zijn artistieke carriere ‘vestigde’ de 16-jarige Hans Coumans zich in 1959 als zelfstandig kunstschilder in Strucht, hoewel hij gewoon woonachtig was bij zijn ouders. Hij schilderde eerder al af en toe in de vrije natuur (), en dat zou nu als het aan hem lag de hoofdbron van inkomsten worden. Met zijn cadeau gekregen (vouw)schildersezel en schildersattributen vertoefde hij in de natuur in de omgeving rondom Strucht en in Oud-Valkenburg nabij de Geul ()(), op zoek naar de typische Geultaferelen om deze aan het linnen toe te vertrouwen. Naast een van zijn eerste olieverf zelfportretten () uit 1960 en een klein toekomstig zelfportret () uit 1961 (beide via de spiegel) wilde hij zijn vaste vrienden nog wel eens vastleggen op doek ()()(). Hoewel hij af en toe een schilderij verkocht, zat het aanvankelijk zeker niet mee om als vrije schilder zijn dure schildersuitrusting te bekostigen of in zijn levensonderhoud en zijn geliefde biertjes te voorzien. Maar aan de andere kant, vroeg hij zich af, hoeveel geld had een mens nu werkelijk nodig om van het leven te genieten?: "Waarom zou ik vier koppen rijst willen, als ik er maar één opkrijg..?". Met een bedrag van 100 Gulden kon hij makkelijk weken vooruit, zeker zolang hij bij zijn ouders terecht kon voor een slaapplek. “Ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb…”, was zijn opvatting dan ook.
Ondanks de liefde voor hun zoon en de pogingen hem te begrijpen en ondanks hun inspanningen hem te ondersteunen, verslechterde de onderlinge verstandhouding totdat de situatie onhoudbaar werd. De "beknelling van de leuning van de bekrompen Sjinse stoel...", aldus de jonge schilder, zorgde ervoor dat hij vanaf zijn 16e jaar veelvuldig wegliep van huis en een onzeker, zwervend bestaan leidde. "Wacht maar, ik kom terug met een nieuwe slee!", had hij zijn ouders uit eergevoel al eens vurig toegesproken. Dikwijls bivakkeerde hij bij (oudere) vrienden of sliep hij op een van de vele hooizolders die het Heuvelland rijk was, terwijl zijn ouders tot verdriet vaak geen idee hadden waar hun ontheemde zoon zich ophield. In de jaren die hierop volgden zou de jonge schilder zich volledig ontworstelen van beklemmende thuissituatie en het petieterige dorp dat volgens hem geen enkele notie van kunst had - kunstenaars waren parasieten van de samenleving - gevolglijk 'de wijdte' verkiezen en op eigen houtje de wereld intrekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. De cultuur in de zuiderlijke provincie was in de jaren 60 van de vorige eeuw nogal gesloten en zodra men niet voldeed aan de norm, dan werd men al snel gezien als paria. Tussen zijn 16e en 19e levensjaar ondernam hij clandestien diverse langdurige solistische pelgrimstochten, soms wel tot een half jaar lang, deels te voet, deels liftend door diverse landen in Europa - Duitsland (Aken, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (Parijs), Spanje - terwijl zijn ouders ten einde raad achterbleven. De koude en de armoede waren de trouwe metgezellen van de jonge schilder - de armoedzaaier had nog geen 2,5 Gulden op zak. Gedurende deze langdurige perioden leefde hij als een vagebond, die her en der slaapplekken aangeboden kreeg, maar dikwijls de nacht doorbracht in de open lucht, onder een brug of bij een boer op een hooizolder. Soms had hij maar net genoeg verdiend voor een warme maaltijd of had hij het geluk met mensen te kunnen meeeten, maar net zo vaak was hij aangewezen op wat er te vinden was op de vele akkers en in de vrije natuur. In de tussentijd werden door de familie dikwijls tevergeefs zoekacties opgezet en een enkele keer na een tip Interpol ingeschakeld, die de vagebond na een half jaar verblijf in het Schwarzwald opspoorde en hem met een dwangbevel sommeerde noordwaards te keren. Tussentijds, in 1961, vergezelde hij het rondreizend circusgezelschap Tony Boltini voor een half jaar bij hun tour door Duitsland. Hier ging hij aan de slag als olifantendompteur en af en toe, vanwege zijn gevoel voor muziek, als (inval-)rekwisiteur. Later mocht hij het kinderprogramma verzorgen. Opnieuw had niemand weet waar de jonge schilder zich schuilhield, totdat de familie op de televisie een rapportage over 'het leven in een circus' voorbij zag komen en de ouders tot grote verbazing op de achtergrond hun verloren zoon herkende. Maar zelfs het leven in de circuspiste werd hem na een half jaar te benauwd, waardoor hij weer de vrijheid opzocht.
Gedurende deze tochten leerde de vagebond de kunst van het overleven via allerlei baantjes zoals decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren van mensen in de plaatselijke kroegen. Uit deze turbulente periode is behalve een schetsblok, die de jonge schilder gedurende zijn tochten bij zich droeg en waarin hij aantekeningen maakte, tekenoefeningen deed (met potlood of Oostindische inkt) en schetsen maakte van alles wat hem bezighield, vrijwel geen werk behouden gebleven. Bekend is dat de jonge schilder rond zijn 18 jaar al tientallen olieverfschilderijen had vervaardigd, maar dat deze geregeld in vlammen opgingen. De jonge schilder worstelde met het leven en kon zich niet onttrekken aan het lot van de ander. Onverdraagzaamheid (tegen andersdenkenden) en onrecht in de wereld - zelfs van dichtbij in het dorp (jegens hem) - stemde hem cynisch en bedroefd: "religie is de oorzaak van de meeste oorlogen!". Het zou geregeld voorkomen dat hij zijn schilderijen uit frustratie en woede verbrandde in de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Symbolisch dat hij de hoop in de wereld had opgegeven, was de verbranding van een groot olieverftafereel voorzien van allemaal mensen van diverse culturele (religieuze) achtergrond Ook enkele prenten uit zijn schetsblok laten duidelijk religieuze en maatschappelijke onderwerpen zien, die blijk geven van zijn worsteling. Hierin beschouwde de jonge, reizende schilder zichzelf () en zijn precaire situatie en probeerde hij antwoorden te vinden aan de hand van Bijbelse taferelen en zelfportretten, waaronder Abraham met luid (), de humanist Erasmus, Abel en Caïn (), De verloren schaapsherder () en De broer van Christus () - vermoedelijk is dit een zelfportret: de schilder als verstotene.

De militaire dienstplicht maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven 'vrijheden'. Na 5 niet beantwoordde oproepen gevolgd door een intimiderend bezoek van de MP (militaire politie) met een voor de Grachtstraat indrukwekkend militair voertuig, besloot Hans Coumans op carnavalsdinsdag op aanraden van zijn oudere zus Lie zich toch maar te gaan melden, om zijn ouders niet in verlegenheid te brengen. Bovendien stond op dienstweigering een lange gevangenisstraf. Gestationeerd op de Willem II kazerne in Amerfoort kenmerkte het verblijf in de barakken zich naar zijn zeggen als een vreselijke tijd. Hij weigerde een wapen ter hand te nemen (om te schieten), en geregeld verscheen hij dan ook met een bezem bij het ochtendsalut. Hierop volgden diverse gesprekken met zijn overste, waar hij onverwacht een goede band mee opbouwde, waarop deze vroeg zijn jonge kinderen te portretteren. Zijn superieuren waren gevat door de kijk op de wereld van deze jonge schilder maar begrepen vooral dat met hem geen land te bezeilen was. Onverwacht bracht een ernstig ongeval buiten zijn schuld om op de stormbaan na 7 maanden hem redding. Met een verbreizelde voet tot gevolg, waarvoor hij enkele weken in Utrecht in het ziekenhuis lag, kon hij na een (officieuze) deal met defensie 'glansrijk' afzwaaien. Hij mocht vrijuit gaan, indien hij defensie niet zou aanklagen voor letsel door schuld.
Eenmaal verlost van “... tucht van het leger...” keerde Hans Coumans in augustus van dat jaar terug naar het zuiden om zijn werkzaamheden als kunstschilder weer op te pakken. De schilder nam wederom zijn intrek bij zijn ouders in Strucht. Vanuit zijn thuisbasis in de Grachtstraat schilderde hij in en rondom Strucht aan de Geul ()()()() en nabij Kasteel 'Schaloen' in Oud-Valkenburg (). Om zijn werk aan de man te brengen, struinde hij met zijn schilderijen (), die vaak niet meer kostten dan 25 Gulden, onder zijn arm de kroegen, de jaarlijkse markten en braderieën af, op zoek naar kunstminnaars. Soms verkocht hij een schilderij direct en plein air nat van de ezel. Bekendheid van zijn talent in het dorp leidde tot enkele opdrachten voor portretten ()()()(), natuurmotieven van onder andere de Geul ()() en muurschilderingen () bij particulieren en enkele plaatselijke horecagelegenheden waaronder hotel Bemelmans en pension Janssen. Ook de eigenaar van de kroeg De Duif vroeg de jonge schilder om zijn wanden te verfraaien met 2 grote schilderingen (), die hij samen met buurtgenoot uit de Grachtstraat Zef Swillems rond 1962 vervaardigde, wat het artististieke tweetal plaatselijke bekendheid verschafte. Overigens duurde deze klus ongemerkt langer dan gepland doordat de twee jonge schilders gedurende de openingstijden aan het werk waren en er door de toeloop van dorpsgenoten een buitengewoon gemoedelijke sfeer heerstte, dat later bij de afrekening van de klus bleek dat zij nog 172 Gulden moest bijbetalen vanwege het niet geringe aantal weggegeven rondjes.
