HANS COUMANS
man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Biografie

Kunstschilder Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Ondanks dat hij van jongs af aan door rusteloosheid gedreven op zoek naar vrijheid de wijde wereld in trok, bleef hij terugkeren naar zijn geliefde Heuvelland om hier, eenmaal verlost van de grip van de maatschappelijke orde, in alle rust te schilderen.

Johannes Jozef (Hans) Coumans werd in de Tweede Wereldoorlog op 19 maart 1943 geboren als vijfde telg uit een doorsnee arbeidersgezin in de Grachtstraat in het lommerijke kerkdorp Strucht (Schin op Geul) in Zuid-Limburg. Ondanks dat het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul door de Reichsschuhle voor jongens in het voormalige Jezuitenklooster een Duits bolwerk was, was Strucht redelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen. In het dorp hadden zeker ingrijpende incidenten plaatsgevonden, zoals enkele aanhoudingen en deportaties naar Duitse werkkampen, maar zware oorlogshandelingen en bombardementen hadden er niet plaatsgevonden. Vlak na de oorlog was Strucht een typisch Zuid-Limburgs dorp, een tamelijk gesloten gemeenschap voornamelijk bevolkt door enerzijds agrariërs en anderzijds mijnwerkers, waar de tijd langzaam verstreek, een sober leven heerstte en hard werd gewerkt - er was honger. In het dorp golden de Roomse moraal en de oude waarden, en zorgde het verenigingsleven - kerk, carnaval, schutterij - voor sociale cohesie. De Grachtstraat lag in een uithoek van het dorp aan de voet van de Dousberg en was een mijnwerkersenclave, die ook wel de Jordaan genoemd werd vanwege de grote gezinnen die er woonden en die het niet breed hadden. Een gemiddeld gezin telde in die tijd vaak 8 kinderen, in een extreem geval zelfs 17 kinderen, en de familie Coumans zat daar qua omvang met 6 kinderen niet ver vandaan. Binnen de familie Coumans was vader des huizes was de Peter Alphons (Funs) Coumans (*21-10-1907; +Valkenburg 11-02-1991), een in Strucht geboren mijnwerker en fanatieke, overigens niet onverdienstelijk wedstrijd-duivenhouder, die geregeld prijzen in de wacht sleepte (waaronder fietsen voor de kinderen). Funs Coumans was een bedeesd, behulpzaam man, zelf een huismus, die vooral in en rondom het huis en zijn kooltuin actief was. Het mijnwerkersberoep, dat Funs Coumans ruim 40 jaar lang zou uitoefenen, was zwaar - vijf dagen per week stopte er 's ochtendsvroeg om 03:45 een speciale Emma-bus in het dorp om de arbeiders op te halen - maar zijn grote passie voor duiventelen en (af en toe) sterke drank bracht enige verlichting. Moeder was de (zoals zij door buurtgenoten werd omschreven) ietwat 'chique mevrouw' Maria Johanna (Maria) van der Loo (*Duisburg 07-08-1912; +Valkenburg 10-07-1992), de met grote toegeeflijk opgevoedde dochter van de uit Duisburg afkomstige architect-uitvinder Henricus van der Loo. Maria Coumans-Van Loo was een stadsdame, 'eentje van buiten' werd wel gezegd in de buurt, een matrone, die zoals gangbaar in die tijd het huishouden voor haar rekening nam. Overigens was haar vader als architect gewaardeerd en betrokken bij omvangrijke opdrachten zoals de restauratie van de Dom in Keulen. Wel had hij behalve voor bouwkunst grote voorliefde voor alcohol, en zodra er zich een kroeg in de buurt van een werk bevond, dan kwam er weinig van bouwkunst terecht (wat minder werd gewaardeerd).
Funs Coumans en Maria van Loo waren op 14-02-1931 op 23- en 18-jarige leeftijd in het huwelijk getreden en vrijwel direct aan kinderen begonnen. Maria verwachtte haar eerste kind op haar 20e. Ondanks de kerkelijke omgeving praktiseerden zij geen streng geloof, maar genoten de kinderen wel een strenge en redelijk conservatieve opvoeding volgens de waarden en normen uit die tijd. Dankzij de professie alsook het familiegeld van Henricus van Loo en doordat Funs Coumans zich in de loop van de tijd in de staatsmijnen Emma in Hoensbroek had opgewerkt tot boven de grond en een redelijk goed betaalde baan genoot als planner, was het mogelijk geweest om voorafgaand aan de oorlog eigenhandig een vrijstaand huis te bouwen in de Grachtstraat waar het 8-koppige gezin in een gemoedelijke sfeer hun leven doorbracht en de kinderen in voorspoed opgroeiden.
Afgekeerd van de doorgaande weg had de Jordaan directe verbinding met het groene achterland, waardoor het een rustig en veilig domein was voor de jeugd, die van heinde en verre kwam om elkaar hier te treffen en de vrije tijd door te brengen. Met buurtgenoten trok de jonge Hans Coumans door de natuur in de omgeving en het bos op de Dousberg, waar zij gezamenlijk hutten bouwden en quasi-survival activiteiten ontplooiden. Ook dochter Christine van de gegoede hotelfamilie Van Kempen uit Valkenburg aan de Geul vertoefde hier met enige regelmaat. Door een liefdesrelatie van de oudste dochter van de mijnwerkersfamilie en de oudste zoon van de hotelfamilie onderhielden beide families aan het begin van de jaren 60 een vriendschappelijke band en verbleef dochter Christine van Kempen gedurende de vakantieperiodes, voor hotels steevast een drukke en hektische tijd, geregeld in de Grachtstraat. Van hieruit ondernam Maria Coumans met de kinderen van beide families excursies in de natuur of bezochten zij gezamlijk attracties in de omgeving, zoals het Sprookjesbos in Valkenburg en Kasteel Schaloen in Oud-Valkeburg. Niemand kon op dat moment vermoeden dat Christine van Kempen met de herhaaldelijke bezwerende uitlatingen dat zij en haar schoonbroer Hans Coumans later ooit nog eens in het huwelijksbootje zouden treden - die laatste verkoos hevig geschrokken daarop keer op keer het hazenpad - op een later tijdstip daadwerkelijk van doorslaggevende invloed zou zijn en een beslissende positieve wending teweeg zou brengen in de carrière van de toekomstige schilder.

Het zou niet lang duren voordat het de ouders Coumans duidelijk werd dat hun zoon over een opvallend artistiek talent beschikte, zodra vanaf zijn vierde levensjaar talloze behangrollen en het nodige houtskool, normaliter bestemd voor het opwarmen van het eten in het arbeidersgezin, het moesten ontgelden. Maar de tekenkunsten manifesteerden zich pas publiekelijk, wanneer hij vanaf 6-jarige leeftijd op de katholieke basisschool een paar tekenwedstrijden won. Overigens zat hij in een opvallend artistiek klasje: ook andere kunstzinnige klasgenoten (waaronder een buurtgenoot waarmee hij lange tijd zou optrekken) wonnen eveneens prijzen. Soms betrof de hoofdprijs een excursie met de gehele klas. Een andere keer ontving hij voor een tekenwedstrijd uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan 50.000 kinderen deelnamen de tweede prijs, een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs 600 Gulden bedroeg, omdat de jury de inzending niet afkomstig van een kind achtte.
Rond zijn achtste levensjaar was het definitief beklonken welke loop zijn leven zou gaan nemen. "Ik word schilder en ga de wijde wereld in...", verkondigde de jonge Hans Coumans dan al vastberaden, terwijl omstanders verbaasd hun schouders ophaalden. Het is trouwens de vraag of die vrijheidsdrang geïnspireerd was op die andere schilder in de straat of dat dit het gevolg is dat hij pas laat (met 18 maanden) kon lopen en lange tijd gekluisterd zat aan de kinderbox, wat mogelijk een traumatische indruk had achtergelaten. De jonge Hans Coumans had het plan opgevat om te gaan studeren aan de kunstacademie en tot die tijd zou hij het vooral rustig aan kunnen doen. In de klas nam de aspirant schilder veelvuldig het voortouw zodra het vak tekenen aan bod kwam en sporadisch maakte hij al vluchtige portretjes (voor zover men daarvan kan spreken) van zijn medeleerlingen. Soms was hij als een van de eerste leerlingen op school en dan had hij het hele bord al volgetekend. Of als andere kinderen gingen ravotten op straat, dan hield hij zich met kunstzinnige zaken bezig: dan verschafte hij zich een blok zachte mergelsteen uit de mergelgrotten in de omgeving om deze vervolgens met een schilmes of ander keukengerij te bewerken tot een werkstuk. Hoofd van de basisschool en zelf gepassioneerd amateurschilder, die in het dorp erom bekend stond dat hij creativiteit belangrijk vond en dit actief stimuleerde bij zijn leerlingen - hij hielp eerder onder meer 'trots van het dorp', de bekende kunstschilder (en buurtgenoot uit de Jordaan) Guillaume Stassen, die later naar Amsterdam en Parijs trok - onderkende al vroeg de begaafdheid van de jonge Hans Coumans en adviseerde de ouders, die overigens geen enkele affiniteit met kunst hadden, om de creativiteit van hun kind verder te ontwikkelen. Ondanks de welgemeende intenties en diverse tekenadviesen van het hoofd van de school was de jonge creatieveling nogal eigendunkelijk, koppig van aard en weinig ontvankelijk hiervoor. De jeugdige Hans Coumans was nogal opvallend gevoelig voor pendanterigheid en ging overal lijnrecht tegen in: hij had namelijk geen advies nodig en wilde het zelf doen. Het hoofd van de school was dan ook stomverbaasd door de houding van zijn leerling en had dan ook ondanks de artistieke gave geen hoge verwachtingen van de jonge creatieveling.
Om gehoor te geven aan het advies van het hoofd van de school stelden zijn ouders aan de jonge aspirant-schilder voor, ondanks dat zijzelf niets met kunst hadden, om het kolenhok achter de keuken in hun huis te gebruiken voor zijn creatieve uitspattingen. Maar omdat de jonge creatieveling ook wel inzag, dat zijn ouders hem eigenlijk niet begrepen en hem niet serieus namen, weigerde hij dit pertinent. Zijn ouders veronderstelden namelijk dat dit alles een soort hobby was, iets tijdelijks, maar toch zeker niet iets serieus om later van te leven of zijn gezin van te kunnen onderhouden. Zodra de aspiratie van de creatieveling zich rondsprak in de buurt, stelden de overburen de schuur naast hun woonhuis ter beschikking, waar de jonge Hans Coumans op 11-jarige leeftijd zijn eerste 'officiële' atelier inrichtte. Hier experimenteerde hij met gouache en olieverf, maar hij was ook bedreven met objecten van zachte mergelsteen. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, was erg enthousiast geworden en stelde gratis papier en tekenmateriaal ter beschikking en gaf af en toe uitleg over de beginselen van het perspectieftekenen. Geregeld sloten ook enkele andere jonge kunstzinnige buurtgenoten zich aan.
Van de productie uit deze beginperiode is niets bewaard gebleven behalve een olieverfschilderij van een boerderij met een brug uit 1953 () alsook een olieverfschilderij van een boerderij () en het woonhuis van de overburen () - dit werk maakte hij als dank voor het ter beschikking stellen van de schuur - beide uit 1954, toen de jonge Hans Coumans 10 respectievelijk 11 jaar oud was.