Nog te jong voor een kunstopleiding, kwam de opgedane verfkennis op de Ambachtschool hem zeer van pas, en wist Hans Coumans zich enkel door het kijken naar - intensief bestuderen was vanwege zijn ongeduld immers niet aan hem besteed - zijn voorgangers, zoals Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn en Frans Hals, maar ook Francisco Goya en Diego Velázquez, het schilderen meester te maken. Het ging hem daarbij niet om het kopiëren van de overwegend langdurige en omslachtige laag-over-laag technieken maar om de beoogde effecten, zoals de weergave van materialen, de licht-donker effecten en compositie, die hij via een eigen losse, rusteloze schildermethode nabootse. In de vroege periode was hij veelvuldig toegewezen op de primaire kleuren (en zwart en wit), omdat verf nou eenmaal duur was. Het zelfportret De Zigeuner (), dat hij op 18-jarige leeftijd schilderde, is hier een voorbeeld van en vertoont enige gelijkenis met een zelfportret van Paul Rubens (), zichtbaar in het overeenkomstige thema, de compositie en de verfijnde toepassing van de olieverftechniek, waarmee door direct mengen op het doek een geleidelijke overgang van licht naar donker en een krachtig positief-negatief-contrast is gerealiseerd en waarmee detaillering, zoals het haar en textuur en de glinstering, tot stand is gebracht. Met een verbluffend virtuoze hand 'stond' een werk van deze jonge schilder in een mum van tijd, zoals het 'toekomstige' portret () uit 1961, dat niet langer dan een uur duurde om te vervaardigen. Deze methode is ook terug te zien in zijn levensbeschouwelijk beschouwend werk De Kruisiging () uit 1963.
In diezelfde tijd werd hij geuniformd lid (1963-1966) van de plaatselijke schutterij St. Mauritius, waar hij even later in 1966 in het schutterslokaal aan de Provinciale weg een groot schutterstafereel vervaardigde () - een beweeglijk en energiek groepsportret van een aantal prominente leden, waarvan een niet nader te noemen lid (waar de schilder een conflict mee had) als duivel is afgebeeld. Niet alleen werd er hard gerepeteerd in het schutterslokaal; ook na afloop werd flink nagepraat, hard gelachen en gezongen en enthousiast gedronken in de kroegen die het dorp rijk was.
Na een aanvankelijke periode van relatieve rust liepen de emoties thuis gaandeweg opnieuw torenhoog op en werd de situatie onhoudbaar, waarop zijn ouders hem in 1963 wederom de deur wezen. In allerijl vond hij via zijn oudere zus onderdak bij een bevriend kastelein in Bleijerheide in Heerlerheide, die nog een ruimte vrij had boven zijn kroeg Oud Genhei. Hier zou de jonge schilder even op adem kunnen komen, maar het verblijf zou vervolgens ongeveer 9 maanden duren. Als een wederdienst voor de kost en inwoning verfraaide de schilder gedurende zijn verblijf het gehele interieur met grote wandschilderingen met taferelen uit de omgeving, waar later ook ansichtkaarten ()() van zijn gedrukt. Ook de nabij gelegen jeugdsociëteit en enkele andere kroegen waaronder 'De Bok' beschilderde hij met muurtaferelen van cowboys en indianen.
Heimwee dreef de Hans Coumans uiteindelijk toch weer richting het Geuldal. In Schoonbron vond hij in het najaar van 1964 een kamer in het pension ’t Hoonderhöfke, waar hij gedurende twee winterperioden met enige regelmaat verbleef. De eigenaren van het pension, de familie Pluymaekers, waren zeer sociale en betrokken mensen, die ook verbonden waren aan het kerkbestuur in het dorp. Naast de activiteiten van het pension stonden de eigenaren in het dorp erom bekend, dat zij zich ook ontfermden over jongeren die in hun maatschappelijke of sociale leven moeilijkheden ondervonden. Omdat deze groep in die tijd vaak nergens terecht kon, stelden zij hun pension open voor tijdelijke bewoning. De jonge schilder was moe van het onstuimige pad dat hij had bewandeld. Hij was depressief door het onbegrip van mensen voor andersdenkenden en het gebrek aan naastenliefde (in het dorp), terwijl dat toch de essentie van de christelijke traditie was, volgens hem. Uit frustratie had hij een keer de gevel van de kerk in zwarte verf beklad met de leus 'Heer, red ons van de roomse huichelaars...', wat de nodige roering had veroorzaakt in het kerkdorp. De levenvragen desillusioneerden hem en maakten hem depressief, de continue strijd maakte hem moe. Hoezeer hij zijn vrijheid ambieerde, de onzekerheid bezorgde hem grote twijfels, of hij het bij het goed eind had. Met de eigenaren volgden vele, langdurige gesprekken tot diep in de nacht over zijn leven en de zin van het leven. De eigenaren stimuleerden hem om toch vooral vol te houden (om zijn dromen waar te maken). Ze boden hem de mogelijkheid om zijn schilderijen ()() in de ontbijtzaal van het pension tentoon te stellen, zodat toeristen een uniek aandenken aan het Heuvelland konden bemachtigen. Als dank voor zijn verblijf vervaardigde hij boven de bar in de ontbijtzaal een grote wandschildering.

Zodra Hans Coumans weer enigszins was opgeknapt, trok hij er weer op uit en met het weinig verdiende geld van zijn verkochte schilderijen huurde hij een hotelkamer in een familiehotel in Geulhem, om in 1964 te verhuizen naar Maastricht, waar hij een piepkleine kamer betrok op de Tongerseweg, naast de kroeg Café Stammineeke. De gemeubileerde beschikte over een bed en een kast, en met de weinige spullen die hij had, enkel wat kleren, een paar boeken en schildermateriaal oogde de kamer overvol.
In de Limburgse hoofdstad mocht Hans Coumans in 1964, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding op basis van zijn werk, toetreden tot de avondopleiding van de Stadsacademie, waar op dat moment de markante Jef Scheffers de sceptor zwaaide. De Stadsacademie stond bekend als een strenge academische opleiding. Jef Scheffers hechtte groot belang aan de 'ambachtelijkheid van het schilderen' en hij onderwees zijn studenten met harde hand. Voordat de opleiding goed en wel was begonnen, stuitte de ijzeren discipline de aspirant vrije kunstschilder zeer tegen de borst, waardoor het plezier snel over was en hij het na een aantal verhitte discussies voor gezien hield. De academische scholing beviel Hans Coumans totaal niet: deze was hem veel te technisch. De geestdodende, eindeloze herhaaloefeningen en het methodisch opbouwen van een schilderij via constructielijnen en verhoudingen, daar had hij totaal geen affiniteit mee. Daarnaast had hij er grote moeite mee, dat de academie van hem verlangde om te oefenen met de schilderstok om rechte lijnen te trekken, terwijl hij gewoonlijk (alles) uit de vrije hand schilderde zonder enige hulpmiddelen. Academische werken mochten technisch gezien dan wel kloppen, meende hij, maar het ontbrak aan iedere spontaniteit. Sterker nog: het methodisch handelen stond emotie in de weg. En emotie, dat was voor hem de essentie van een schilderij: “Een schilderij moet leven!”. Hans Coumans werd sterk gedreven door indrukken en werkte intuïtief vanuit de onmiddellijke beleving en dus zonder vooropgezet plan (hoogstzelden bij een grote muurschildering) of na uitgebreide voorstudies. De schilder, die geen geduld kende (laat staan een atelier had om uitgebreid aan een schilderij te werken) en in de buitenlucht gedwongen was om vlot te handelen, was gewend om 'zomaar' ergens te beginnen op het doek, behendig enkele gerichte strepen te trekken, en dan rolde er vanzelf iets uit. Dit overtuigde hem, dat hij het schildervak veel beter onder de knie zou krijgen door in de buitenlucht aan het werk te gaan, ergens in de prachtige natuur die Zuid-Limburg rijk is, in een veld tussen de koeien. Dus door het beschouwen van de levende realiteit in plaats van ergens op een atelier ver weg van het onderwerp. Toch zou het ontbreken van gedegen academische beoefening hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en zeker anatomie een rol speelde, waarin hij zich dus verder eigenhandig moest zien te bekwamen.
Gedesillusioneerd over zijn weinig succesvolle academische studie - immers, hier had de aspirant-schilder al die tijd naar toe geleefd - storte Hans Coumans zich een periode in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke bourgondische Maastrichtse nachtleven en struinde hij onafgebroken langs de talloze befaamde kroegen waaronder Tribunal en De Vogelstruys. Hier ontmoette hij andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er tot diep in de nacht gefilosofeerd, geouwehoerd, hard gezongen en enthousiast gedronken. Terwijl de jonge stadsfotograaf Jean Prick het uitgaande publiek fotografeerde, legde Hans Coumans zijn gewillige onderwerp voornamelijk van het vrouwelijke soort met het potlood vast. In de Maastrichtse kroegen kreeg de jonge schilder de bijnaam 'De Kozak' vanwege zijn nogal Russisch ogend uiterlijk - hij had een volle snor, zware lederen jas en laarzen - en ontwikkelde zangstem door zijn liefde voor klassieke muziek, opera zoals Carmen van Georges Bizet en Russische zangkoren. In die tijd was hij groot liefhebber van Serge Jaroff en zijn Don Kosakken en zong uit volle borst uit hun repertoire Die Zwölf Räuber en Stenka Rasin. Andere liederen waren Rijnliederen, het het Wolgalied en het gevangenenkoor Va pensiero. Dit laatste verkreeg populariteit in de Limburgse hoofdstad, dat er later een Maastrichtse vertaling verscheen.