Het voornemen om het tot aan de academie rustig aan te doen, daarvan kwam weinig terecht. Na de basisschoolperiode zouden zich weldra turbulente tijden aandienen binnen de familie Coumans. Naarmate Hans Coumans ouder werd, ontwikkelde hij een opvallend emotionele en grillige persoonlijkheid. Dit uitte zich in een impulsief, theatraal en nogal egocentrisch (non-conformistisch) gericht gedrag. Hij was zelfverzekerd en eigenzinnig, hij was sociaalvoelend en hij beschikte over de nodige humor en fantasie. De jonge schilder kende een buitengewone sensitiviteit waardoor hij een intens emotionele verbondenheid met het leven ervoer en gevolgelijk hartstochtelijk in het leven stond. 'Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt' was zeker van toepassing: het ene moment nog innemend, het andere moment kon hij vuur spuwen, zeker zodra er zaken aan de orde kwamen waar hij het pertinent niet mee eens was. Hij had het hart op de tong en nam geen enkel blad voor de mond - als anderen zwegen, dan sprak Hans Coumans zich uit. De middelmaat was niet aan hem besteed. Sterker nog, daar werd hij nerveus van en dan tekende hij protest aan. Dan ging hij er lijnrecht tegen in. Niet alleen was Hans Coumans dikwijls een afwijkende mening toebedeeld, hij gedroeg zich bovendien navenant. Hij deed wat hij zei, ongeacht de opinie van de ander. Als onconventioneel persoon werd de jonge Hans Coumans een opvallend figuur in het (over het algemeen) traditionele kerkdorp. Zijn aantrekkelijk charisma en vlotte sociale omgang, zijn uitgesproken meningen en kunstzinnigheid maakte hem geliefd in het dorp. Hij kende iedereen in het dorp en andersom, en hij begroette iedereen steevast uitbundig. De kwestie schilderen: dit stond voor hem gelijk aan de begaafdheid tot spreken. Schilder was hij in hart en ziel. Als schilder werd je geboren. Dat hij dus schilder zou worden stond vast. Hierover was geen compromis mogelijk. Het onbegrip en de weerstand die hij ondervond hoofdzakelijk binnen zijn ouderlijke omgeving, leidde spoedig tot een rusteloze geest, dat 'bevrijding' leidmotief werd - 'bevrijding' werd een centraal thema in zijn leven - en de jonge Hans Coumans al op jeugdige leeftijd gedwongen was tot een ongebonden en onzeker kunstenaarsbestaan. Al vroeg in zijn leven zou hij zich wagen aan het glibberige pad van kunstenaar.
Halverwege de jaren 50 waren in het rooms-katholieke Limburg de mogelijkheden voor onderwijs na afronding van het basisonderwijs beperkt. Voor velen was een toekomst vanuit de familieachtergrond als arbeider in de mijnbouw of op de boerderij vanzelfsprekend, een kleine groep die gezegend was met goed stel hersens liet zich inwijden in het patersleven in abdij Rolduc in Kerkrade waar men gratis een exclusieve studie kon genieten, maar voor jongeren van eenvoudige komaf met dikwijls een nog onuitgesproken interesse, lag de Ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) in het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul voor de hand. Afgezien van dat hij verheugd was verlost te zijn van de katholieke basisschool die dagelijks aanving met een kwartier preek in de kerk, was discipline om te studeren voor deze onrustige, energieke creatieveling met een overdaad aan fantasie een onmogelijke opgave. En werken had hij op dat moment zeker nog niet uitgevonden. Überhaupt nog te jong voor de kunstacademie, bleek de Ulo voorlopig een vanzelfsprekende keuze. Echter, de keuze voor de Ulo leidde echter al snel tot een onaangename, zelfs naargeestige tijd, dat Hans Coumans er na twee jaar definitief een punt achter zette. In plaats van"... 't harde hout van de schoolbanken..." lokten de verre, vrijere streken. Liever struinde hij, dikwils vergezeld van zijn tekenuitrusting (), dagenlang door de uitgestrekte glooiiende Zuid-Limburgse velden met zijn paarden en koeien, langs de oevers van de Geul of door de bossen op de Schealsberg, soms zelfs over de grens in de Noord-Belgische Voerstreek. De karakteristieke omgeving van het Heuvelland, de bijzondere fenomenen in de natuur, dat fascineerde hem meer. Hij was aangetrokken tot de elementen van de natuur. En de eenzaamheid zorgde voor rust in de 'kop'.
Door zijn afwijkend, ongewillig gedrag kwam de jonge Hans Coumans al snel op gespannen voet te staan met zijn ouders. De ouders, die de kinderen vanuit hun eenvoudige achtergrond enkel het beste dachten mee te geven in de opvoeding, waren nogal 'sturend' in de (school)keuzes van hun kroost. Vooral de moeder van het gezin was hierin buitengewoon streng. In feite was de toekomst van de kinderen grotendeels al uitgestippeld. Zo moesten de zonen een vak leren om later de kost te kunnen verdienen voor hun gezin. De dochters werden naar de huishoudschool in Heerlen gestuurd om een goede huisvrouw te worden. Op de achtergrond speelde mee, dat (zoals gebruikelijk in die tijd) ook van de kinderen geacht werd een (hoewel geringe) financiële bijdrage te leveren aan het huishouden. Zo werkten de oudere broers naast de studie her en der als boerenknaap op de akkers in het dorp. De oudere zussen dienden, behalve actief meehelpen in de huishouding en zorgdragen voor de jongere kinderen, vanaf hun 15e aan de slag te gaan in een naaiatelier in Heerlen om vervolgens een deel van hun verdiende geld over te dragen aan de ouders. In tegenstelling tot zijn broers en zussen, die gehoor gaven, kwam de jonge Hans Coumans in opstand en verzette hij zich fel tegen de nogal dwingende opvattingen van zijn ouders. De jonge revolte voelde zich onfair (onderscheidend) behandeld door zijn ouders. Hij werd namelijk in zijn vrije keuze, zijn 'vrije wil', nota bene een grondrecht, aangetast. Hij wilde (vrij zijn om te) schilderen en over een paar jaar gaan studeren aan de kunstacademie. Zijn keuze stond vast en daarover was geen compromis mogelijk. Het onbegrip van de ouders voor wat de jonge creatieveling bezielde of wat het kunstenaarsschap überhaupt inhield - kunst bracht geen brood op de plank, was de algehele opvatting in de 50-er jaren - leidde spoedig tot onderlinge conflicten. Hij wilde zich beslist niet conformeren en geen (gedeelde) verantwoordelijkheid nemen, ondanks het verzoek van zijn oudere zus om niet alleen aan zichzelf te denken maar ook aan zijn broers en zussen. Maar wat Hans Coumans niet beviel, weigerde hij resoluut. Zeker omdat zijn moeder nogal een gat in haar hand had en vader bij tijd en wijlen de nodige sterke drank achterover sloeg. Sowieso had Hans Coumans geen affiniteit met geld of bezit: hij begreep de waarde niet van geld. Een huis of een automobiel (nog een zeldzaamheid in die tijd) daar had hij niets mee - hij had zelfs een afkeer van auto's en liep geregeld scheldend en vloekend met zijn handen slaand door de lucht, zodra er een auto passeerde op de doorgaande weg in Strucht die in zijn ogen al gauw veel te hard reed. Een andere keer had hij zijn gloednieuwe winterjas ter waarde van 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, gedurende de vrieskou aan een zwerver geschonken, omdat deze de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij, vond hij tot grote verbazing van zijn ouders. Op werkvlak liet hij het voornamelijk afweten of verzon hij een excuus om er onderuit te komen. De enkele keer dat hij als boerenknaap op de akkers in het dorp aan de slag ging, dan was hij vooral een gangmaker, die bedreven was in het entertainen van anderen, in moppen tappen en verhalen vertellen. Maar liever deed hij het wat rustiger aan. Een keer op een veld van een plaatselijke boer beweerde de jonge creatieveling dat zijn voet was omgekwinkeld nadat hij zich verstapt had om zich vervolgens als een manke naar huis te begeven, terwijl even later iets verderop in het dorp er niets meer aan de hand leek te zijn (en hij normaal liep). Door dit soort fratsen kreeg de jonge Hans Coumans onder de oude gevestigde garde in het conservatieve dorp de weinig prestigieuze reputatie van flierefluiter. Door de conservatieve, gesloten cultuur in de zuiderlijke provincie in de jaren 50 van de vorige eeuw, beschouwde men iemand zodra deze niet voldeed aan de norm al gauw als een paria, een buitensporige of zelfs alcoholist. De oudere, hardwerkende generatie beschouwden de jonge creatieveling als iemand die het leven niet serieus nam: hij was een schande voor de keurige arbeidersfamilie. Toch werd hem zijn weinig productieve kant niet echt kwalijk genomen, omdat een geliefd persoon was. Hans Coumans was altijd een vrolijke, aimabele jongeman, hij was de eerlijkheid zelve en bovendien zeer sociaalvoelend, die makkelijk contact maakte en genoot van mensen om zich heen. Maar hij was allesbehalve een harde werker. In plaats van het harde werken (zoals zijn vader), wilde hij het vooral rustig aan doen, van het leven genieten. Liever verrichte hij licht-huishoudelijke klussen of spande hij zich in met behangen en verven bij oudere mensen in het dorp die dat niet meer konden, maar dat leverde nauwelijks geld op. Een enkele keer werd hij beloond met een kop soep of deed hij een en ander gratis, want de mensen hadden volgens hem al zo weinig. En op de spaarzame momenten dat zijn inspanningen iets hadden opgeleverd, dan was dat dikwijls al ruimschoots genuttigd aan zijn geliefde lichtgele alcoholische dorstlesser - hij was toen pas een jonge tiener - in de diverse plaatselijke kroegen voordat hij in de Grachtstraat arriveerde. Want "waar hard gewerkt werd, moet goed gespoeld worden!", was zijn stellige opvatting.
Om zijn ouders, waar hij eerljk gezegd ondanks de strubbelingen veel aan te danken had, niet teleur te stellen, startte hij in 1958, overigens tezelfdertijd als zijn eveneens kunstzinnige buurtgenoot, met de opleiding tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen. Zijn ouders hadden zeker gelijk, dat een afgeronde opleiding belangrijk was, dat erkende hij zeer zeker. Niet dat het vak van huisschilder een welbewuste keuze was. Het lag nog enigszins in de lijn van wat hij ambieerde. Want wat moest hij anders: hij was nog te jong om te gaan studeren aan de kunstacademie. De Ambachtsschool, daar had hij volgens eigen zeggen tenminste nog iets aan vanwege de technische basiskennis en kennis van materialen. Hoewel deze studie hem vanwege de schoolse methode zwaar viel, wist hij na twee jaar toch zijn diploma te behalen. Met een diploma op zak kon hij direct aan de slag bij een plaatselijke huisschilder. Echter, omdat de afgestudeerde schilder geen 'man van de tijd' was en werkdagen lang konden duren, haakte hij al na minder dan een maand af. Nadien werkte de jonge, afgestudeerde huisschilder samen met zijn eveneens afgestudeerde kunstzinnige huisschilder-buurtgenoot als semie-zelfstandige her en der in Strucht en Valkenburg aan diverse schilderklussen (binnenwerk en buitenwerk) van woonhuizen en winkelpanden. Ofschoon hij nu niet (meer) in loondienst werkte maar zelfstandige, was dit soort werk een behoorlijke opgave voor hem omdat zijn ambitie elders lag. Maar op dat moment had hij geen keuze, want er moest geld verdiend worden.
Om serieus werk te maken van zijn artistieke carriere vestigde de 16-jarige Hans Coumans zich in 1959 'officieel' als zelfstandig kunstschilder in Strucht, terwijl hij gedurende die tijd woonachtig was bij zijn ouders. Hij tekende en schilderde eerder al in de vrije natuur (), en dat zou nu als het aan hem lag de hoofdbron van inkomsten worden. Echter, voordat dat eenmaal het geval zou zijn, zou hij nog lange tijd werkzaam zijn als huisschilder al dan niet gezamenlijk met zijn huisschilder-buurtgenoot. Op andere momenten vertoefde hij met zijn schildersezel en schildersbenodigdheden in de vrije natuur in de omgeving rondom Strucht en in Oud-Valkenburg nabij de Geul ()(), op zoek naar de typische Geultaferelen om aan het linnen toe te vertrouwen.
De natuur van het Geuldal en het Heuvelland was niet alleen een geliefd onderwerp en inspiratiebron. Van jongs af aan was Hans Coumans werkelijk geobsedeerd door de bijzonderheid van het leven. De jonge schilder was een oprecht natuurmens, die zich intens verbonden voelde en lange tijd doorbracht in de natuur. De overweldigende indrukken van de pracht van de natuur maakten hem lyrisch en wakkerden de schilderkoorts aan. De lentebloesem, maar vooral de herfst met zijn rijkgeschakeerde kleurenpalet in combinatie met herfstlicht was een grote inspiratiebron. En als schilder wilde hij de wonderbaarlijke fenomenen doorgronden, blootleggen en anderen hiervan deelgenoot maken.
Naast de natuurmotieven vervaardigde hij rond 1960 een van zijn eerste olieverf-zelfportretten () gevolgd door een klein toekomstig zelfportret () uit 1961. Hierbij werkte hij met de spiegel. Het gebruik van een foto als hulpmiddel was überhaupt te allen uit den boze, bereep de jonge schilder al vroeg. Doordat de foto alles 'dood slaat' is het haast onmogelijk om de geest van de plek of het wezen van de persoon treffend neer te zetten. Dan blijft het een representatie van het beeld, maar feitelijk leeft het niet. Verder wilde hij zijn dorpsvrienden nog wel eens vastleggen op doek ()()().