Samen met schilderkameraad van de academie 'de schilderende schipper' of 'de schipperde schilder' (daar was niemand het over eens) ondernam Hans Coumans in datzelfde jaar tijdens de wintermaanden een drie maanden durende trektocht te voet door de Eifel via Monschau tot aan Luxemburg. In de vele nachtelijke discussies in de kroegen waar ook de onderwerpen de academische wereld en het kunstenaarsschap de revue passeerden, waren de schilderkameraden het er stelling over eens dat een vrije kunstschilder financieel onafhankelijk kon zijn. Terwijl heel wat afgestudeerde kunstenaars toegewezen waren op een maandelijkse overheidstoelage of voor extra inkomsten les gaven op de academie, moest de tocht hun gelijk aantonen. Het inlegbedrag van ieder 10 Gulden om de eerste paar dagen rond te komen zouden zij gedurende de reis weer moeten terugverdienen, was de afspraak. Gedurende de tocht - het was zeker afzien vanwege een strenge winter dat jaar met veel sneeuw in de bosrijke, heuvelachtige omgeving - vonden de twee jonge schilders onderdak bij diverse kloosters om de nacht door te brengen en bezochten zij dagelijks de plaatselijke kroegen om mensen te portretteren voor de broodnodige inkomsten. Bij terugkomst had hen dit hachelijke avontuur behalve het bewijs zelfs ieder 100 Gulden opgeleverd.

In Limburg verruilde Hans Coumans de logge Maas spoedig voor de lieflijke Geul, ofschoon hij op dat moment geen vaste verblijfplaats had en zodoende her en der logeerde. Gedurende de winterperiode van 1964-1965 vond hij wederom een plek bij ’t Hoonderhöfke' in Schoonbron. Hier portretteerde hij als dank voor het verblijf een van de dochters () van de eigenaren van het pension.
Hoewel Hans Coumans zich na de academie verder eigenhandig en plein air bekwaamde in de landschapskunst ()()()()(), ontplooide hij zich in en rondom toeristisch Valkenburg aanvankelijk voornamelijk als (houtskool) snelportrettist op de terrassen en decoratieschilder in de plaatselijke établissementen. De schilder voelde zich erg aangetrokken tot het schilderachtige, bourgondische Geulstadje, waar hij bovenmatig deelnam aan het bruisende uitgaansleven in de vele kroegen, soms bij gebrek aan geld zelf achter de bar stond en vooral in contact kwam met plaatselijke kasteleins die geïnteresseerd waren in zijn handelswaar. Valkenburg was vanaf het einde van de 19e eeuw altijd al een exclusief en modain vakantieoord geweest met chique hotels waar de meer welgestelden hun vrije tijd doorbrachten, maar door de toenemende welvaart in de jaren 60 en 70 kwam het mergelstadje meer en meer in zwang bij de gewone burger. Voor de beleving van het Heuvelland in de établissementen wakkerde dit de vraag aan voor grote wandschilderingen van het idyllische Heuvelland met vakwerkhuizen en grazende koeien (), wat nu zijn expertise werd. Deze vervaardigde hij veelal gedurende de wintermaanden, zodra de koude hem het en plein air werken onmogelijk maakte. In korte tijd wist hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders, op zijn 22e op diverse plekken in het geuldal maar ook elders in Zuid-Limburg decoratieve werken te realiseren, onder andere bij de kroeg De post en La Ruïne in Valkenburg, Romantica in Sibbe, 't Hoonderhöfke in Schoonbron, Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, De Bok, Café Spierings in Ransdaal, Café De Paardenstal en hotel de Kroon in Epen, Café Oud-Genhei in Heerlerheide, restaurant De Mexicaan (in samenwerking met Ton Staneke) in Vaals, een feestzaal in Wijlre en een onbekende kroeg in Roermond (in samenwerking met Paul Roks, operazanger). Overigens, naast het gegeven dat een schilderwerk in die tijd over het algemeen goedkoper was dan behang, werd wel eens gezegd, bracht de jonge schilder vooral de nodige theater in het betreffende lokaal, wat goed was voor de inloop.
In het voorjaar van 1966 lonkte de weidsheid van de polder en de ruimte van de stad en verbleef hij enkele maanden in Haarlem onder de kunstacademici, maar de actuele gebeurtenissen in Amsterdam rondom de in 1965 opgerichte Provo-beweging lokte hem naar de hoofdstad om deel te nemen aan het geweldloze verzet. Om te overleven kon hij als afwashulp aan de slag bij het befaamde hotel Krasnapolsky op de Dam, waar af en toe een warm bad op hem wachtte. Met een groep andere jonge schilders portretteerde hij 's avonds geregeld allerlei mensen in de Amsterdamse kroegen. Op deze plekken werd tot diep in de nacht net zo hard gedronken als gefilosofeerd over de maatschappij en de politiek. De jaren 70 waren turbulente tijden van oude, gevestigde instituten en een nieuwe generatie van jonge studenten, die dit wilde doorbreken. Hij geloofde net als veel tijdgenoten in de revolutionaire invloed van de kunstzinnige jongeren en de kracht van de geweldloze provocatie om het oude gezag omver te werpen. Maar in tegenstelling tot wat hij ervan had verwacht, heerste er een grimmige zelfs agressieve atmosfeer in de hoofdstad. De massahysterie, de continue geweldadigheden en de hevige confrontatie met de politie die de menigte te lijf ging met paarden en waterkanonnen wekte een dusdanige weerzin op en deden hem na enkele maanden alweer terugkeren naar het gemoedelijke Heuvelland.
Terug in Valkenburg uitte zijn vaste verfhandelaar van het Huis aan de brug en zelf amateurschilder zijn bezorgdheid, omdat hij zag dat de jonge kunstschilder zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-kunstprojecten. De verfhandelaar en amateurschilder was begaan en hielp de jonge schilder door nog wel eens geregeld verf en doeken voor te schieten en zijn werk voor de verkoop in de winkeletalage tentoon te stellen. De verfhandelaar raadde de jonge schilder aan om eens bij een bevriend en landelijk bekend beeldend kunstenaar Charles Eyck langs te gaan, om bij hem in de leer te gaan en zijn talent daar verder te ontwikkelen. Het daaropvolgend verblijf op het atelier van Charles Eyck in Ravensbosch waar hij gedurende de zomermaanden van 1966 verbleef, bleek echter weinig succesvol. Omdat Charles Eyk nogal autoritair was en geen echte leermeester, schilderde deze voornamelijk zelf en kregen zijn leerlingen gewoonlijk weinig mogelijkheden zich in het schildervak te bekwamen. Beginnende leerlingen mochten doorgaans enkel basiswerkzaamheden verrichten, zoals het aanbrengen van de grondlaag en het opzetten van de (basis)compositie. Toen na een paar maanden bleek dat het ware meesterschap te lang op zich liet wachten, raakte de ongeduldige Hans Coumans zijn interesse snel kwijt en bezocht hij het atelier nog maar sporadisch. Op het moment dat Charles Eyck kort op vakantie was, zag Hans Coumans zijn kans schoon en vervolmaakte hij naar eigen inzicht enkele schilderwerken van zijn leermeester. Deze was bij terugkomst allerminst gecharmeerd van deze actie en stuurde hem zonder pardon de laan uit. Toch zouden zij blijvend een hechte vriendschap onderhouden en elkaar geregeld treffen bij opdrachten in uitvoering of in Charles Eyck's stamkroeg Michiel de Ruyter, ondanks dat beide schilders verschillende opvattingen over schilderen hadden en elkaar ronduit bekritiseerden. Charles Eyck dacht dat Hans Coumans een groot schilder zou kunnen worden, als hij nou maar eens luisterde (naar zijn leermeester). Zo vond Charles Eyck de werken van zijn collega dikwijls te druk, te onrustig en te rommelig als gevolg van het ontbreken van een heldere basiscompositie of vastomlijnd (krachtig) thema. Doordat Hans Coumans te veel wilde laten zien, dreigde het centrale thema vaak ondergesneeuwd te raken, waardoor deze werken aan zeggingskracht inboetten. Charles Eyck adviseerde om er soms maar gewoon een deel vanaf te snijden, zodat er een meer heldere compositie ontstond. Hans Coumans op zijn beurt gaf toe, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest en hij het op dat moment ronduit vreselijk vond, het nodige van zijn leermeester te hebben opgestoken over het toepassen van kleuren en technieken. Hij was zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar kritisch over zijn schilderkunst, met name over de portretten die in sommige gevallen weinig gelijkend waren. Hans Coumans was weinig gecharmeerd van Charles Eyck's donkere (melancholische) koloriet en tekenachtige wijze van schilderen. "Charles schildert niet...", verweet hij zijn voormalige leermeester, "Charles is een goede tekenaar, die zijn tekeningen vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken...". Hoewel de invloed van Charles Eyck zichtbaar is aan de tekenachtige penseelstreken en het donkere, sombere koloriet in enkele werken die hij kort daarna vervaardigde ()()()(), liet Hans Coumans dit snel los en moesten de werken zoals voorheen weer lichter en vooral 'schilderachtiger' worden ()(). "De werken zijn te donker, ze zijn te donker!", was hij nogal fel.
In het Geuldal verkaste de vagebond, de jonge pauperschilder met enkel drie penselen op zak, van het ene adres naar het andere en bij gebrek aan geld verrekende hij kost en inwoning met een schilderij of een portret van de gastheer. Na Schoonbron vond hij in 1967 een tijdje onderkomen bij een boer op de Keutenberg in Strucht. Daarna kon hij in Valkenburg terecht in diverse hotels, die soms nog een leegstaande kamer hadden, waaronder enige tijd in het Casinohotel en in 1968 drie maanden in het pension Deckers - als dank schilderde hij later de aanblik van Neerhem (). Door een toename van inkomsten, met name als gevolg van de commerciële decoratieve projecten, was Hans Coumans in staat om in 1968 korte tijd een kleine ruimte - dit was in feite niet meer dan een berging - te huren aan de achterzijde van het voormalige gemeentehuis (het huidige museum Land van Valkenburg) in de Grotestraat in het centrum van het mergelstadje. Nadat, even later, het kantoor van het provinciaal dagblad De Limburger aan de overkant van de Grotestraat was opgeheven, verplaatste hij zijn activiteiten naar de vrijgekomen benedenverdieping met grote etalage en opende hij hier zijn schildersatelier, te midden van de kroegen en de plaatselijke middenstand. De bovenverdiepingen werd bewoond door onder andere dichter en schilder Lou Heynens. Gevestigd in de Grotestraat had hij nu voet aan de grond gekregen en zijn plek gevonden als culturele ambachtsman (entrepreneur) te midden van de diverse kasteleins, de smit, de fotograaf, de slager, de sigarenwinkel, de supermarkt, de juwelier, de apotheek en de aannemer. Als gevolg van zijn werkzaamheden als (houtskool) snelportrettist en decoratieschilder in het Geulstadje, waar hij gezien het aantal opdrachten grote waardering voor kreeg, ontstond er ook vraag naar meer volwassen olieverfportretten. Deze waren binnen de kortste keren erg gewild, dat zijn atelier overuren draaide en hij daarvan ruimschoots kon bestaan. De etalage stond vol schilderijen en ook elders in de straat in diverse kroegen alsook het naastgelegen schutterslokaal () hing zijn werk. In Valkenburg en omgeving trok Hans Coumans er schilderend op uit, dikwijls vergezeld door een andere plaatselijke schilder Hans Metz, die tevens af en toe assisteerde bij enkele grote muurschilderingen in Valkenburg en omgeving, maar ook op een later tijdstip in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum en in 1973-1974 in de officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht (). In een financieel mindere periode kon de schilder een beroep doen op zijn vaste kameraden. Tesamen met een plaatselijke smit, een aannemer en die andere en plein air schilder vormde Hans Coumans een creatief kwartet. Behalve dat de leden van het kwartet geregeld het broodnodige alcoholische nat achterover schudden in de kroegen die Valkenburg rijk was, werkten zij geregeld samen aan allerlei klussen en leenden zij elkaar indien nodig onderling geld uit om de maand door te komen.
In korte tijd na Charles Eyck had zijn schilderstijl inmiddels een verruwing aangenomen - hij had duidelijk zijn 'wilde' periode. De schilderijen waren 'ruiger', door het veelvuldig gebruik van het palletmes of plamuurmes, waarmee de schilder de verf met losse, ruige streken rijkelijk over het doek uitsmeerde en mengde. Dit was in zekere zin (beperkt) een abstrahering van zijn methodiek, waardoor hij in een rap tempo kon werken. Maar belangrijker, deze wijze van schilderen dwong hem zich te concentreren op het hoofdthema - een belangrijk inzicht, waar Charles Eyck hem eerder al op had gewezen - en niet op 'minder' belangrijke componenten. Deze verandering is duidelijk zichtbaar in de natuurmotieven ()()()()()(), stadsgezichten ()()()(), de enkele stillevens van dat moment ()(), als in de portretten ()()()()()()()()()()()().
Een kortstondige romance leidde in 1969 tot de geboorte van zijn eerste zoon Roeland, maar omdat de schilder volledig van slag was, omdat hij niet kon omgaan met (de verantwoordelijkheid van) het vaderschap, besloot zij de taak van de opvoeding voor haar eigen rekening te nemen.
Mogelijk had deze ingrijpende gebeurtenis ertoe bijgedragen, dat de schilder even later dat jaar stadsgenoot Ton Bastings naar Spanje vergezelde, die voornemens was een kroeg te openen in het kuststadje Calella de Costa aan de Costa Brava. In Calella huurden het tweetal voor 50 gulden per maand een sober ingericht appartement bij een oudere Spaanse dame, die tevens elke dag een avondmaaltijd verzorgde - dit was inbegrepen in de huurprijs. In het kuststadje spreidde het nieuws van de komst van het markante tweetal zich razendsnel, en spoedig leverde dat kleine schilderklussen op, voornamelijk reclamewerken en letterzetten op gevels en etalages. In een mum van tijd maakte Hans Coumans hier aan de Costa's naam als Pintor Holandes. Overigens ging dat letterzetten niet altijd zoals aanvankelijk beoogd, omdat de Limburger vantevoren nooit een plan maakte maar gewoon ergens begon en dan gaandeweg moest zien uit te komen. Zo was hij bij een restaurant bovenaan op de gevel begonnen en eenmaal onderaan aangekomen was hij gedwongen om de laatste letter van de naam dan maar op de stoep te schilderen. Hoewel de eigenaar aanvankelijk erg verbaasd was over het eindresultaat, wisten ze hem te overtuigen dat deze methode juist beter was. In Amsterdam was dit zelfe de nieuwe trend, beweerde het tweetal, omdat veel mensen naar beneden kijkend door de stad liepen en dan de letter opmerkten. Hoe dan ook maakte deze opdracht de weg vrij voor enkele grotere opdrachten van decoratieve schilderingen in diverse établissementen, zoals Hans Coumans gewend was uit het Geuldal. Enkele omvangrijke werken in het chique restaurant La Olla (van wat later bleek de privékok van generaal Franco), waar enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden zich rijkelijk vermaakten, charmeerde een bekende stamgast, de surrealist Salvador Dali zodanig, dat hij de schilder een uitnodiging liet toekomen voor de exclusieve opening van zijn aanstaande tentoonstelling in Barcelona. Op de bewuste dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers echter in het historische centrum met een wirwar aan straten en steegjes, en bij navraag in een plaatselijke bodéga bleken de geneugten des levens toch boeiender dan de opening van een tentoonstelling, waardoor ze nooit de plaats van bestemming bereikten. Het lokaal waar uitbundig Flamenco werd gezongen en gedanst en vooral werd gedronken, bleek een te grote verleiding voor hem (en zijn kameraad). Maar achteraf, "Ach, die Dali...", Hans Coumans vond hem bij nader inzien toch te elitair en te overdreven, en bovendien had hij niet zo veel met surrealisme. Na zijn activiteiten in Calella en Lloret de Mar werd de schilder door een groep geïnteresseerde Mexicanen uitgenodigd om in Benidorm een compleet nieuwe discotheek van muurschilderingen te voorzien. Dit was een megaklus, die hem veel succes zou kunnen opleveren. Echter, na ruim een maand werk werd hij dupe van oplichting en kreeg hij niet uitbetaald. Na dit voorval vergezeld met de nodige bedreiging besloot hij ontgoocheld en volledig berooid na een dik half jaar aan de Spaanse Costa's terug te keren, deels te voet en deels liftend, naar Nederland.

In het Geuldal van de laat 70-er jaren was Hans Coumans uitgegroeid tot een populaire en plein air schilder. Al schilderend omringt door toeristen en geïnteresseerden vormde hij een toeristische attractie à la Montmartre, waarmee hij ook ander kunstschilders wist te inspireren om in de buitenlucht te gaan schilderen. Overigens kon men nog wel eens ergens in het mergelstadje of langs de Geul een schildersezel met schilderij aantreffen, terwijl de schilder in kwestie in geen velden of wegen te bekennen was. In tegenstelling tot de begeleidende tekst 'ben effe weg' kon de complete schildersuitrusting soms dagenlang onbewaakt in de openbare ruimte staan, zonder dat iemand er mee aan de haal ging. Bij gebrek aan inspiratie was de schilder dan gaan wandelen of genoot hij van een welverdiende pauze in een van de vele kroegen, "want inspiratie komt niet alleen van de Herrgot!". Aangezien de schilder altijd wel ergens bekenden trof, konden die pauzes nog wel eens aardig uit de hand lopen. In Zuid-Limburg had hij ruim 30 grote decoratieve werken weten te realiseren - inmiddels ook bij restaurant Calipso, De Vesting (), Valkenhof, Gouden Leeuw, de kroeg 't Grendelpoortje () en pension Mimosa () in Valkenburg. Daarnaast had hij recentelijk het houtskool overgenomen van Albert Widdershoven (), die tot voorheen vaste grottekenaar van het mergelstadje was. In de Gemeentegrot vereeuwigde de schilder onder andere de carnavalsprinsen ()() en de voormalige burgemeester Breekpot (). In de steenkolenmijn vervaardigde hij een aantal grote thematische taferelen over het leven in de middeleeuwen () en de prehistorie (), voorzien van de typisch Coumans-humor met helicopter en een jager met geweer. Verder schilderde hij werken voor de schutterij en decors van de plaatselijke verenigingen.