Hoewel hij in die vroege periode zo af en toe een schilderij verkocht, zat het aanvankelijk zeker niet mee om als vrije schilder zijn dure schildersuitrusting te bekostigen of in zijn levensonderhoud en zijn geliefde biertjes te voorzien. Maar aan de andere kant, vroeg hij zich af, hoeveel geld had een mens nu werkelijk nodig om van het leven te genieten?: "Waarom zou ik vier koppen rijst willen, als ik er maar één opkrijg..?". Met een bedrag van 100 Gulden kon hij gemakkelijk weken vooruit, zeker zolang hij bij zijn ouders terecht kon voor een slaapplek. “Ik ga schilderen als ik geld nodig heb…”, was zijn opvatting.
Ondanks de liefde voor hun zoon, de pogingen hem te begrijpen en ondanks hun inspanningen hem te ondersteunen, verslechterde de verstandhouding binnen de familie Coumans. Hoewel zijn vader zich had verzoend met de gedachte dat zijn zo'n nou eenmaal anders was, leidde de confrontaties tussen de jonge Hans Coumans en zijn moeder tot een onhoudbare situatie. De "beknelling van de leuning van de bekrompen Sjinse stoel..." zorgde er dan ook voor dat Hans Coumans vanaf zijn 16e jaar veelvuldig wegliep van huis en op die momenten een onzeker, zwervend bestaan leidde. "Wacht maar, ik kom terug met een nieuwe slee!", had hij zijn ouders uit eergevoel al eens vurig te kennen gegeven. In die periode ontbrak het hem dikswijls aan een dak boven zijn hoofd. Soms bivakkeerde hij bij bekenden of sliep hij in het veld onder de sterrehemel of op een van de vele aangename hooizolders die het Heuvelland rijk was, terwijl zijn ouders tot verdriet vaak geen idee hadden waar hun zoon zich ophield. In de jaren die volgden zou de jonge schilder zich ontworstelen aan de althans in zijn ogen petieterige thuissituatie en het petieterige dorp dat volgens hem geen enkele notie van kunst had - kunstenaars waren parasieten van de samenleving - en vervolgend 'de wijdte' verkiezen en op eigen houtje de wereld intrekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. Tussen zijn 16e en 19e levensjaar ondernam hij clandestien diverse langdurige solistische pelgrimstochten, soms wel tot een half jaar lang, deels te voet, deels liftend door diverse landen in het destijds gesloten Europa terwijl zijn ouders ten einde raad achterbleven. De jonge aspirant-schilder zat een half jaar in Laurensberg (Aken, Duitsland) tussen de studenten, daarna een half jaar in het Schwarzwald (Duitsland), waar hij zich als Bourgondiër mengde onder de Teutonen, en weer later enige tijd in Spanje. Een ogenblik verbleef hij bij een bekende, die in Parijs (Frankrijk) woonde en studeerde, waar hij 2 maanden kon bivakkeren en zij er gezamenlijk op uit trokken, veelal naar de voor kunstenaars interessante plekken, zoals het wereldberoemde kunstenaarskwartier la butte Montmarte. Hier en met name rondom Place du Tertre kwam hij vermoedelijk in aanraking met andere jonge kunstenaars die hun brood verdienden met sneltekenen van toeristen, wat zeker een inspiratiebron moet zijn geweest. Verder is over het algemeen weinig bekend uit deze vroege periode en liet de schilder weinig los op latere momenten. Enkele getuigenverklaringen meldden dat 'd'r Hans' er dan weer eens vandoor was of dat iemand hem op een boerenkar zag springen voor een lift naar het onbekende, of dat zijn familie hem verbaasd opving, terwijl de jonge schilder onder het stro en met nog slechts één schoen voor de deur van zijn ouderlijk huis stond. Een keer had een bevriende boer, waar de jonge schilder af en toe op het land werkzaam was, hem een warme winterjas uitgeleend, aangezien de jonge schilder naar een 'koud land' zou gaan. Want de koude en de armoede waren de trouwe metgezellen van de jonge schilder - de armoedzaaier had nog geen 2,5 Gulden op zak. Gedurende deze langdurige perioden leefde hij als een vagebond, die her en der slaapplekken aangeboden kreeg, maar dikwijls de nacht doorbracht in de open lucht, onder een brug of bij een boer op een hooizolder. Soms had hij maar net genoeg verdiend voor een warme maaltijd of had hij het geluk met mensen te kunnen meeeten, maar net zo vaak was hij aangewezen op wat er te vinden was op de vele akkers en in de vrije natuur. In de tussentijd werden door de familie dikwijls tevergeefs zoekacties opgezet en een enkele keer na een tip Interpol ingeschakeld, die de vagebond na driekwart jaar verblijf in het Schwarzwald opspoorde en hem met een dwangbevel sommeerde noordwaards te keren. Tussentijds, in 1961, vergezelde hij het rondreizend circusgezelschap Tony Boltini voor een tijd bij hun tour door Duitsland. Hier trad hij op als olifantendompteur en af en toe, vanwege zijn gevoel voor muziek, als (inval-)rekwisiteur. Later mocht hij het kinderprogramma verzorgen. Opnieuw had niemand al die tijd weet waar de jonge schilder zich schuilhield, totdat de familie op de televisie een rapportage over 'het leven in een circus' voorbij zag komen en de ouders tot grote verbazing op de achtergrond hun verloren zoon opmerken. Maar zelfs het leven in de rondreizende circuspiste werd hem uiteindelijk te benauwd. Het circusleven was fysiek zwaar en legde nogal druk op verantwoordelijkheid, waardoor hij na een half jaar weer zijn vrijheid opzocht.
Gedurende deze avontuurlijke en soms ronduit gevaarlijke tochten leerde deze vagebond de kunst van het overleven via allerlei baantjes van barkeeper en bordenwasser tot boerenknecht en soms decorateur alsook door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen. Uit deze vroege, roerige periode is behalve een schetsblok, die de jonge schilder gedurende zijn tochten bij zich droeg en waarin hij aantekeningen maakte, tekenoefeningen deed (met potlood of Oostindische inkt) en schetsen maakte van alles wat hem intrigeerde, vrijwel geen werk behouden gebleven. Bekend is dat de jonge schilder rond zijn 18 jaar inmiddels al tientallen olieverfwerken had geschilderd, maar dat deze geregeld in rook opgingen. Hoewel de jonge schilder bekend stond als een goedlachse, joviale jonge man, die populair was in het dorp - hij begroette iedereen, die hij tegenkwam - had hij momenten van neerslachtigheid, zelfs hevige depressie. Zeker had de turbulente periode diepe indruk op hem had gemaakt. Al die tijd worstelde de jonge schilder met zijn leven en hij kon zich niet onttrekken aan het lot van de ander. Hij worstelde zeker met zijn wereldbeschouwing. Onverdraagzaamheid tegen andersdenkenden en het onrecht in de maatschappij, in de wereld, zelfs dichtbij in het dorp (jegens hem) veroorzaakte een diep gevoelde telleurstelling en stemde hem cynisch. "Religie is de oorzaak van de meeste oorlogen!", verkondigde hij geregeld overtuigd in discussies met zijn roomse dorpsgenoten. De jonge schilder ontwikkelde een sterke weerzin tegen een maatschappij waarin dit allemaal maar mogelijk is, maar de onmacht stemde hem droevig. Diverse keren zou het zou voorkomen dat hij zijn schilderijen uit frustratie en pure woede verbrandde in de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Dan was het weer eens zo ver. Symbolisch voor de hopeloosheid van de wereld moet wel de verbranding van een groot olieverftafereel geweest zijn, dat was voorzien van allemaal mensen uit verschillende culturen en van diverse religieuze achtergrond. Ook zijn schetsblok toont tig pentekeningen met onderwerpen van religieuze en maatschappelijke aard, die blijk geven van zijn worsteling. Hierin beschouwde de jonge schilder zichzelf () en zijn precaire situatie, en lijkt het alsof hij antwoorden probeerde te vinden aan de hand van Bijbelse thema's. Aan de thema's af te leiden, las de Jonge schilder in die periode literatuur over het geloof en de verlichting. In zijn schtsblok passeren namelijk typische thema's als naastenliefde, broederschap en solidariteit, bloedwraak, barmhartigheid, 'de verlichting', het humanisme de revue. Onder de prenten bevinden zich onder andere (voor die leeftijd knap getekende) Abraham met luid (), de humanist Erasmus, de Barmharitige Samaritaan, Abel en Caïn (), De verloren schaapsherder (), Samson (die maar liefst 6000 Filistijnen en één Limburger vermoorde) alsook De broer van Christus (), welk vermoedelijk een zelfportret is: de schilder als verstotene.
Nog te jong voor een kunstopleiding, kwam de opgedane verfkennis op de Ambachtschool hem zeer van pas, en wist Hans Coumans zich enkel door het kijken naar - intensief bestuderen was vanwege zijn ongeduld immers niet aan hem besteed - naar zijn voorgangers het schilderen eigen te maken. In die vroege periode vond hij inspiratie bij met name Pieter Paul Rubens(!) alsook Rembrandt van Rijn en Frans Hals, maar ook Francisco Goya en Diego Velázquez, . Later zou de schilder ook het werk van Claude Monet en Édouard Manet alsook Vincent van Gogh bestuderen. Het ging hem daarbij niet om het kopiëren van de overwegend langdurige laag-over-laag technieken, maar om de beoogde effecten, zoals de weergave van materialen, de compositie-typen en de dramatische (Barokke) licht-donker effecten, die hij via een eigen vlotte, losse nat-op-nat-schildermethode nabootse. Terwijl zijn voorgangers veelal de luxe hadden gebruik te kunnen maken van een uitgebreid kleurenpallet (pigmenten) was de jonge Struchtse schilder in die vroege periode veelal toegewezen op enkel de primaire kleuren en zwart en wit, een enkele keer een ondersteunende kleur, omdat verf gewoonweg duur was. Hoewel thema's, technieken maar vooral dramatiek geleend zijn uit de barok, zijn de werken beslist impressionistisch: het zijn slechts onmiddelijke impressies. Zonder gedegen kennis of intensieve beoefening maar met een verbluffende virtuoze hand wist de de 18, 19 jarige Hans Coumans in een mum van tijd een krachtig, vanzelfsprekend beeld neer te zetten. Met name de portretten die hij vervaardigd zijn niet alleen sprekend als beeld; de jonge schilder is in staat om de karakters te laten spreken: het wezen zelf. Het zelfportret De Zigeuner () bijvoorbeeld, dat hij op 18-jarige leeftijd schilderde, vertoont enige gelijkenis met een zelfportret van Paul Rubens (), zichtbaar in het overeenkomstige thema, de compositie en de verfijnde toepassing van de olieverftechniek, waarmee door direct mengen op het doek een geleidelijke overgang van licht naar donker en een sterk positief-negatief-contrast is gecreëerd en waarmee detaillering zoals de textuur en de glinstering in het haar op verbluffende wijze tot stand is gebracht. Dat is ook, hoewel wat expressiever zichtbaar in het 'toekomstige' portret () uit 1961, welk overigens niet langer dan een uur in beslag had genomen om te vervaardigen. Ook andere werken, zoal de portretten van twee vrienden ()() uit 1962 respectievelijk 1963. Een ander werk even later uit 1963 is het grote levensbeschouwend werk De Kruisiging (), dat duidelijk de thematiek als wel schildermethodiek vertoont als het enigszins gelijknamige werk De Kruisafname () van Pieter Paul Rubens, hoewel de jonge Limburgse schilder zichzelf afbeeld in een aantal personage is het tafereel.

De militaire dienstplicht maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven 'vrijheden'. Na 5 niet beantwoordde oproepen gevolgd door een intimiderend bezoek van de MP (militaire politie) met een indrukwekkend militair voertuig besloot Hans Coumans op carnavalsdinsdag op aanraden van een van zijn oudere zussen om zich toch maar te gaan melden, vooral om zijn ouders niet in verlegenheid te brengen. Bovendien liep hij bij dienstweigering de kans om veroordeeld te worden maximaal 21 maanden gevangenisstraf, wat evenmin een prettig vooruitzicht was. Hoewel de jonge schilder pacifist was, dus principieel iedere vorm van geweld, oorlog, zelfs bewapening afwees en in feite totaalweigeraar was, besloot hij om toch geen bezwaar te maken maar deel te nemen.