Ofschoon het gemakkelijke geld en het rijkelijke Bourgondische sociale leven in de plaatselijke kroegen grote aantrekkingskracht uitoefenden, hield dit de schilder evenwel lange tijd gevangen, en weerhield dit hem om zich te richten op datgene waar zijn hart lag: de vrije kunst. Financiële onafhankelijkheid, waar hij trots op was dit als een van de weinige schilders bereikt te hebben in tegenstelling tot veel andere (beginnende) afgestudeerde kunstschilders die een beroep deden op BKR-regeling, betekende nog geen artistieke vrijheid. Integendeel. In het artikel 'De andere Hans Coumans' even later uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar van binnen ging hij kapot, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Het zelfpredikaat "... schilder van het volk", was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige pad van de vrije kunst.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te bekwamen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers en Charles Eyck - vatte de schilder dit telkens op als pedanterie. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus Christine van Kempen. De hoteldochter Van Kempen uit het mergelstadje, die hij al 20 jaar niet had gezien, stond opeens (niet wetende wie deze schilder was) voor de deur. Twee plaatselijk befaamde, markante, onafscheidelijke zussen (van de moeder van Christine van Kempen) - zij woonden hun hele leven al bij elkaar - hadden hun jonge nicht naar de schilder gestuurd voor de vervaardiging van een portret (van haar), als cadeau voor het bronzen huwelijk van haar ouders. Dit déjà vu leidde niet alleen tot een portret, maar ook tot een hartstochtelijke liefdesrelatie en uiteindelijk een half jaar later op 30 juli 1970 tot een huwelijk. Op de dag van het huwelijk betrok het kersverse stel hun gezamenlijke woning, een voormalige sigarenwinkel met een grote etalage en bovenwoning in de Lindenlaan, dat zij dankzij een lening van de twee tantes Van Kempen hadden kunnen aankopen. Ofschoon Christine van Kempen (kennelijk) enkel woord had gehouden dat zij en de schilder ooit nog een keer in het huwelijksbootje zouden stappen, was het schilderachtige Geulstadje met stomheid geslagen. Niemand had voor mogelijk gehouden dat die eeuwige vrije vogel, die bohemien, een verbindenis was aangegaan met een keurig meisje van gegoede komaf. Afgaande op een houtskoolportret () van zijn vrouw moest de schilder zelf ook verbaasd zijn geweest, dat hij na al die tijd, nu een eigen vrouw had. De ouders Gé van Kempen en Regina van Kempen-Jennekes waren eveneens vol ongeloof en aangeslagen door de voornemens van hun enige dochter, dat zij moesten huilen van verdriet gedurende de huwelijksseremonie. De hotelfamilie, die vanwege hun diverse hotels - tot aan de oorlog hotel Bellevue, daarna hotel Continental en op dat moment hotel Limburgia - en inzet voor de gemeenschap gedurende de oorlog - Gé van Kempen was lid van het verzet en het door de Duitsers geconfisceerde hotel Bellevue sluisde voedsel door naar de inwoners - en met de oprichting van het zangkoor Walram en allerlei verenigingen aanzien hadden in het stadje. De ouders van Kempen, die navraag hadden gedaan, waren van mening dat deze vrije schilder nooit een goede partij voor hun dochter zou kunnen zijn. Behalve dat schilder in het Geulstadje de reputatie had als bon-vivant, kon hij onmogelijk de kost niet verdienen voor zijn toekomstige vrouw. Zelfs meneer pastoor was al een keer komen praten om haar op andere gedachte te brengen. Maar voor Christine van Kempen, die na haar studie psychiatrie in Deventer inmiddels in het psychiatrisch centrum 'Vijverdal' in Maastricht werkzaam was en dus financieel onafhankelijk, betekende de verbintenis met deze vrije man een avontuur en een vlucht uit de stramienen van het hotelwezen. Christine van Kempen was uiteindelijk degene die hem na al die onstuimige jaren stabiliteit bracht. Zij gaf de schilder niet alleen het nodige zelfbesef (dat hij tot meer in staat was dan gezellige landschapjes met huisjes en koeien) maar spoorde hem aan zijn cynisme - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - te laten varen en bewoog hem toch vooral tot het maken van een keuze wie hij wilde zijn: de artistieke vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in zijn schildersloopbaan, waarbij hij afscheid nam van het vrijbuitersleven om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen.
Het afslaan van commerciële opdrachten luidde evenwel een onzekere financiële periode in, wat een weerslag had op het jonge huwelijk. Zeker met hun eerste zoon Serge op komst zou zijn vrouw haar betaalde werkzaamheden op Vijverdal beëindigen en zich volledig gaan richten op de opvoeding. Ook zij had eerder deelgenomen aan het rijkelijke bourgondische leven van deze schilder, echter nu de inkomsten terugliepen, bleek het voor de hoteldochter een opoffering en eiste ze, dat indien hij als schilder serieus genomen wilde worden - waar zij haar onvoorwaardelijke steun aan had gegeven - dat hij zich eens navenant zou moeten gaan gedragen en verantwoordelijkheid moest gaan nemen voor zijn gezin. Het moest voortaan afgelopen zijn met "die onzin" met collega-schilders in de kroegen van soms al vroeg op de dag tot 's avondslaat of dat uitbetaling in natura geschiedde, terwijl er thuis honger was of geld nodig was om de rekeningen te betalen. In het verleden kon hij geregeld her en der meeeten, werd wel eens betaald met een kop soep of kreeg hij één glas bier per gezette letter. Een keer ontving hij 150 flessen exclusieve wijn Chateau Petrus, destijds voor een portret van een staalmagnaat () uit Maastricht, die er natuurlijk in een mum van tijd doorheen waren. Zij stelde hem dan ook het ultimatum te kiezen voor het kroegenleven of zijn jonge gezin. Geld was altijd al een hekel punt, maar de schilder had er zelf een groot aandeel in. Zijn vrouw stond niet meer toe dat hij zomaar werken cadeau gaf (aan iemand die hij graag mocht) of dat hij schilderde als een ruildienst of werken meegaf aan geïnteresseerden zodat deze het in hun huis konden ophangen en bekijken of het beviel, terwijl hij zich even later niet meer kon herinneren aan wie hij het had meegegeven. Ook werd er misbruik van hem gemaakt, omdat men nog wel eens een schilderij voor een habbekrats kon verkrijgen op het moment dat de schilder honger had. Maar ook eergevoel kostte veel geld, zoals een keer in de Valkenburgse kroeg 't Grendelpoortje' een plaatselijke slager ten overstaande van iedereen riep: "schilder, ik geef je 800 Gulden voor dat doek...", waarop de schilder zich omdraaide en zei: "Slager... jij hebt mij te veel geld..." om zich vervolgens naar een andere dorpsgenoot te wenden, dat deze het werk voor 200 Gulden mocht hebben, die direct akkoord ging.
Gaandeweg wist hij dit geestelijke knelpunt echter op te lossen en wist hij nieuwe thema's te ontwikkelen en zijn productie te vergroten. Zeker zou hij af en toe nog een commerciële opdracht (moeten) aannemen, maar het accent lag nu op het schilderen wat hij zelf wilde. Vanaf dat moment was hij dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in en rondom Valkenburg, zoals (in het centrum) nabij het Huis aan de brug ()()()(), kasteel Den Halder (), de sluis (), de Grendelpoort () en de watermolen (), in de Bogaardlaan () als ook in de Lindelaan ()(), de Kerkstraat ()() en op de Cauberg (). Verder werkte hij in de omgeving nabij Kasteel Oost ()()(), het Geulstrand () en Kasteel Schaloen ()()() in Oud-Valkenburg. Gedurende de wintermaanden, zodra de vrieskou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakte, legde hij zich toe op het portretteren ()()()()()()()()()()()(), het schilderen van bloemstillevens en wildboeketten ()()()()()() en andere verzoeken, waaraan hij in zijn atelier in de Lindenlaan onafgebroken kon werken. Ook maakte hij enkele werken van zijn vrouw ()()(), een groot werk met zijn vrouw als Spaanse bruid () en als Spaanse zigeunerin ().
Met de hulp van bevriende kastelein, die zelf enkele werken in bezit had en wiens eethuis De Vesting volledig was beschilderd (), was het mogelijk om in het café 't Jachthoes in 1974 een eerste grote 'serieuze' tentoonstelling te organiseren met circa 30 werken, waarvan ongeveer de helft werd verkocht.
De atelierwoning in de Lindenlaan vormde behalve een expositieruimte ook een ontmoetingsplek voor kunstenaars en gelijkgestemden, waar politiek en de maatschappij onderwerp van discussie was. Naast zijn koopwaar exposeerde de schilder geregeld zijn ongenoegen over actuele maatschappelijke of (plaatselijke) politieke gebeurtenissen. Een keer was hij zeer ontstemd over het feit dat een vooraanstand lid van het Bisdom in Roermond zijn ambswoning voor 600.000 Gulden had laten verbouwen, terwijl diezelfde persoon opriep tot nederigheid. Hoewel het oorspronkelijke protestwerk met de persoon in kwestie voorzien van een verwijzing naar de tien geboden verloren is gegaan, bestaat er wel nog een open brief () met een verklaring en reactie op de commotie, waarin de schilder het betreffend lid betichtte van arrogantie, terwijl God volgens ondergetekende niet van arrogantie houdt. De schilder had al een bezoek van het Bisdom Roermond gekregen met het vriendelijke verzoek om het plakkaat te verwijderen, maar de bedreigingen aan zijn adres (zijn gezin) deed hem uiteindelijk besluiten zijn protestactie te staken. Overigens werd de betreffende persoon niet veel later van Roermond overgeplaatst naar IJsland.
Dat Hans Coumans in een andere levensfase terecht was gekomen, had zichtbaar uitwerking op de wijze van schilderen. Zijn vrouw had hem veel onrust weggenomen, wat zichtbaar is in de werken die hij niet lang na hun ontmoeting vanaf 1970 maakte. De schilderijen zijn plotsklaps ontdaan van hun ruwe karakter, omdat hij opeens niet meer of incidenteel met het plamuurmes werkte. In plaats daarvan beschikken de schilderijen over een zachtere, lossere (lichtere) toets en is het koloriet frivoler () en geraffineerd complexer. De werken zijn sowieso lichter in gewicht doordat de schilder minder verf gebruikt. Soms is de kleur van het naakte doek (dus zonder basislaag) () onderdeel van de kleurschakering van een werk.

Na een paar jaar structureel in en rondom Valkenburg geschilderd te hebben, ontstond in 1974 onenigheid met de gemeente Valkenburg - op dat moment was zijn schoonbroer Henk van Kempen wethouder en loco-burgemeester - over de verplichting van een ventvergunning voor het werken in de openbare ruimte. Hans Coumans was woedend en demonstreerde voor het gemeentehuis, dat de gemeente het deze arme schilder onmogelijk maakte om voor zijn vrouw en kind te zorgen. Volgens de schilder was schilderen in de buitenlucht niets anders dan het maken van een foto. Snelportretteren op de terrassen en in de kroegen, dat viel hier wel onder, erkende hij, en dat zou hij dan voortaan ook niet meer doen. Nota bene zou de gemeente erkentelijk moeten zijn, aangezien deze schilder tenminste nog iets van cultuur bracht in het VVD-bolwerk, waar enkel oog was voor commercie. Vanwege de gemoederen die nogal hoog opliepen, besloot hij vanaf juli in dat jaar voor een half jaar uit te wijken naar Binche in België, waar het gezin hun intrek nam op Chateau du Bois d'Angre, eigendom van een bevriende Valkenburgse familie. In Binche kon het gezin van alle rust genieten en trokken ze er te voet op uit in de licht glooiende velden en de bossen van Zuid-België en Noord-Frankrijk. Als dank voor het verblijf werkte de schilder aan een grote wandschildering in het chateau en schilderde hij een drietal werken ()(). Daarnaast schilderde hij enkele werken in de omgeving van Charlerois.