Eenmaal gestationeerd op de Willem II kazerne in Amerfoort, waar overigens tezelfdertijd ook zijn Jordaanse schilder-kameraad verbleef, kenmerkte het verblijf in de barakken zich naar zijn zeggen als een vreselijke tijd. Hoewel de jonge schilder met alles meedeed, weigerde in het gereel te lopen. Zo sloeg hij links af zodra het gehele peleton het bevel kreeg om naar rechts te keren. En schieten weigerde hij: "schieten verrek ik!". Daar was de jonge schilder van begin af aan helder in: hij deed aan alle activiteiten mee, maar een wapen opnemen dat kon men niet van hem verlangen. Een keer verscheen hij zelfs met een bezem bij het ochtendappel. Hierop volgden diverse gesprekken met enkele van zijn superieuren, waar hij onverwacht een goede band mee opbouwde. De vraag waar deze jonge man dan wel goed in was, leidde tot een aantal portretteren van zijn superieuren. Zij waren positief verbaasd door de beschouwing op de wereld van deze jonge schilder, maar begrepen vooral dat met hem geen land te bezeilen was. Dikwijls verkreeg de jonge schilder een uitzonderingspositie en hoefde hij niet aan oefeningen deel te nemen. Toen het een keer tijdens een oefening in de bossen hevig gesneeuwd had en de bevoorrading geblokkeerd was, was het peleton aangewezen op het karige noodrandsoen. De volgende ochtend bij het ochtendappel, schalde de sergeant luidkeels of er nog iemand iets te melden had, waarop de jonge schilder als enige uit het peleton naar voren trad en even luidkeels sprak: "Hans Coumans, Kozak uit Schin wil even melden dat we verekken van de honger!". Door deze opmerking lag het gehele peleton inclusief de sergant en ritmeester in een deuk. Omdat de jonge schilder sympathie had bij zijn meerdere, kwam hij hiermee weg. Onverwacht bracht een ongeval na zeven maanden de jonge schilder redding. Op de stormbaan liep Hans Coumans buiten zijn schuld om een zware verwonding op aan zijn linker voet, waarvoor hij enkele weken in het Militaire Hospitaal Dr. A. Mathijsen (MHAM) in Utrecht verbleef.  daarna hebben ze hem min of meer ontslagen uit militaire dienst. Na een officieuze deal met defensie - hij moest een briefje ondertekenen waarin stond dat hij het ongeluk niet tijdens de diensttijd had opgelopen - kon de jonge schilder 'glansrijk' afzwaaien.
Eenmaal verlost van “... tucht van het leger...” keerde Hans Coumans in augustus van dat jaar terug naar het zuiden om zijn werkzaamheden als kunstschilder weer op te pakken. De schilder nam wederom zijn intrek bij zijn ouders in Strucht. Vanuit zijn thuisbasis in de Grachtstraat schilderde hij in en rondom Strucht aan de Geul ()()()() en nabij Kasteel 'Schaloen' in Oud-Valkenburg (). Om zijn werk aan de man te brengen, struinde hij met zijn schilderijen (), die vaak niet meer kostten dan 25 Gulden, onder zijn arm de kroegen, de jaarlijkse markten en braderieën af, op zoek naar kunstminnaars. Soms verkocht hij een schilderij direct nat van de ezel. Bekendheid van zijn talent in het dorp leidde tot enkele opdrachten voor portretten ()()()(), natuurmotieven van onder andere de Geul ()() en een aantal muurschilderingen () bij particulieren en enkele plaatselijke horecagelegenheden waaronder hotel Bemelmans en pension Janssen. Ook de eigenaar van de kroeg De Duif vroeg omstreeks 1963 aan Hans Coumans en zijn schilder-buurtgenoot Zef Swillems om de wanden te texen en tevens te verfraaien met 2 grote thematische schilderingen (), die beide jonge schilders naast hun dagelijkse werkzaamheden als huisschilder in de avonduren vervaardigden. Deze klus duurde overigens ongemerkt langer dan gepland doordat de twee jonge schilders gedurende de openingstijden van de kroeg aan het werk waren. Door de toeloop van dorpsgenoten heerstte er een buitengewoon gemoedelijke sfeer in de populaire kroeg en werden er een niet gering aantal rondjes over en weer weggegeven. Omdat de twee schilders van dorpsgenoten rondjes kregen, wilden zij zich natuurlijk niet laten kennen, Later, bij de afrekening van de klus, bleek dat de twee schilders inmiddels een aanzienlijke rekening hadden en nog een bedrag van maar liefst 172 Gulden moesten bijbetalen.
Begin jaren 60 kreeg hij de smaak in het kunstschilderen te pakken. Door de plaatselijke bekendheid groeide zijn productie gestaag waardoor hij een geoefende hand kreeg. De technieken van zijn voorgangers had hij in die werken toe kunnen passen, maar tegelijkertijd ontstond er geleidelijk aan een eigen handschrift. Hij ontwikkelde duidelijk een eigen impressionistisch karakter ()()()()(). De zware, dramatische effecten (uit de Barok) maakten plaats voor een vlotte, krachtige toets met een eigen kleurenpallet. Soms neigt het pallet naar de bruin-tinten, dan weer naar de groen-tinten, maar wel nog tamelijk eendimensionaal. Het zijn werken die in een mum van tijd lijken te zijn neergezet, soms met een zekere haast. Maar deze werken zijn het sterkst. Uit zijn vroege oeuvre is duidelijk afleesbaar, dat Hans Coumans al op jeugdige leeftijd het penseel beheerst. Hierbij werkt hij ongedwongen, haast nonchalant voor de toeschouwer en permiteerde hij zich de vrijheid. Dit in tegenstelling tot sommige werken (), die hij in opdracht verrichte, wat hem mogelijk benauwde. Doordat hij dan te lang doorschilderde, verloor het betreffende werk de emotionele zeggingskracht van het onmiddelijke moment en verviel het tot een representatieve prent.
In diezelfde tijd werd Hans Coumans geuniformd lid (1963-1966) van de plaatselijke schutterij St. Mauritius, waar hij even later in 1963 in het Schutterslokaal aan de Provinciale weg tevens een indrukwekkend schutterstafereel vervaardigde (). Behalve dat de vereniging wekelijks fanatiek repeteerde in het schutterslokaal en schietoefeningen verrichtte in de Struchtse velden voor het jaarlijkse schuttersfeest alsook de kerkelijke processies, werd na afloop net zo fanatiek nagepraat en gelachen als gedronken in de kroegen die het dorp rijk was. De muurschildering in het schutterslocaal was al even dynamisch en energiek als het schuttersleven zelf en vertoont gelijkenis met de typische vrolijke, 'losjes' geschilderde groepsportretten van Frans Hals. Het betreffende werk is zeker één van de eerste overtuigende omvangrijke muurtaferelen. Het werk is van een grote omvang en toont een dynamisch en energiek groepsportret van schutters, waarin enkele prominente leden en de schilder zelf een hoofdrol spelen. Dat de schilder in tal van werken van zijn hand zichzelf een rol toebedeelde was een gebruikelijk gegeven. Overigens, ofschoon iedereen er vanaf wist, was het een publiek geheim dat de schilder het niet kon nalaten een niet nader te noemen lid, waar hij een langdurig conflict mee had, in dit betreffende werk als de duivel af te beelden.
Hoewel de schilder met het Schutterswerk aandacht op zich wist te vestigen en naar aanleiding hiervan de interesse in zijn vrije werk ontstond, zou hij nog een tijd afhankelijk zijn van zijn werkzaamheden als huisschilder. Ook zijn oudere zus hielp hem geregeld aan allerlei schilderklussen voor de plaatselijke verenigingen. Samen met een aantal vrijwilligers uit het dorp bouwde Hans Coumans de kerstal in de kerk. Overigens, gedurende deze werkzaamheden ging er heel wat bier doorheen, dat de volgende dag meneer pastoor hen vriendelijk verzocht om de flesjes achter het altaar te zetten en niet zo opzichting in de kerststal, want dat lag nogal gevoelig in het dorp.
Intussen liepen thuis na een aanvankelijke periode van relatieve rust gaandeweg de emoties opnieuw hoog op. Hoewel zijn vader een verzoenende eerder gelaten houding had, was zijn moeder onverbiddelijk. De situatie werd onhoudbaar, waarop zijn ouders hem in 1964 de deur wezen. Via zijn oudere zus vond hij in allerijl onderdak bij een bevriend kastelein in Bleijerheide in Heerlerheide, die nog een ruimte vrij had boven zijn kroeg Oud Genhei. Hier zou de jonge schilder even op adem kunnen komen, maar het verblijf zou vervolgens zo'n negen maanden duren. Als een wederdienst voor de kost en inwoning verfraaide de jonge schilder gedurende zijn verblijf het gehele interieur met grote wandschilderingen met taferelen uit de omgeving, waar later ook ansichtkaarten ()()()() van zijn gedrukt. Ook de nabij gelegen jeugdsociëteit en enkele andere kroegen waaronder 'De Bok' beschilderde hij met thematische muurtaferelen.
Heimwee dreef de Hans Coumans uiteindelijk weer richting het Geuldal. De schilder was toch te zeer gehecht aan het Geuldal. In Schoonbron vond hij in het najaar van 1964 een kamer in het familiepension ’t Hoonderhöfke, waar hij gedurende twee winterperioden met enige regelmaat verbleef. De eigenaren van het pension waren sociaalvoelende en betrokken mensen, die ook verbonden waren aan het kerkbestuur in het dorp. Naast de activiteiten van het pension stonden de eigenaren in het dorp erom bekend, dat zij zich ook ontfermden over jongeren die in hun maatschappelijke of sociale leven moeilijkheden ondervonden. Omdat deze groep in die tijd vaak nergens terecht kon, stelden zij hun pension open voor tijdelijke bewoning. De jonge schilder was moe van het onstuimige pad dat hij had bewandeld. Hij was depressief door het onbegrip van mensen voor andersdenkenden en het gebrek aan naastenliefde (in het dorp), terwijl dat toch de essentie van de christelijke traditie was, volgens hem. Uit frustratie had hij een keer de gevel van de kerk in zwarte verf beklad met de leus 'Heer, red ons van de roomse huichelaars...', wat de nodige roering had veroorzaakt in het kerkdorp. De levenvragen desillusioneerden hem, het ontheemd zijn maakte hem depressief, de continue strijd maakte hem moe. Hoezeer hij zijn vrijheid ambieerde, de onzekerheid bezorgde hem grote twijfels, of hij het bij het goede eind had. Met de eigenaren volgden vele, langdurige gesprekken dikwijls tot diep in de nacht over zijn leven en over de zin van het leven. De eigenaren stimuleerden hem om te blijven geloven in zichzelf en om toch vooral vol te houden (om zijn dromen waar te maken). Ze boden hem de mogelijkheid om zijn schilderijen ()() in de ontbijtzaal van het pension tentoon te stellen, zodat toeristen een uniek aandenken aan het Heuvelland konden bemachtigen. Als dank voor zijn verblijf vervaardigde hij boven de bar in de ontbijtzaal een grote wandschildering.

Zodra Hans Coumans enigszins was opgeknapt, trok hij er weer op uit en met het weinig verdiende geld van zijn paar verkochte schilderijen huurde hij kort een kamer in een hotel in Geulhem, om in 1965 te verhuizen naar Maastricht. Op de Tongerseweg in Maastricht bezat de Geulhemse hotelfamilie het Café Stammineeke met een aantal studentenkamers, waar de schilder een piepkleine kamer betrok. De gemeubileerde kamer beschikte over een bed en een kast, en met de weinige spullen die de schilder had, enkel wat kleren, een paar boeken en schildermateriaal oogde de kamer al gauw overvol.
In de Limburgse hoofdstad mocht Hans Coumans in 1965 op 22-jarige leeftijd (hoewel hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding op basis van zijn werk) toetreden tot de avondopleiding van de Stadsacademie, waar op dat moment de markante Jef Scheffers de sceptor zwaaide. De Stadsacademie stond bekend als een strenge academische opleiding. Jef Scheffers hechtte grote waarde aan de 'ambachtelijkheid van het schilderen' en hij onderwees zijn studenten met harde hand, althans in de ogen van de Struchtse schilder. Want, voordat de opleiding goed en wel was begonnen, stuitte de ijzeren discipline de aspirant schilder zozeer tegen de borst, dat het plezier in schilderen snel over was. Toen de daaropvolgende verhitte discussies over het verschil van inzicht op niets uitliepen, concludeerde hij dat deze plek hem niet verder zou brengen en hield hij het hier na twee maanden voor gezien. Hans Coumans kon zich totaal niet vinden in de rigide academische scholing, terwijl hij aanvankelijk toch aantrad met het oog om vrije kunstenaar te worden. De didactische methodiek van eindeloze herhaaloefeningen beviel hem totaal niet en werkte op zijn zenuwen. Daarnaast had hij er grote moeite mee, dat de academie van hem verlangde om te werken met de schilderstok (om rechte lijnen te trekken), terwijl hij van nature alles uit de vrije hand deed, zonder enige hulpmiddelen. Toegegeven, academische werken mochten technisch gezien dan wel kloppen, maar de gepredikte ambachtelijkheid ontbeerde elke vorm van emotie en spontaniteit. Sterker nog, de ratio stond de emotie in de weg, meende hij. En emotie, dat was nou juist de essentie van een schilderij: “Een schilderij moet leven!”. De academisch geconstrueerde taferelen vormden wellicht een keurige representatie van het subject, maar misten de levendigheid, die in de echte realiteit waarneembaar is. Voor Hans Coumans was kunst van de ambachtelijkheid geen doel op zich. Het meesterschap was allesbehalve gelegen in de representatie van het afgebeeldene, de kunst van het schilderen was gelegen in de representatie van de ziel van het afgebeeldene (of de geest van de plek). Een schilderij was namelijk geen foto oftewel een gefixeerd moment, maar juist een dynamisch moment. In tegenstelling tot het methodisch construeren werkte Hans Coumans intuïtief (en ongeduldig) vanuit de onmiddellijke beleving zonder vooropgezet plan of na uitgebreide voorstudies (hoogstzelden bij een grote muurschildering). En juist die intuïtieve methode bracht de levendigheid, de emotie van dat moment, in een schilderij. Dit overtuigde hem, dat hij het schildervak veel beter verder zou kunnen ontwikkelen door in de buitenlucht aan het werk te gaan, zoals hij altijd al had gedaan, ergens in de natuur, in een veld, tussen de paarden of koeien. Dus door het bestuderen van de levende realiteit in plaats van op een atelier via een foto, ver weg van het subject. Bovendien, een schilder wordt niet op de kunstacademie geboren, hield hij zichzelf voor. Op de academie kun je het schilderen zelf niet leren, ze kunnen je daar alleen de techniek(en) van het schilderen leren. Toch zou het ontbreken van een gedegen academische beoefening hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en met name anatomie een rol speelden, waarin hij zich dus verder eigenhandig moest zien te bekwamen. Ook collega-schilders en bevriende kunstzinnige Valkenburgse stadsgenoten waaronder een fotograaf en docent tekenen en schilderen bemoeiden zich er soms zo nu en dan mee en stelden, dat de verhouding dikwijls niet klopten of dat het gewoonweg totaal niet leek. Soms begon de schilder met een compositie naar waarneming, maar gaandeweg bleek het linnen te klein en paste een deel van het beoogde tafereel er niet op. Of aan het menselijk lichaam mankeerde ook nog wel eens wat aan. Een arm of een been bijvoorbeeld moest de schilder benaderen als een ruimtelijk object, als een bolvormig of appel- of peervormig volume en niet direct als een platte afgeleide (contour), was de kritiek van een fotograaf-vriend, die zelf ook werkte met vorm en compositie. Het advies dat de jonge getalenteerde schilder misschien eens rond moest kijken of er niet iemand was, een gevestigde schilder bijvoorbeeld, die hem verder zou kunnen helpen, sloeg hij volledig in de wind.
Gedesillusioneerd over zijn weinig succesvolle academische studie - immers, hier had de aspirant-schilder al van jongs af aan naar toe geleefd - storte Hans Coumans zich een periode in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke bourgondische Maastrichtse nachtleven en struinde hij onafgebroken langs de talloze befaamde kroegen waaronder Tribunal en De Vogelstruys. Hier ontmoette hij andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er tot diep in de nacht gefilosofeerd, geouwehoerd, hard gezongen, op tafels gedanst en niet minder enthousiast gedronken. In de Maastrichtse kroegen verkreeg de jonge schilder de bijnaam 'De Kozak' vanwege zijn nogal Russisch ogend uiterlijk met een opvallend volle snor, zware lederen jas en laarzen, maar ook vanwege zijn beoefende zangstem door zijn liefde voor klassieke muziek, opera, Rijnkoren en en Russische zangkoren. De Schinse Ivan Rebroff was in die tijd was hij groot liefhebber van Serge Jaroff en zijn Don Kosakken en schalde uit volle borst hun repertoire Die Zwölf Räuber en Stenka Rasin. Andere liederen waren Rijnliederen, het Wolgalied en het wereldberoemde gevangenenkoor Va pensiero.
Terwijl Hans Coumans er op uit ging met een bevriende professionele stadsfotograaf, die het uitgaande publiek fotografeerde - mensen kregen een kaartje en konden daarmee later de afgedrukte foto kopen - legde de schilder zijn gewillige onderwerp voornamelijk van het vrouwelijke soort met het houtskool vast. Dit soort zogenaamde snelportretten, vlotte schetsen van houtskool, vervaardigde de sneltekenaar in een handomdraai, doorgaans binnen 10 minuten. Op een 'zondagse' dag moest een productie van 8 portretten per uur haalbaar zijn. Ook maakte hij wel eens 1-minuutportretten, maar dat was meer vanuit bewijsdrang, dat hij daartoe in staat was. Zodra de jonge, charmante sneltekenaar-schider, gewapend met vellen papier en een houtskoolpotlood zich begaf in het Maastrichtse uitgaansleven en een lokaal binnenstapte, wist hij zich binnen de kortste keren te verzekeren van aandacht. Hij kende een zekere bravoure waarmee hij die kunstenaarsrol vervulde. Op dat moment was hij de entertainer die zijn kunsten toonde, die toonte waar hij goed en onderscheidend in was, waardoor hij kon rekenen op de nodige aanspraak. En wanneer een eerste gewillige schone zich had laten verleiden tot model, werd het tafereel gauw omringt door een geïnteresseerde menigte en volgden er vanzelf meer gegadigden, die voor een klein bedrag van zo'n tien Gulden - "...voor dat bedrag kon niet eens een foto gemaakt worden...", benadrukte de portrettist - ook een portret wilden. Wel maakte hij de vermelding dat met krullen duurder was vanwege het extra werk dat hij erin moest steken en dat kalen korting kregen. Klotskoppen en zij, die niks 'op de ribben' hadden, konden zich gratis laten portretteren. Bovendien hanteerde hij het motto: "niet goed, geld terug!".
Later, in datzelfde jaar ondernam Hans Coumans samen met 'de schilderende schipper' of 'de schipperde schilder' (daar was niemand het over eens), een schilderkameraad van de academie, tijdens de winterperiode een drie maanden durende trektocht te voet door de Eifel via Monschau tot aan Luxemburg. In de vele nachtelijke discussies in de Maastrichtse kroegen, waarin onderwerpen als 'de academische wereld' en het 'kunstenaarsbestaan' de revue passeerden, waren de schilderkameraden het er stelling over eens dat een vrije kunstschilder financieel onafhankelijk kon zijn. Terwijl heel wat afgestudeerde, beginnende kunstenaars toegewezen waren op een maandelijkse overheidstoelage of vanwege de extra inkomsten doceerden op de academie, moest deze expeditie - dat was vanuit een soort 'kick' - hun gelijk aantonen. Het inlegbedrag van ieder tien Gulden om de eerste paar dagen rond te komen en voor eventuele noodgevallen zouden zij gedurende de reis weer moeten terugverdienen, was de afspraak. Overigens, als het aan Hans Coumans had gelegen hadden zij hun inlegeld direct bij aanvang al gespendeerd aan vet (reuzel), want daar zouden zij het goed warm van krijgen en bovendien was dat goed geschikt om hun lederen laarzen in te vetten tegen de sneeuw. Maar dat voorstel werd snel door zijn reiskameraad van tafel geveegd, die hem impulsiviteit en onnadenkendheid verweet. Gedurende de hachelijke tocht - het was behoorlijk afzien vanwege een strenge winter met veel sneeuw in de bosrijke, heuvelachtige omgeving - vonden de twee jonge schilders onderdak bij diverse kloosters om de nacht door te brengen en bezochten zij dagelijks de plaatselijke kroegen om warm te blijven en om mensen te portretteren voor de broodnodige inkomsten. Bij terugkomst in Maastricht had hen dit avontuur niet alleen definitief overtuigd maar zelfs ieder 100 Gulden opgeleverd.

Spoedig verruilde Hans Coumans de logge Maas voor de lieflijke Geul, ofschoon hij op dat moment geen vaste verblijfplaats had en zodoende her en der logeerde. Gedurende de winterperiode van 1965 vond hij wederom een plek bij ’t Hoonderhöfke' in Schoonbron. Hier portretteerde hij als dank voor het verblijf een van de dochters () van de eigenaren van het pension.
De actuele gebeurtenissen in Amsterdam rondom de in 1965 opgerichte Provo-beweging lokte Hans Coumans eind dat jaar naar de hoofdstad om zich aan te sluiten bij de Provo's en deel te nemen aan het geweldloze verzet. Samen met een stadsgenoot verbleef de jonge Zuid-Limburgse schilder daarnaast enkele maanden in Haarlem onder de kunstacademici. Om te overleven kon hij via een bekende van hem een baantje verkrijgen als afwashulp in het befaamde hotel Krasnapolsky op de Dam, waar tevens af en toe een warm bad op hem wachtte. Tesamen met een groep jonge academici zwierf hij langs de vele Amsterdamse kroegen voor vertier en om het uitgaande publiek te portretteren. Hier in de kroegen werd tot diep in de nacht net zo hard gedronken als gefilosofeerd over de maatschappij en de politiek. Gedurende het hoogtepunt van de koude oorlog waren de opponenten Kapitalisme en Communisme geliefde onderwerpen van discussie onder de studenten. Hans Coumans op zijn beurt verfoeide de 'ismen' en was toch meer een aanhanger van de Franse vrijheidsidealen: vrijheid, gelijkheid en broederschap. De Limburgse schilder was fel tegenstander van het kapitalistisch systeem, dat alles vertaalde naar geld. Dit systeem was enkel de taal van de hebzucht, wat in zijn ogen leidde tot grote sociale ongelijkheid. In die zin voelde hij zich meer aangetrokken tot het Communistisch systeem, maar dit was in feite allesbehalve een sociaal systeem. Individualiteit opgeven ten gunste van de collectiviteit, dat was iets waar hij zich altijd al tegen had verzet. Niet alleen in Amsterdam maar wereldwijde waren de jaren 60 waren turbulente tijden, zowel politiek, maatschappelijk als kerkelijk van polarisatie, van de oude, gevestigde instituten en een nieuwe generatie van jonge studenten, die dit wilde doorbreken. Het was het decenium van de protestgeneratie. In veel andere landen waren er grootschalige protesten, gericht tegen de 'oude maatschappij' en de traditionele moraliteit. Van Black Power in Amerika tegen racisme en onderdrukking, tot de Praagse Lente in Tsjecho-Slowakije met als doel een menselijker socialistisch systeem. In mei 1968 brak vanuit een studentenopstand een algemene staking uit over heel Frankrijk, de Parijse studentenrevolte genaamd. Overal klonk kritiek op de algemene gezagsverhoudingen en de nieuwe generatie vocht voor meer openheid. Ook Hans Coumans geloofde net als veel tijdgenoten in de revolutionaire invloed van de kunstzinnige jongeren en de kracht van de geweldloze provocatie om het oude gezag omver te werpen. Maar in tegenstelling tot wat hij ervan had verwacht, heerste er een grimmige zelfs agressieve atmosfeer in de hoofdstad. De massahysterie, de continue geweldadigheden en de hevige confrontatie met de politie die de menigte te lijf ging met paarden en waterkanonnen wekte een dusdanige weerzin op en deden hem na enkele maanden alweer terugkeren naar het gemoedelijke Heuvelland.