Weer teruggekeerd in de Lindenlaan richtte hij zich voornamelijk op het schilderen in de natuur. Porttrettekenen zou hij over het algemeen hoofdzakelijk nog op braderieën, de jaarlijkse markten of andere evenementen doen, zodat de benodigde papieren voor hem werden geregeld - want regelen, dat was niets voor de schilder. Dat de rust weder was gekeerd was echter schijn. Het hart van Valkenburg onderging namelijk vanaf begin 80-er jaren geleidelijk aan een transformatieproces (schaalvergroting), wat voor een toenemende afkeer zorgde bij de schilder. Het knaagde zeer, dat de grip van de commercie, de vernieuwingsdrift en de opkomst van het massatoerisme ervoor zorgden, dat de diversiteit in het centrum met zijn ambachten geleidelijk aan moest wijken voor een monocultuur van horeca en dat voor het mergelstadje beeldbepalende monumentale, historische panden waaronder hotel 'Oranje Nassau' en hotel 'Franssen' omwille vluchtige economische belangen werden afgebroken en vervangen door anonieme, grootschalige moderne architectuur. Dit betekende de afbraak van de unieke identiteit van het authentieke mergelstadje. En die authentieke identiteit maakte het stadje nou juist bij veel mensen geliefd, meende de schilder. Het pittoreske karakter moest inboeten voor vervlakking, de uitzondelijkheid moest plaatsmaken voor de algemeenheid. Diverse keren tekende de schilder protest aan bij de gemeente aan of droeg hij alternatieven aan. Zo betichtte de schilder de plaatselijke schoonheidscommissie van de gemeente van afhankelijkheid, aangezien het nieuwe bankgebouw werd voorzien van een marmeren gevel, terwijl het voor de gemiddelde inwoner strikte regel was om bij nieuwbouw, en zeker in het centrum van Valkenburg, mergel toe te passen. Zelfs het plaatsen van een dakkapel was een moeizaam burocratisch proces. Een andere keer wilde de gemeente de oude gietijzeren lantaarnpalen in het centrum en dus ook in de Lindenlaan te vervangen door een strak eigentijds model. De schilder was het met deze ingreep niet eens en tekende protest aan. In overleg met de plaatselijke smit stelde de schilder een historiserende lantaarn voor om het karakter van de straat te behouden.
Als gevolg van diverse overstomingen in Valkenburg, die ook de Lindenlaan raakten, vond eind 1974 begin 1975 een verbouwing plaats aan de atelierwoning. Om ervoor te zorgen dat de binnenplaats voortaan niet meer overstroomde, werd deze overkapt door transparante, lichtdoorlatende golfplaten en bij het atelier getrokken, dat nu verdubbelde in omvang. Deze extra werkruimte was zeker ook wenselijk gezien de toename van opdrachten. De verbouwing had de schilder een rip uit zijn lijf gekost, dat hij een affiche in de etalage plaatste met de tekst: 'na de verbouwing zijn de schilderijen duurder'.
In de tussentijd leidde de toenemende toestroom van toeristen, die volgens de schilder ordinaire zo niet hedonistische taferelen met zich mee droeg, dikwijls tot een rumoerige, grimmige sfeer in het mergelstadje, waaraan de Lindenlaan ook ten prooi viel. Behalve de nachtenlange geluidsoverlast van groepen jongeren in het naastgelegen hotel veroorzaakte met name brandgevaar een ernstige aantasting van het woongenot van het kunstenaarsgezin. Omdat de bouw van een extra woningscheidende wand geen verbetering bracht, restte de schilder tot groot verdriet niets anders dan zijn ooit zo geliefde Valkenburg definitief de rug toe te keren.

Dankzij een bevriend Valkenburgse kastelein - hij was de zoon van de chateau-familie - en tevens vastgoedhandelaar kon het kunstenaarsgezin, met hun tweede zoon Jarosj op komst, terecht in het rustigere forenzendorp Nuth. De kastelijn was eigenaar van het kolossale voormalige nonnenklooster-bejaardenhuis met bijgebouwen en een groot park aan de Stationsstraat. Omdat het kloostercomplex op den duur zou worden afgebroken en het terrein herontwikkeld, was in het kloostergebouw op dat moment tijdelijk een asielzoekerscentrum (AZC) gehuisvest en kon het kunstenaarsgezin zo lang kostenloos antikraak een deel van het bijgebouw - dit was het voormalige Groene Kruisgebouw - bewonen, terwijl het andere deel werd verhuurd aan de plaatselijke scouting.
In Nuth trok Hans Coumans te voet of per fiets erop uit om te werken in de omgeving van Terstraten ()()()en rondom Wijnandsrade (). Door het contact met zijn buren ontmoette hij een Creoolse dame, die de schilder vanwege haar schoonheid dusdanig 'begeisterde', dat hij haar vroeg te poseren en hij haar afbeeldde als Maria en haar kind (), omgeven door goud licht. Geregeld bezocht hij Valkenburg, voornamelijk voor opdrachten van portretten ()()()(), waaronder een portret van bekend dirigent Passmans uit Schin () ter ere van diens afscheid. Omdat hij geen rijbewijs had, ging hij geregeld met de bus, de fiets of wandelend naar Valkenburg, maar vaak werd hij opgehaald en thuisgebracht door de opdrachtgever. Omdat de schilder zelf een afkeer had van auto's - als medepassagier was hij voortdurend angstig en op de hoede voor mogelijke ongelukken - besloot zijn vrouw om rijlessen te gaan nemen, zodat het kunstenaarsgezin in ieder geval mobiel was.
In Nuth kreeg de schilder eindelijk de financiële kwestie onder controle, wat ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef. Voor het eerst in zijn leven ontving hij een aanslag van maar liefs 2.000 Gulden, een astronomisch bedrag voor een kunstschilder, aldus de schilder. Hij was furieus, omdat hij in tegenstelling tot veel collega-kunstenaars in zijn loopbaan (uit principe) nooit een beroep had gedaan op de BKR-regeling en dat men hem nu zijn zuur verdiende geld durfde af te pakken. Vanaf dan zou er een innige briefwisseling met de belastingdienst ontstaan, waar nooit een einde aan zou komen, en die volgens sommigen net zo innig moet zijn geweest als die van die andere schilder Vincent van Gogh met zijn broer Theo. De frustratie resulteerde in een schilderij (), waarin hij zichzelf afbeelde als armoedzaaier, die de last van de hele wereld op zich moest nemen.
Ofschoon Nuth de schilder had verlost van de stresvolle situatie in Valkenburg, ontbrak het Nuth aan een uitgesproken karakter en een uitbundig gemeenschapsleven - het dorp was eerder slaperig. Dit zorgde ervoor dat de schilder, weg van het bruisende Valkenburg waar hij zo gehecht aan was geraakt - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden - steeds meer in een sociaal isolement belandde en hij in een mineurstemming terecht kwam. Daarnaast begon geleidelijk aan ook bij de buren, de scouting, overlast van geluids, die geregeld feestjes organisseerde en popmuziek draaide. Alsof dat nog niet genoeg was, ontstond er gaandeweg drugsoverlast in het klooster. Van 's ochtendsvroeg tot 's avonds laat werd intensief heroïne gedeald, er heerstte een grimmige sfeer door allerlei ongenode bezoekers en het park lag bezaaid met gebruikte drugsnaalden, wat hem zeer nerveus maakte vanwege het gevaar voor zijn twee kinderen. Toen hij na een inbraak en intimidatie van zijn vrouw verhaal ging halen bij de buren, vond er een gericht schietincident op het huis van de schilder plaats en was het gezin gedwongen om halsoverkop onder leiding van een politie-escorte hun woonhuis te verlaten. Deze situatie bezorgde de schilder een zenuwinzinking en achtervolgingswaan. Via vrienden vond het gezin drie weken toevlucht in een vakantiepension in Mechelen - hier portretteerde hij de eigenaar, zijn vrouw en dochter ()()() - daarna drie weken in Slenaken eveneens in een pension - hier vervaardigde hij twee muurschilderingen ()() als ook twee schilderijen ()() - en aansluitend nog enkele weken bij kennissen op de zolderverdieping in Hoensbroek - een paar jaar later portretteerde hij meneer en mevrouw ()(). Hij ging volledig door het lint, toen hij dacht zijn belagers in Hoensbroek op een markt, waar hij aan het werk was, te zien. Als gevolg hiervan werd hij opgepakt en een nacht opgenomen in de psychiatrische kliniek Welterhof in Maastricht. In de tussentijd vond er een grote inval plaats bij het AZC - deze actie bleek al weken in voorbereiding - waarbij de politie een aantal mensen arresteerde en het centrum uiteindelijk werd gesloten. Nadat de rust was wedergekeerd, keerde de schilder, inmiddels depressief van alle gebeurtenissen, en zijn kunstenaarsgezin nog maar voor korte tijd terug. Vanwege de aanvang van de herontwikkeling in 1981 was het gezin gedwongen om Nuth te verlaten.

Via een bevriend makelaar, die ook schilderijen in bezit had, vestigde het kunstenaarsgezin zich, nu met hun dochter Carmen op komst, in het plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder de imposante voormalige harmoniezaal aankocht. De harmoniezaal was gelegen midden in het dorp schuin tegenover aan de ene kant de kerk en de andere kant de plaatselijke kroeg. Binnen de kortste keren gonste het door tot in Valkenburg, dat de theaterman zijn eigen theater had gekocht. Ondanks dat de makelaar het theater vanwege de hechte band zonder winstoogmerk aanbood, was de aankoop van 35.000 Gulden onbetaalbaar voor de schilder. Zodoende zou het gezin een van de twee Valkenburgse tantes laten inwonen - haar zus was een paar jaar eerder overleden - die met haar inmiddels 72 jarige leeftijd haar pensioenjaren hier in alle rust zou kunnen doorbrengen. Na de aankoop zou het ruim een half jaar duren voordat de harmoniezaal was getransformeerd van een open balzaal tot een volwaardige atelierwoning met het atelier van de schilder op de voormalige bühne en een afzonderlijk appartement voor de tante op het voormalige theaterbalkon boven de entree. Niet dat de schilder zelf actief betrokken was bij de bouw. Als gevolg van zijn depressie maar deels ook onvermogen richtte hij zich vooral op het schilderen. Het was hoofdzakelijk de schildersvrouw die tijdens de bouw aanwezig was en alles regelde en dankzij de plaatselijke elektricien alsook enkele van zijn Valkenburgse kameraden, dat de verbouwing uiteindelijk slaagde.