Hoewel Hans Coumans zich na de academie verder eigenhandig bekwaamde in de en plein air landschapskunst ()()()()(), ontplooide Hans Coumans zich in en rondom toeristisch Valkenburg aanvankelijk voornamelijk als sneltekenaar (van houtskool snelportretten) op de terrasen en in de kroegen, op de jaarlijkse Limburgse braderieën en andere evenementen (wielerrondes en fancy-faire's) en daarnaast als reclame-decoratieschilder van grote thematische muurschilderingen in de plaatselijke kroegen, bars, cafetaria's en andere openbare gelegenheiden. De schilder voelde zich erg aangetrokken tot het schilderachtige, bourgondische Geulstadje, waar hij bovenmatig deelnam aan het bruisende uitgaansleven in de vele kroegen, waar hij veelvuldig middelpunt van de belangstelling was, soms bij gebrek aan geld zelf achter de bar stond en in contact kwam met plaatselijke kasteleins die geïnteresseerd waren in zijn handelswaar. In die periode was de schilder een bekend figuur in het uitgaansleven van het Geulstadje, maar ook ver daarbuiten in de omringende dorpen en steden nam hij uitbundig deel aan het nachtelijke sociale leven. Valkenburg was, ondanks dat het plattelandsstadje aan het einde van de 19e eeuw niet van betekenis was - het was volgens inwoners een armzalig nest - vanwege zijn unieke lommerijke ligging en karakteristieke, zacht-mergel-achtige aard in een internationale omgeving al een geliefd vakantieoord geweest voor rustzoekers, ambtenaarsgezinnen, oprechte natuurminnars en een enkel dozijn toeristen. Het Geul- en mergelstadje was voor de eeuwwisseling naar de 20-eeuw niet meer dan een pitoresque plek met de Grotestraat als enige straat van betekenis, gelegen nabij de kerk en de Geul, met daaromheen een krans van boerderijen, echter de karakteristieke natuurlijke omgeving en de historische plekken met enkele kastelen en ruines, alsook een handjevol chique hotels waaronder hotel l'Empereur Croix de Bourgogne, parkhotel Rooding oefenden aantrekkingskracht uit op de meer welgestelden, die hier hun vrije tijd doorbrachten en vertoefden in een rustgevende omgeving. Ook enkele industriëlen die van ver buiten het rijke lössgebied kwamen, hadden hier diverse huizen en drukten bovendien een stempel op het stadje door enkele sociale voorzieningen waaronder het Openluchttheater in de Plenkertstraat op te richten. Door de toenemende welvaart in de jaren 60 en 70 kwam het mergelstadje echter meer en meer in zwang bij de gewone burger. Als gevolg van veranderend publiek veranderde het horeca-aanbod in het Geulstadje en verschenen er meer en meer kroegen en restaurants. Voor de beleving van het Heuvelland in de établissementen wakkerde dit de vraag aan voor muurvullende wandschilderingen van het kenmerkende Zuid-Limburgse heuvel-landschap met zijn typische vakwerkhuizen en grazende paarden en koeien (), wat nu de expertise van Hans Coumans werd. Deze grote wandschilderingen vervaardigde de schilder veelal gedurende de wintermaanden, zodra de koude hem het en plein air schilderen en het portretteren op de toeristisch terrassen onmogelijk maakte. In korte tijd wist hij, soms vergezeld van verschillende assistent-schilders, op zijn 22e op diverse plekken in het geuldal maar ook elders in Zuid-Limburg decoratieve werken te realiseren, onder andere bij de kroegen De post en La Ruïne in Valkenburg, Romantica in Sibbe, 't Hoonderhöfke in Schoonbron, Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, Café Spierings in Ransdaal, Café De Paardenstal en hotel de Kroon in Epen, Café Oud-Genhei en De Bok in Heerlerheide, restaurant De Mexicaan (i.s.m. Ton Staneke, schilder en studiegenoot aan de Maastrichtse Stadsacademie) in Vaals, een feestzaal in Wijlre en een kroeg in Roermond (i.s.m. Paul Roks, operazanger). Overigens, naast het gegeven dat een schilderwerk in die tijd over het algemeen goedkoper was dan behang (werd wel eens gezegd), bracht de jonge schilder vooral het nodige theater in het betreffende lokaal, wat aantrekkingskracht uitoefende op de stadsgenoten en het uitgaande publiek en zodoende goed was voor de inloop. Het vervaardigen van een wandschildering was volgens getuigen een uiterst vermakelijk schouwspel, een spektakel, waarbij de opera luid door het lokaal schalde en de schilder nog luider met de muziek meefloot of meezong en het publiek daarin betrok, terwijl er flink geouwehoerd werd en enthousiast werd gedronken.
In Valkenburg uitte zijn vaste verfhandelaar van het Huis aan de brug en zelf gepassioneerd amateurschilder zijn bezorgdheid, omdat hij zag dat Hans Coumans zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-kunstprojecten. De verfhandelaar en amateurschilder was begaan met de jonge schilder en hielp hem door zijn werk voor de verkoop in zijn etalage tentoon te stellen en vooral door nog wel eens geregeld verf en doeken voor te schieten als de schilder weer eens voor de zoveelste keer op zwart zaat zat. Hij raadde de jonge schilder aan om eens bij bevriend en landelijk bekend beeldend kunstenaar Charles Eyck die vlakbij op Ravensbosch woonde langs te gaan, om bij hem in de leer te gaan en zijn talent daar verder te ontwikkelen. Het intuïtieve, grillige temperament van de jonge schilder kennende, drukte de verfhandelaar de jonge schilder meermaals en wellicht tegen beter weten in op het hart dat dit een unieke kans voor hem was om verder te komen in zijn carrière. De temperamentvolle schilder moest nu eindelijk eens volhouden en doorzetten en af maken waaraan hij begon, sprak de verfhandelaar vaderlijk uit. Het daaropvolgend verblijf op het atelier van Charles Eyck in Ravensbosch, waar de jonge schilder gedurende de zomermaanden van 1966 verbleef, bleek echter weinig succesvol. Omdat Charles Eyk geen echte leermeester was - mogelijk kwam dat door de wat lastige communicatie als gevolg van de gehoorproblemen waar Charles Eyck aan leed - schilderde deze voornamelijk zelf en kregen zijn leerlingen gewoonlijk weinig mogelijkheden zich in het schildervak te bekwamen. Beginnende leerlingen mochten doorgaans enkel basiswerk-zaamheden verrichten, zoals het aanbrengen van de grondlaag en het opzetten van de (basis)compositie of penselen schoonmaken. Toen na enkele weken bleek dat het ware meesterschap, waar hij toch voor was gekomen, te lang op zich liet wachten, raakte deze ongeduldige leerling zijn interesse kwijt. Hans Coumans vond het die tijd ronduit vreselijk op het atelier en stelde dat hij hier helemaal niets leerde. Hij wilde namelijk schilderen. Vanaf dat moment bezocht hij het atelier nog maar sporadisch. Op het moment dat Charles Eyck kort op vakantie was, zag Hans Coumans zijn kans schoon en vervolmaakte hij naar eigen inzicht enkele schilderwerken van zijn leermeester. Bij terugkomst was deze allerminst erkentelijk na deze actie en stuurde zijn opstandige leerling zonder pardon de laan uit. Uiteindelijk had Hans Coumans het toch nog circa 3 maanden volgehouden. Ondanks het 'akkevietje' zouden beide schilders blijvend een hechte vriendschap onderhouden en elkaar geregeld treffen bij opdrachten in uitvoering of in Charles Eyck's stamkroeg Michiel de Ruyter, ondanks dat beide schilders verschillende opvattingen over schilderen hadden en elkaar ronduit bekritiseerden. Charles Eyck dacht dat Hans Coumans een groot schilder zou kunnen worden, als hij nou maar eens zou luisteren (naar zijn leermeester). Zo vond Charles Eyck de werken van zijn collega dikwijls te druk, te onrustig en te rommelig als gevolg van het ontbreken van een heldere basiscompositie of vastomlijnd (krachtig) thema. Doordat Hans Coumans te veel wilde laten zien, dreigde het het onderwerp veelal ondergesneeuwd te raken, waardoor dit aan zeggingskracht moest inboeten. Charles Eyck adviseerde om soms maar gewoon een stuk van het schilderiij af te snijden, zodat er een meer heldere of meer eenduidige compositie ontstond. Hans Coumans op zijn beurt gaf ruiterlijk toe, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest wat hij op dat moment ronduit vreselijk vond, het nodige van zijn leermeester te hebben gezien en opgestoken over het toepassen van kleuren en verftechnieken. Hij was zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar kritisch over zijn schilderkunst. Vooral van Charles Eyck's donkere (melancholische) koloriet en tekenachtige wijze van schilderen was Hans Coumans weinig gecharmeerd. "Charles schildert niet...", verweet hij zijn voormalige leermeester: "Charles is een goede tekenaar, die zijn tekeningen vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken...". Ook over de portretten was hij dikwijls niet te spreken, omdat die in sommige gevallen weinig gelijkend waren. In tegenstelling tot een portret van Charles Eyck die van grof naar fijn werkte, was de ware kunst van een portret volgens Hans Coumans exclusief gelegen in de ogen. Hans Coumans had een virtuoze en krachtige hand, hij speelde ogenschijnlijk met het potlood danwel het penseel, en zodra hij de ogen van de geportretteerde op papier 'te pakken had', doorgaans in een wonderbaarlijk rap tempo, ontwaakte de hele aard en het wezen en ontvouwde de rest zich als vanzelf. De snelheid en de precisie maakt de portretten voortreffelijk en uniek in zijn klasse. Hans Coumans is beslist meesterlijk, omdat hij over het talent beschikte om onwaarschijnlijk diep in iemands wezen door te dringen. Het karakter des persoons dat zich weerspiegelde in het gelaat wist hij op treffende wijze, dikwijls slechts in een paar streken, gestalte te geven op het 'moeilijke' witte papier of doek. Zonder twijfel vormt dit sneltekenen één van de moeilijkste onderdelen in het schildervak wat een grote uitdaging vormde en hij continu verder perfectioneerde. Frappant genoeg had hij in tegenstelling tot het gelaat soms ronduit moeite met het schilderen van handen of vingers, zodat hij deze (overigens niet zelden vergezeld met de nodige scheldpartijen) verbloemde of buiten beeld hield. In zijn algemeenheid, dus niet alleen bij de portretten, is Hans Coumans op zijn best als hij ongebonden kan werken. De ogenschijnlijk vluchtige 'onaf-werken' zijn het meest krachtig. De grove vegen of streken en de suggestie van beweging. Deze zijn opgezet vanuit pure emotie, soms in een moment van opwelling. Zodra de schilder te veel druk, de hete adem ervoer, werd hij nerveus en dan nam de ratio het van de emotie over. Dan deed hij dikwijls te veel, ging hij te ver door en werder de werken een optelsom van details. Door de veelvoud aan informatie (details) vervlakten de werken danig
Ondanks de kritiek is de invloed van Charles Eyck zichtbaar in enkele werken ()()()()()(), die hij kort daarna vervaardigde, maar de tekenachtige penseelstreken en het donkere, sombere koloriet liet Hans Coumans snel los. "De werken zijn te donker, ze moeten lichter!", was hij keer op keer nogal fel. De werken moesten zoals voorheen weer lichter en vooral 'schilderachtiger' worden ()().
In het Geuldal verkaste de vagebond, de jonge pauperschilder met enkel drie penselen en wat verf op zak, van het ene adres naar het andere en bij gebrek aan geld verrekende hij kost en inwoning met een schilderij of een portret van de gastheer. Na Schoonbron vond hij in 1967 een tijdje onderkomen bij een boer op de Keutenberg in Strucht. Daarna kon hij in Valkenburg terecht in diverse hotels, die soms nog een leegstaande kamer hadden, waaronder enige tijd in het Casinohotel bij een bevriend kastelein en in 1968 drie maanden in het pension Deckers - als dank schilderde hij later de aanblik van Neerhem (). Door een toename van inkomsten, met name als gevolg van de commerciële decoratieve projecten, was Hans Coumans in staat om in 1968 korte tijd een kleine ruimte, eigenlijk niet meer dan een berging, te huren aan de achterzijde van het voormalige gemeentehuis (het huidige museum Land van Valkenburg) in de Grotestraat in het centrum van het mergelstadje. Nadat, even later, het kantoor van de provinciaalse courant De Limburger aan de overkant van de Grotestraat werd opgeheven, verplaatste hij zijn activiteiten naar de vrijgekomen benedenverdieping met grote etalage en opende hij hier zijn schildersatelier. Het voormalige vrije woord moest grote invloed op vrije kunstenaars hebben uitgeoefend, want ook op de bovenverdiepingen waren enkele jonge kunstenaars en een docent tekenen en handvaardigheid gehuisvest. Gevestigd in de Grotestraat, van oudsher de belangrijkste straat van het Geulstadje, had Hans Coumans nu eindelijk voet aan de grond gekregen en zijn plek gevonden als culturele ondernemer te midden van de plaatselijke middenstand en de kroegen. De kunstschilder-ondernemer (decorateur) sloot feilloos aan bij de aanwezige ambachten zoals de smit, fotograaf, slager, aannemer, juwelier, apotheek, sigarenwinkel en de kleine supermarkt, die hier gesitueerd waren. Als gevolg van zijn werkzaamheden als sneltekenaar en decoratieschilder in het Geulstadje, waar hij gezien het aantal opdrachten waardering voor kreeg, ontstond er vraag naar volwassen olieverfportretten, wat nu zijn specialiteit werd. In tegenstelling tot de decoratieve muurschilderingen, kon hij met het portretteren daadwerkelijk laten zien dat hij het penseel machtig was. Als portrettist verkreeg hij binnen de kortste keren plaatselijk erkenning. Zijn portretten waren erg gewild dat zijn atelier overuren draaide. In die tijd stond de etalage van zijn atelier vol met artistieke koopwaar en ook elders in de straat in het merendeel van de kroegen alsook het naastgelegen schutterslokaal ()() hing zijn werk.
Voor de prijs van rond de 50 Gulden voor een portret van gemiddelde grootte van circa 50 x 60 cm hoefde je het in ieder geval niet te laten. Hieruit blijkt duidelijk de precaire relatie tussen kunst en geld, dus de waarde van zijn artistieke kwaliteit uitgedrukt in geld. De schilder was beslist vol zelfvertrouwen als het op het schilderen aankwam, maar het fenomeen geld was van een andere orde. Dat was altijd al een gevoelige kwestie geweest, van jongs af aan. Het liefst vermeed hij dit onderwerp dan ook waar mogelijk. In zijn nabijheid werd ook niet over geld gepraat. Geld had geen waarde voor hem - als hij geld had, dan was het maar voor kort. Lange tijd had hij als zwervende schilder kost en inwoning verruild via zijn werk, maar in de huidige situatie in de Grotestraat was dit economisch systeem niet meer mogelijk. Doordat hij niet de durf had een 'redelijk' bedrag te rekenen voor een portret of voor zijn vrij werk, deed hij zichzelf beslist te kort. Maar net als vrije schilderen was het vrije ondernemerschap ook een kwestie van beoefening en zou hij hierin moeten groeien. Toch kon hij ondanks dat het kunstenaarsbestaan nog steeds onzeker was, vanwege de afhankelijkheid van opdrachten, voor het eerst in zijn carrière ruimschoots leven van zijn kunst. Tenminste, op zijn manier dan, want op bier en walnoten kwam de schilder doorgaans al een heel eind. In een financieel mindere periode kon de schilder een beroep doen op zijn vaste Valkenburgse kameraden. Tesamen met de plaatselijke smit, aannemer en een andere en plein air schilder vormde Hans Coumans een onafscheidelijk creatief kwartet. Behalve dat de leden van het kwartet steevast rijkelijk het broodnodige alcoholische nat achterover schudden in de kroegen die Valkenburg rijk was, werkten zij geregeld gezamenlijk aan allerlei klussen en leenden zij elkaar onderling om beurten geld uit, zodra een lid op zwart zaat zat.
Vanuit zijn atelier in de Grotestraat trok de schilder er veelvuldig op uit om in het Geulstadje en omgeving en plein air te werken (), dikwijls vergezeld door die andere Valkenburgse schilderkamaraad. Overigens kon men nog wel eens ergens in het mergelstadje of langs de Geul een schildersezel met schilderij aantreffen, terwijl de schilder in kwestie in geen velden of wegen te bekennen was. In tegenstelling tot de begeleidende tekst 'de schilder is even schaften... ben zo terug' kon de complete schildersuitrusting soms dagenlang onbewaakt in de openbare ruimte staan, zonder dat iemand er mee aan de haal ging. Bij gebrek aan inspiratie was de schilder dan gaan wandelen of genoot hij van een welverdiende pauze in een van de vele kroegen, "want inspiratie komt niet alleen van de Herrgot, maar tevens uit onze brouwerijen!". Aangezien de joviale schilder altijd wel ergens bekenden trof, konden die pauzes nog wel eens aardig uit de hand lopen. Eind jaren 60 werkte Hans Coumans in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum (i.s.m. John van Oostindië, docent tekenen, schilder alsook i.s.m. Hans Mets, schilder) aan een zeventiende eeuwse zeeslag, waar de schilder het niet kon nalaten om de mensen die van boord sprongen van een zinkend schip af te beelden met polshorloges, transistor radio’s en parachutes. "It's wonderful, it's wonderful", was de reactie van Amerikanen na afloop, die vermoedelijk vooral overdonderd waren door de omvang van het werk. Later (in 1973-1974) zou hij een zelfde soort zeeslag realiseren in de officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht () (i.s.m. Hans Mets, schilder). Bij een opdracht voor voor een typisch Limburgs landschap (i.s.m. John van Oostindië) bij een plaatselijke melkboer in de Sint Pieterstraat, voorzag de schilder het tafereel van stel koeien die onder een paar palmbomen graasden. "prachtig, een echt Limburgs landschap!", complimenteerde de melkboer het tweetal tevreden. Bij een muurtafereel in het restaurant El Cadrillo, waarbij zijdelings in het tafereel een appelboom stond voorzien van een bordje met de tekst 'de appel valt niet ver van de boom', terwijl er een banaan onder de boom lag. Bij het opzichtige hotel Bellevue in Valkenburg werkte Hans Coumans (i.s.m. Hans Mets, schilder) aan een omvangrijk reclamewerk met daarop het nieuwste toeristenmenu 'Bieftruck met frites en sla' (), dit naar aanleiding van een zwaar ongeval waarbij een truck dwars door de gevel van het hotel-restaurant was gereden en grote schade had veroorzaakt. Van dit soort werken zijn in korte tijd tientallen exemplaren vervaardigd.
In korte tijd na Charles Eyck had zijn schilderstijl een opvallende verruwing aangenomen, wat wellicht een uiting was van een wilde periode. De schilderijen ogen 'ruiger' dan voorheen. Ze zijn veelal opgezet met het paletmes of plamuurmes, waarmee de schilder de verf met losse, ruige streken rijkelijk over het doek uitsmeerde en mengde. Nadien bewerkte hij de werken dikwijls en kraste hij met de achterkant van het penseel ruw door de natte toplaag, waardoor de onderlaag naar boven kwam of zichtbaar werd. In zekere zin was dit (hoewel beperkt) een abstrahering ten opzichte van zijn eerdere werken, waardoor hij in een rap tempo kon werken. Maar belangrijker, deze wijze van schilderen dwong hem zich te concentreren op het hoofdthema en niet op de bijzaken. Dit was een belangrijk inzicht, waar Charles Eyck hem eerder al op had gewezen en wat nu zeker navolging vond. Deze verandering is duidelijk zichtbaar in de natuurmotieven ()()()()()(), stadsgezichten ()()()() en de enkele stillevens van dat moment ()(). De portretten ()()()()()()()()()()()() zijn eveneens in deze stijl opgezet. Het bijzondere aan de portretten is, dat hoewel hij nogal ruig werkt, hij in staat blijkt om de unieke karakters op voortreffende wijze te portretteren.
Een kortstondige romance leidde in 1969 tot de geboorte van zijn eerste zoon Roeland, maar omdat de schilder volledig van slag was, omdat hij niet kon omgaan met (de verantwoordelijkheid van) het vaderschap, besloot zij de taak van de opvoeding voor haar eigen rekening te nemen.
Mogelijk had deze ingrijpende gebeurtenis ertoe bijgedragen, dat de schilder even later dat jaar stadsgenoot naar Spanje vergezelde, die voornemens was een kroeg te openen in het kuststadje Calella de Costa aan de op dat moment opkomende toeristische Costa Brava. In Calella huurden het tweetal voor 50 gulden per maand een sober ingericht appartement bij een oudere Spaanse dame, die tevens elke dag een avondmaaltijd verzorgde - dit was inbegrepen in de huurprijs. In het kuststadje spreidde het nieuws van de komst van het markante tweetal zich razendsnel, en spoedig leverde dat kleine schilderklussen op, voornamelijk reclamewerken en letterzetten op gevels en etalages. In een mum van tijd maakte Hans Coumans hier aan de Costa's naam als Pintor Holandes. Overigens ging dat letterzetten niet altijd zoals aanvankelijk beoogd, omdat de Limburger vantevoren nooit een plan maakte maar gewoon ergens begon en dan gaandeweg moest zien uit te komen. Zo was hij bij een restaurant bovenaan op de gevel begonnen en eenmaal onderaan aangekomen was hij gedwongen om de laatste letter van de naam dan maar op de stoep te schilderen. Hoewel de eigenaar aanvankelijk erg verbaasd was over het eindresultaat, wisten ze hem te overtuigen dat deze methode juist beter was. In Amsterdam was dit zelfe de nieuwe trend, beweerde het tweetal, omdat veel mensen naar beneden kijkend door de stad liepen en dan de letter opmerkten. Hoe dan ook maakte deze opdracht de weg vrij voor enkele grotere opdrachten van decoratieve schilderingen in diverse établissementen, zoals Hans Coumans gewend was uit het Geuldal. Enkele omvangrijke werken in het chique restaurant La Olla (van wat later bleek de privékok van generaal Franco), waar enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden zich rijkelijk vermaakten, charmeerde een bekende stamgast, de surrealist Salvador Dali zodanig, dat hij de schilder een uitnodiging liet toekomen voor de exclusieve opening van zijn aanstaande tentoonstelling in Barcelona. Op de bewuste dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers echter in het historische centrum met een wirwar aan straten en steegjes, en bij navraag in een plaatselijke bodéga bleken de geneugten des levens toch boeiender dan de opening van een tentoonstelling, waardoor ze nooit de plaats van bestemming bereikten. Het lokaal waar uitbundig Flamenco werd gezongen en gedanst en vooral werd gedronken, bleek een te grote verleiding voor hem (en zijn kameraad). Dat de ontmoeting geen doorgang kon vinden, daar had deze Pintor Holandes weinig boodschap aan. "Ach, die Dali...", Hans Coumans vond hem bij nader inzien toch te elitair en te overdreven. Bovendien had hij niet zo veel met surrealisme. Na zijn activiteiten in Calella en Lloret de Mar werd de schilder door een groep geïnteresseerde Mexicanen uitgenodigd om in Benidorm een compleet nieuwe discotheek van muurschilderingen te voorzien. Dit was een megaklus, die hem veel succes zou kunnen opleveren. Echter, na ruim een maand werk werd hij dupe van oplichting en kreeg hij niet uitbetaald. Na dit voorval vergezeld met de nodige bedreiging besloot hij ontgoocheld en volledig berooid na een dik half jaar aan de Spaanse Costa's terug te keren, deels te voet en deels liftend, naar Nederland.

In de late jaren 60 was Hans Coumans uitgegroeid tot een veelbesproken, populaire en plein air kunstschilder in het Geuldal en omstreken. Het geuldal en Hans Coumans waren onafscheidelijke begrippen geworden. De schilder viel niet meer weg te denken uit het Valkenburgse straatbeeld. De opvallende schilder kende iedereen, zo leek het, en hij begroette een ieder steevast met het al even opmerkelijke "Ha vrund!", zelfs al had hij deze of gene nog nooit gezien. Omringt door toeristen en geïnteresseerden vormde de schilder een onvermoede toeristische attractie, vergelijkbaar met de taferelen in het wereldberoemde kunstenaarskwartier Montmartre in Parijs. Deze manier van werken inspireerde ook ander kunstschilders om in de buitenlucht te gaan schilderen. In Valkenburg zelf had de schilder in ruim 26 établissementen en andere openbare plekken omvangrijke decoratieve werken weten te realiseren en in heel Zuid-Limburg tesamen circa 40 exemplaren - inmiddels eveneens onder andere bij restaurant Calipso, De Vesting (), Valkenhof, Gouden Leeuw, De Hel, restaurant El Castrillo, De Postkoets (), 't Grendelpoortje ()() en pension Mimosa () en de melkboer in de St.Pieterstaat (i.s.m. John van Oostindië) in Valkenburg. Daarnaast had hij een groot werk in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum (i.s.m. Hans Mets, schilder alsook i.s.m. John van Oostindië, docent tekenen, schilder) gerealiseerd en even later (in 1973-1974) de volledige officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht () beschilderd (i.s.m. Hans Mets, schilder). Ook had hij in 1969 het houtskool overgenomen van Albert Widdershoven, die tot voorheen de vaste grottekenaar van het mergelstadje was. In de Gemeentegrot vereeuwigde de schilder onder andere de carnavalsprinsen ()() en -prinsessen, Albert Widdershoven (), Jef Habets () (oprichter Gemeentegrot) alsook de voormalige burgemeester Breekpot (). Ook in diverse andere Valkenburgse grotten vervaardigde hij werken. In de steenkolenmijn bijvoorbeeld werkte hij aan een tweetal grote thematische taferelen over het boerenleven in de middeleeuwen () en de prehistorische jacht (), voor het opvallende oog voorzien van een helicopter en een jager met geweer. Verder schilderde hij werken voor de schutterij en decors voor de plaatselijke toneelverenigingen. Ook rond carnaval was het drukke tijden voor de schilder. Dan schilderde hij de vele decoraties in de kroegen waar hij dikwijls werd betaald in kratten bier of é'n glas bier kreeg per gezette letter. In 1970 beschilderde hij (i.s.m. John van Oostindië) de carnavalswagen van prins Giep II, kastelein van café Valkenhof, waarvoor het tweetal de eretitel 'de hofschilders van Giep II' uitgereikt kreeg op de carnavalszitting. Om in de carnavalstemming te blijven huurden de schilders een Sinterklaas- en Pietenpak om vervolgens onherkenbaar in de optocht mee te lopen als de eerste Bisschop van Vallekeberg Sjoane Weck, als een reactie op de locale politiek van dat moment (overigens wonnen ze voor deze creatie ook de eerste prijs, maar omdat ze de inschrijving niet hadden geregeld, ging de prijs aan hun neus voorbij).