Weg uit Nuth, zou Hans Coumans nog even nodig hebben om zijn depressie te boven te komen. Doordat zijn inkomsten drastisch waren gekelderd was de schilder nauwelijks in staat om verf, penselen en doeken in te kopen. Maar ondanks zijn depressie, ging hij toch schilderen en weigerde hij om een uitkering van de gemeente te accepteren. Immers, hij had zijn hele leven elke vorm van overheidssteun geweigerd. Nadat de wethouder van de gemeente Onderbanken met portefeuille o.a. sociale zaken en welzijnszaken in 1982 hiervan op de hoogte werd gesteld - deze was overigens stomverbaasd, dat deze schilder nog nooit van zoiets als kindergeld had gehoord en ook niet begreep waarom je überhaupt gratis geld voor een kind zou moeten krijgen - bracht deze een bezoek aan het kunstenaarsgezin. Hoewel de wethouder probeerde de schilder te overreden om een uitkering te accepteren, waarop hij en zijn gezin gewoon recht had, bleef de schilder bij het standpunt dat hij en niemand anders de kost voor zijn gezin zou verdienen. En in dat denkbeeld paste geen uitkering. Uiteindelijk zou de schilder akkoord gaan met een lening van 1.250 Gulden, onder de voorwaarde dat hij het mocht aflossen door zijn atelier open te stellen voor schilderles aan het jeugdwerk Schinveld en andere maatschappelijke organisaties binnen de gemeente.
Deze financiële impuls maar zeker ook het contact met jongeren ()(), die (net als de schilder zelf ooit) in een moeilijke situatie verkeerden, gaven hem de kracht om over zijn depressie te komen. Toen zijn huis eenmaal gereed was, zijn vrouw en de tante het naar hun zin hadden, de kinderen met plezier naar school gingen en hij in alle vrijheid weer kon schilderen, ervoer hij voor de eerste keer waar geluk. Hier in Bingelrade had hij een mijlpaal bereikt, wat hij van jongs af aan had nagestreefd en wat hem door zijn ouders niet gegund was. Gevestigd in deze groene omgeving vond hij de langgekoesterde rust, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst. In deze periode ontstond er ook weer contact met zijn voormalige romance en kwam hun zoon Roeland ter sprake. Ook bezocht hij weer af en toe zijn ouders in Strucht, die hij even later zou portretteren in een dubbelportret () - overigens vond zijn moeder dat zij in haar ogen veel te streng was afgebeeld.
Na een 'mindere' tijd in Nuth brak in Bingelrade voor het eerst sinds lange tijd een persoonlijke en artistieke bloeiperiode aan. Zijn serieuze kunstinspanningen begonnen serieus vruchten af te werpen en hij verkreeg groeiende belangstelling voor zijn Heuvellandmotieven - zijn favoriete onderwerp - in de provincie. De laatste vijf jaar van zijn kunstenaarscarrière genoot Hans Coumans zowel artistieke als financiële voorspoed. In de provincie had hij inmiddels naamsbekendheid verkregen als respectabel schilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. Vanuit Bingelrade trok hij door weer en wind te voet of te fiets met zijn schildersuitrusting onder zijn arm naar Jabeek, Schinveld (), Etzenrade ()(), Doenrade en schilderde hij de typische vergezichten ()()()()() en holle wegen ()()()()()()(). In Amstenrade bezocht hij geregeld het gebied rondom het kasteel () en in Schinveld nabij de kerk (). Veelvuldig verkende hij de grens met Duitsland om in en rondom Gangelt (), Minder-Gangelt () en Wehr te werken. Na een korte reis naar Spanje voor een opdracht van een aantal portretten, trok hij ook weer geregeld naar het Geuldal. Nu zijn vrouw haar rijbewijs had behaald en het gezin mobiel was, bracht zij haar man 's ochtends naar Valkenburg of naar de vele andere plekken in Zuid-Limburg en haalde zij hem 's avonds weer op. Overigens had hij tegen die tijd een panische angst ontwikkeld voor het meerijden in een auto, dat rijden voor de bestuurder bepaald geen pretje was. In Valkenburg en omgeving vereeuwigde hij opnieuw de typische taferelen op canvas en opnieuw stond hij volop in het middelpunt van de belangstelling. Zo schilderde hij weer op zijn geliefde plekken nabij het Huis aan de brug (), in de Bogaardlaan ()()(), de Grotestraat () en in het Odapark () als ook op de Cauberg (), bij het Geulstrand (), Kasteel Oost () en Kasteel Schaloen ()(). Verder werkte hij in Sibbe (), Houthem (), Cadier en Keer (), in Schweikhuizen (), Slenaken en in Terstraten ()()(), waar hij de typische vakwerkhuizen portretteerde.
Het verzoek voor schilderlessen van een plaatselijke timmerman en tevens amateurschilder, lid van een schildervereniging in Sittard, leidde ertoe dat de schilder zijn atelier openstelde voor onderricht. Aanvankelijk hield de schilder vol, dat hij zich hier niet mee bezighield vanwege de 'trammelant' dat dit met zich meebracht, maar eigenlijk had hij gewoonweg geen idee hoe hij dit zou moeten organiseren. Na een paar bezoeken aan het atelier en een gezamenlijke schildersessie werd onderling afgesproken, dat indien de plaatselijke amateurschilder de leerling-kandidaten alsook de financiële afhandeling zou regelen - men moest de schilder niet lastig vallen met financiële kwesties - dat Hans Coumans bereid was om les te geven. Nadat het netwerk en een advertentie in de krant binnen de korste keren de nodige respons had opgeleverd, zou de schilder vanaf dat moment een paar keer per week afwisselend overdag en 's avonds een gemêleerd publiek verwelkomen op zijn atelier. Om iedereen op het atelier te voorzien van een werkplek verzorgde de amateurschilder tevens een aantal zelfgefabriceerde schildersezels. Onder de leerlingen bevonden zich amateurschilders van alle leeftijden, scholieren van het College in Sittard, jongeren van de jeugdzorg Schinveld, studenten van de kunstacademie - deze werden doorverwezen door docenten van de kunstacademie in Maastricht - en afgestudeerde academici. Overigens zal het niemand verbazen, dat hier net zo enthousiast geouwehoerd en gefilosofeerd, gelachen en het glas geheven als geschilderd werd. Gedurende de zomermaanden vertoefde hij wekelijks twee tot drie keer met wisselende internationale gezelschappen van leerlingen op verschillende plekken in Zuid-Limburg om en plein air te werken. Daarnaast werd de schilder uitgenodigd om een periode als gastdocent les te geven op de Open Universiteit in Düsseldorf.
Doordat de zoon van een leerling-schilder en opdrachtgever een functie had als adviseur in de toenmalige cultuurcommissie van het Koninklijk huis en deze na een aantal bezoeken aan het atelier erg te spreken was over het werk van Hans Coumans, ontving de schilder in 1981 de nationale opdracht voor het vervardigen van het staatsportret van aankomend Koningin Beatrix. Ofschoon hij als hofschilder landelijke bekendheid en eeuwige roem zou vergaren, bedankte hij er toch voor. De schilder was immers zijn hele leven in opstand gekomen tegen het establishment en zou zichzelf nu niet verloochenen. Wel hielp hij later een andere leerling bij een portet van de Koningin, welk is geschonken aan de gemeente Gulpen.
Terwijl Hans Coumans na een langlopende schilderscarriere van 25 jaar een status had bereikt als gevestigd kunstschilder - dit was wennen voor iemand die altijd tegen de gevestigde orde had gestreden - verkreeg hij tot frustratie niet de artistieke erkenning vanuit de 'officiële' kunstwereld. Hoewel hij altijd fel gekeerd was tegen (elke vorm van) authoriteit, zocht hij nu (nu hij enige tijd actief was als serieuze schilder) toch naar een vorm van bevestiging van zijn talent vanuit de kunstwereld. Het pad van volledig vrij schilderen ging gepaard met zowel persoonlijke als artistieke onzekerheid. Zeker als solistische, autonome schilder zijnde zonder gelijkwaardig klankbord maakte het gewaagd om zijn werk op artistieke waarde te beoordelen. Echter, aangezien Hans Coumans buiten de mainstream kunst om werkte, werd hij volledig genegeerd. De kunstwereld was op dat moment volledig in de ban van de (non-figuratieve) abstracte en conceptuele kunst, welke alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard, en waardoor de vakliteratuur gevolgelijk geen aandacht besteedde aan het figuratieve werk van Hans Coumans. In de Post-Modernistische tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek. Men geloofden dat de vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij. Toonaangevende kunst was vernieuwend, onvoorspelbaar: het moest ontwrichten, in de war sturen en zo (kritische) vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde de esthetische (figuratieve) kunst van Hans Coumans tot eerdere tijden. Hans Coumans aan de andere kant zag de ontwikkelingen onmachtig aan: "wie bepaald dat nou, wat kunst is..?" en had duidelijk andere opvattingen over kunst. Zijn hele leven had hij zich nooit iets aangetrokken van wat er 'in de mode' was en hanteerde hij het impressionistisch penseel om uitdrukking te geven aan zijn persoonlijke fascinatie voor natuurmotieven. Zijn pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten vond op dat moment geen weerklank. De schilder geloofde niet in de belofte dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden. Vernieuwing, innovatie of technologische ontwikkelingen hadden volgens hem enkel geleid tot meer sociale ongelijkheid, vervuilende industrie en massavernietigingswapens. In zijn ogen had de mens het contact met de echte wereld, met de natuur, verloren en zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme. Met zijn fascinatie wilde Hans Coumans de schoonheid van de natuur en pracht van het leven laten zien. De recente kunststromingen aanschouwde hij als een teloorgang van het ware meesterschap. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch: choqueren om het choqueren. "...Kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, hij verweet veel tijdgenoten kuddegedrag, vanwege het kritiekloos en gevaarloos volgen van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling, een financiële compensatie-regeling voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten.
Nu het schilderlessen op het Bingelraadse open atelier gezien de toeloop een geslaagd project was gebleken, wilde de plaatselijke amateurschilder ook zijn hulp aanbieden om een expositie te organiseren voor de schilder. Omdat de Sittardse schildervereniging eerder al had geëxposeerd in het Kasteel Doonder in Doenrade, waar geregeld allerlei cultuurfestiviteiten en kunstveilingen plaatsvonden, was de amateurschilder bekend met de kasteeleigenaar, die bij navraag direct toestemming gaf voor het initiatief. Zodoende organiseerde de amateurschilder samen met de schildersvrouw in januari 1984 (in het weekend van 13 t/m 15 januari) een (tweede) expositie voor de Bingelraadse schilder, welk een groot succes werd. Ondanks dat de schilder, naast dat hij al geen aandeel had in het regelen, niet aanwezig was op de expositie en er op zijn nadrukkelijk verzoek ook geen officiële opening was, werd de 'openingsavond' druk bezocht en het merendeel van de circa 30 werken direct op diezelfde avond verkocht. De schilder had in al die jaren een brede groep van fans en geïnteresseerden opgebouwd, die getrouw werk aankochten. Hoewel de schilder aangaf dat allemaal niets voor hem was, was zijn afwezigheid enkel en alleen het gevolg van een nerveusiteit, of zijn werk zou aanslaan bij het grote publiek. Maar dit welslagen had zeker gevolgen voor zijn welbevinden en vertrouwen in zijn artistieke kunnen, wat voor een verdere opleving zorgde. De schilder kende een enorme gedrevenheid en in korte tijd meer dan 30 nieuwe schilderijen te vervaardigen. Gedurende het voorjaar had de schilder zich laten inspireren door motieven met het thema 'bloesem'. Stuk voor stuk onderwerpen, die kenmerkend waren voor de omgeving of zo langzaamaan een zeldzaamheid werden in het Limburgse landschap. Gezien de ontplooide activiteiten was het mogelijk gebleken reeds na een half jaar, in het eerste weekend van juni (2 en 3 juni), opnieuw een expositie met de naam Bloesemexpositie ()()()()()()()() te organiseren, wederom in kasteel Doonder. Deze keer werd de expositie geregeld door de wethouder - met hem en zijn vrouw onderhield het kunstenaarsgezin inmiddels een hartelijke vriendschap - de schildersvrouw en een aantal vrienden. Net zoals bij de eerdere opening wilde de schilder aanvankelijk niet aanwezig zijn omdat hij nogal nerveus was voor hoe de nieuwe aanwinst door het publiek zou worden ontvangen. Maar na een half uur aandringen van de wethouder, dat de bezoekers ook voor hem persoonlijk kwamen en dat hij vooral niets hoefde te doen behalve aanwezig zijn gedurende de opening, veranderde hij van mening. Eenmaal in kasteel Doonder, waar een drukke menigte aanwezig was, voelde hij zich al weer snel een stuk beter, zeker toen er rode stippen werden geplakt. Uiteindelijk bleek deze expositie zowel in artistiek als financieel opzicht een groot succes, omdat bijna alle werken werden verkocht. Deze expositie was in veel opzichten een uitvloeiing van een nieuw welbevinden. Het bloesemthema stond ongetwijfeld symbool voor de bloeiperiode waarin hij zich sinds een jaar of twee, drie bevond. De werken beschikken over een zekere lichtheid en zijn levendiger dan ooit te voren. Ze zijn even treffend als krachtig neergezet en sprankelen door een complex en uitbundig koloriet. De werken getuigen van een onderscheidend meesterschap en een vanzelfsprekend zelfvertrouwen in zijn kunnen. Veel van de technieken die de schilder eerder al had geprobeerd, combineert hij nu. Zo zien we krachtige toetsen, maar tegenlijkertijd zachte veerachtige structuren om beweging te suggereren bij elkaar komen.
Direct na afloop van de expositie opperde de wethouder het plan voor een reeks van nieuwe jaarlijkse exposities, waarvan de eerste in het Kloeëster in Schinveld gehouden zou kunnen worden. De wethouder zou alles organiseren en de schilder hoefde enkel zoveel mogelijk schilderijen aan te leveren.

Maar dat initiatief moest worden uitgesteld, want kort daarna, eind 1984, bleek Hans Coumans opeens zwaar ziek. Met een geel gelaat werd hij enkele weken opgenomen in het ziekenhuis in Brunssum. Dankzij een behandeling, die nog net op tijd kwam, overleefde hij het ternauwernood. Het jarenlange enthousiaste drankgebruik had geresulteerd in een ernstige maar voor hem gelukkig niet onomkeerbare levercirrose. Zijn immer zo geliefde dorstlesser was hem nagenoeg fataal geworden. Niets deed de uitgeputte, tengere verschijning herinneren aan de eens zo flamboyante, masculeine kerel van voorheen. Ook de werken ()()()()()()() maakten een verandering door. Hoewel hij nog steeds dezelfde onderwerpen hanteerde, werd de verf dikker en de kleuren verzadigder. Het lijkt alsof hij de grip kwijt was en dit trachtte te compenseren door hardere kleuren en meer verf. Vanaf het moment van de opname in het ziekenhuis zou hij in totaal bijna een jaar nodig hebben om zijn ziekte volledig boven te komen. Die weken opgesloten in het ziekenhuis bracht de vrije schilder weer even in een mineurstemming, waardoor hij prikkelbaar en dikwijls onuitstaanbaar was, zelfs jegens zijn vrouw. Naast de hevige persoonlijke impact betekende dit voor het kunstenaarsgezin een zware financiële klap, aangezien de schilder als vrije zelfstandige nooit een ziektekostenverzekering of een overlijdensverzekering had afgesloten en niet aan pensioenopbouw deed. Hoe kun je je nou verzekeren tegen overlijden(?), beargumenteerde de schilder, die vooral in het onmiddelijke moment leefde. Ondanks zijn ziekte moest hij zich al weer snel zien te herpakken - "... Jezus had immers meer geleden dan ik...", beweerde hij - en moest hij schilderen om de monden van zijn gezin te voeden. Eenmaal verlost van het ziekenhuis barstte de schilder binnen de korste keren van de energie. Hij beschikte wederom over een enorme geestdrift. Hij had het gevoel te hebben afgerekend met het verleden en werkte als een bezetene aan diverse schilderijen tegelijk. Het atelier geraakte gestaag overladen met werken. In de buitenlucht bediende hij zich soms van twee ezels, zodat hij aan meerdere schilderijen tegenlijkertijd kon werken.
Toen in mei 1985 Paus Johannes Paulus II Nederland bezocht, schilderde Hans Coumans een groot kritisch werk van de Paus, knielend op de grond, de heilige gond kussend, terwijl onder de grond (in de mijnen) de kruisraketten, destijds het besluit het CDA en overigens een publiek geheim, gestationeerd waren. Het was de bedoeling dat dit werk onderdeel zou worden van een serie van zes werken, dat vergezeld van kritische proza van de hand van een bevriende bakker en tevens (in Limburg) befaamde activistische dichter uit Schinnen, zou worden uitgegeven.
Omdat de schilder in de periode na zijn ontslag uit het ziekenhuis binnen de kortste tijd weer een omvangrijke productie had gerealiseerd, organiseerde de wethouder samen met de schildersvrouw eind november 1985 (22 november t/m 3 december) dan eindelijk de geplande (vierde) expositie ()()()()()()()() in het Kloeëster in Schinveld. Dankzij de inzet van wethouder werd de opening officieel verricht door de burgemeester van de gemeente Onderbanken en werd het geheel omlijst door een klassiek muziek-ensemble. Al gedurende de drukbezochte opening bleek dat deze expositie de meest succesvolle tot dan toe zou zijn. Alle werken waren binnen een mum van tijd verkocht en nog nooit had de schilder na afloop zo veel geld verdiend, een voor die tijd en zeker voor een schilder astronomisch bedrag van maar liefst 7.000 Gulden, dat hij dit nauwelijks kon bevatten.
Omdat Hans Coumans als dank persé iets terug wilde doen, stelde hij voor om een (onvoltooid) dubbelportet () te maken van de zonen van de wethouder. Ook stelde hij zich beschikbaar toen het oude Kajottershuis in Schinveld werd geopend en voor de jeugd beschikbaar werd gesteld om de aanwezige jongeren te portretteren.

Met een volgende expositie in voorbereiding, kwam op 16 november 1986, op weg naar de jaarlijkse bosloop in Malden om de winnaars te portretteren, als gevolg van een auto-ongeluk op de A73 ter hoogte van de afslag Heumen plotsklaps een einde aan zijn leven. Nota bene het voertuig, waar hij zijn hele leven een panische angst voor had, was hem noodlottig geworden. Nog in de week voor het fatale ongeluk had hij zijn hoofd er niet naar staan: "Dat geraas met die auto's..!". Maar ja, er moest brood op de plank, zo stelde hij. Ook een dag eerder in de plaatselijke kroeg had hij al laten doorschemeren, dat hij geen trek had om dat hele stuk rijden. Gelukkig zou het de laatste keer zijn dat seizoen, voordat de koude hem het snelportretteren in de buitenlucht onmogelijk zou maken. De betreffende mistige novemberochtend paste de schildersezel niet in de kleine auto van degene die de schilder kwam ophalen, wat leidde tot een fikse woordenwisseling met zijn vrouw, die hem smeekte niet te gaan. Maar hij moest gaan, immers, hij had het die mensen beloofd. En beloofd is beloofd. Hans Coumans werd 43 jaar.