Ofschoon het gemakkelijke geld en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefenden, hield dit de Valkenburgse schilder evenwel lange tijd gevangen, en weerhield dit hem om zich te richten op datgene waar zijn hart lag, namelijk de vrije kunst. Financiële onafhankelijkheid, dit was iets waar hij trots op was, dat hij dit als een van de weinige beginnende schilders had bereikt. Dit in tegenstelling tot veel andere afgestudeerde Limburgse kunstschilders die massaal een beroep deden op BKR-regeling, een maatschappelijke compensatie-regeling speciaal voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage. Overheidssteun had hij te allen tijde geweigerd. Want waarin onderscheidt de kunstschilder van de slager, die gewoon zijn eigen brood moest verdienen? Nota bene elk glas bier had hij zelf betaald. In het artikel 'De andere Hans Coumans' () uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg, stelde de schilder dat veel beginnende kunstenaars wat zitten te kliederen in hun atelier: "... veel (beginnende) kunstenaars verstikken in hun eigen theorieën en produceren uiteindelijk helemaal niets...". Maar hij besefte dat financiële vrijheid nog geen artistieke vrijheid betekende, integendeel. Dit was een continu sluimerende kwelling, die de vrij schilder in zijn greep had en zeer op zijn gemoed drukte. In het zelfde artikel zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapot ging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Het zelfpredikaat "... schilder van het volk", was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige pad van de vrije kunst.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te bekwamen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers en Charles Eyck - vatte de schilder dit telkens op als pedanterie. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus Christine van Kempen. De hoteldochter Van Kempen uit het mergelstadje, die hij al 20 jaar niet had gezien, stond opeens (niet wetende wie deze schilder was) voor de deur. Twee plaatselijk befaamde, markante, onafscheidelijke zussen (van de moeder van Christine van Kempen) - zij woonden hun hele leven al onder één gezamenlijk dak - hadden hun jonge nicht naar de Valkenburgse schilder gestuurd voor de vervaardiging van een portret (van haar), als cadeau voor het bronzen huwelijk van haar ouders. Dit déjà vu leidde niet alleen tot een portret, maar spoedig ook tot een hartstochtelijke liefdesrelatie en uiteindelijk een half jaar later op 30 juli 1970 tot een huwelijk. Op de dag van het huwelijk betrok het kersverse stel hun gezamenlijke woning, een voormalige sigarenwinkel met een grote etalage en bovenwoning in de Lindenlaan in het centrum, dat zij dankzij een lening van de twee tantes Van Kempen hadden kunnen aankopen. Ofschoon Christine van Kempen (kennelijk) enkel woord had gehouden dat zij en de schilder ooit nog een keer in het huwelijksbootje zouden stappen, was het schilderachtige Geulstadje echter met stomheid geslagen. Niemand had het ooit voor mogelijk gehouden dat die eeuwige vrije vogel zoals hij werd gezien, deze bohemien, een verbindenis was aangegaan nota bene met zo een keurig meisje van een gegoede hotelfamilie. Afgaande op een houtskoolportret () van zijn vrouw moest de schilder zelf ook verbaasd zijn geweest, dat hij na al die tijd, nu een 'eigen' vrouw had. De ouders van Christine, de uit Enkhuizen afkomstige Gérardus Theodorus (Gé) van Kempen en de Valkenburgse Jeanneta (Jeanne) Jennekens waren eveneens vol ongeloof en aangeslagen door de nogal opzienbarende voornemens van hun enige dochter. Zij hadden duidelijk een andere voorstelling bij een eventuele gegadigde om op zijn minst het hotelwezen voort te zetten, waar haar 12 en 20 jaar oudere broers overigens wel voor gekozen hadden. Haar moeder kon haar tranen dan ook niet verhullen tijdens de huwelijksseremonie, en die tranen waren allesbehalve van geluk.
Hoewel Gé van Kempen via zijn huwelijk met Jeanne Jennekens in het hotelwezen beland was, had de hotelfamilie Jennekens vanwege hun diverse hotels van oudsher aanzien in het toeristenstadje en door de actieve betrokkenheid bij het gemeenschapsleven was de familie geliefd bij de inwoners. Louis Jennekens, behalve (volgens een artikel in 1963 ter ere van zijn 90-jarige leeftijd) een oprechte Valkenburger tevens de vader van Jeanne, was gedurende zijn leven naast eigenaar van enkele hotels waaronder Continental eveneens in bezit van een bloeiend aannemersbedrijf gespecialiseerd in mergelbouw. In die hoedanigheid is hij van betekenis geweest voor het mergelstadje specifiek in relatie tot de bouw van onder andere naast woningbouw de Jongensschool en het Openluchtmuseum in de Plenkertstraat alsook de sluizen van Valkenburg, waardoor de regelmatige ernstige overstromingen voortaan achterwege bleven - overigens organiseerde de aannemer tijdens hoog water, zodra het gehele centrum blank stond, gelegenheidsveerdiensten met zijn paard en wagen. Daarnaast was Louis Jennekens ook al actief in het verenigingsleven door betrokken geweest te zijn bij de oprichting van de harmonie het koninklijk genootschap Walram. De jongere generatie Gé en Jeanne van Kempen zette het hotelwezen van hun vader Louis voort met hotel Continental, (in de oorlog) hotel Bellevue en op dat moment met hotel Limburgia. Daarnaast was de familie geliefd in het stadje vanwege hun inzet voor de gemeenschap gedurende de oorlog en vanwege hun (maatschappelijke) betrokkenheid bij allerlei plaatselijke verenigingen. In de oorlog sluisden zij in hun door de Duitsers geconfisceerde hotel Bellevue voedsel door naar de hongerige inwoners van het stadje en Gé van Kempen was lid van het verzet en reisde geregeld verkleed als pastoor (met documenten onder zijn tuniek) naar het noorden voor geheim overleg. Overigens werd die laatste in de oorlog tijdens de carnavalsparade opgepakt vanwege zijn persiflage op Adolf Hitler, maar werd hij na een dag alweer vrijgelaten nadat de drie gezusters zich ermee gingen bemoeien en stampij maakte bij het hoofdkantoor van de SS. "Want had men dan toch niet gezien dat deze actie nou juist een aanbidding was van Der Führer..?", beweerden de drie gezusters.
De ouders Van Kempen, die her en der navraag hadden gedaan, waren van mening dat deze vrije schilder nooit een goede partij voor hun dochter zou kunnen zijn. Naast dat Hans Coumans in het Geulstadje de twijfelachtige reputatie had als bon-vivant, kon een kunstschilder onmogelijk een vrouw onderhouden. Zelfs meneer pastoor was al een keer komen praten om Christine van Kempen op andere gedachte te brengen. Maar voor Christine van Kempen, die na haar afgeronde studie psychiatrie in Deventer inmiddels in het psychiatrisch centrum 'Vijverdal' in Maastricht werkzaam was en dus financieel onafhankelijk, betekende de verbintenis met deze vrije man een avontuur en een vlucht uit de stramienen van het hotelwezen, terwijl haar twee oudere broers het hotelwezen voortzetten.
Uiteindelijk was Christine van Kempen, zijn plotsklaps opdoemende muze, degene die Hans Coumans na al die onstuimige jaren stabiliteit bracht. Zij gaf de schilder niet alleen het nodige zelfbesef (dat hij tot meer in staat was dan gezellige landschapjes met huisjes en knappe koeien) maar spoorde hem aan zijn cynisme - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - te laten varen en bewoog hem toch vooral tot het maken van een keuze wie hij wilde zijn: de artistieke vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De hartstochtelijke liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in zijn schildersloopbaan, waarbij hij afscheid nam van het vrijbuitersleven om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen.
Het afslaan van commerciële opdrachten luidde evenwel een onzekere financiële periode in, wat een weerslag had op het prille huwelijk. Zeker in 1973 met hun eerste zoon Serge op komst zou zijn vrouw haar vaste baan op Vijverdal beëindigen en zich volledig gaan richten op de opvoeding. Haar ouders hadden haar destijds meermaals gewaarschuwd voor haar keuze voor deze schilder, maar dit gekozen pad was een éénrichtingsweg. Er was geen sluiproute terug. Ook zij had eerder deelgenomen aan het rijkelijke bourgondische leven van de schilder, echter nu de inkomsten drastisch terugliepen, bleek het vrije kunstenaarsleven voor de hoteldochter een opoffering. Ze eiste, dat indien hij als schilder serieus genomen wilde worden - hier had zij haar onvoorwaardelijke steun aan gegeven - dat hij zich eens navenant zou moeten gaan gedragen. Het moest voortaan afgelopen zijn met "die onzin" met collega-schilders in de kroegen van (dikwijls) vroeg op de dag tot 's avondslaat, terwijl zij thuis in het ongewisse verkeerde. Zij stelde hem dan ook het ultimatum om te kiezen of voor zijn kroegenleven of zijn jonge gezin. Geld was altijd al een hekel punt, maar de schilder had er zelf een groot aandeel in. Dat uitbetaling in natura geschiedde, terwijl er thuis honger was of geld nodig was om de rekeningen te betalen. In het verleden kon hij als vrij man geregeld her en der meeëten, werd wel eens betaald met een kop soep of kreeg hij één glas bier per gezette letter. Een keer ontving hij 150 flessen exclusieve wijn Chateau Petrus, destijds voor een portret van een staalmagnaat () uit Maastricht, die er in een mum van tijd doorheen waren. Ook de trouwringen had de schilder via een ruildienst verkregen, door een werk te maken voor de juwelier. Zijn vrouw stond niet meer toe dat hij zomaar werken cadeau gaf (aan iemand die hij graag mocht) of dat hij schilderde als een ruildienst of werken meegaf aan geïnteresseerden zodat deze het in hun huis konden ophangen en bekijken of het beviel, terwijl hij zich even later niet meer kon herinneren aan wie hij het had meegegeven. Ook werd er misbruik van hem gemaakt, omdat men nog wel eens een schilderij voor een habbekrats kon verkrijgen op het moment dat de schilder honger had. Maar ook aan eergevoel hing een prijskaartje, zoals een keer in de Valkenburgse kroeg 't Grendelpoortje' een plaatselijke slager ten overstaande van iedereen riep: "schilder, ik geef je 800 Gulden voor dat (nieuwe) doek...", waarop de schilder zich omdraaide en zei: "Slager... jij hebt mij te veel geld..." om zich vervolgens naar een andere dorpsgenoot te wenden, dat deze het werk voor 200 Gulden mocht hebben, die direct akkoord ging.
Gaandeweg wist de schilder dit geestelijke knelpunt echter op te lossen en op schildervlak nieuwe thema's te ontwikkelen en zijn productie te vergroten, ten einde de inkomsten te vergroten. Zeker zou hij af en toe nog een commerciële opdracht aannemen, maar het accent zou nu liggen op het schilderen wat hij zelf wilde. En het bovenmatige kroegenbezoek zou hij nu matigen en deze tijd voortaan aan zijn jonge gezin besteden. Maar de urenlange wandelingen door de natuur op zoek naar interessante plekken om te schilderen, dat hoorde nou eenmaal bij het schildersvak en dat bracht de geest tot rust. Ondanks de 'aanpassingen' zou in de praktijk blijken, dat zijn vrouw uiteindelijk toch hoofdzakelijk de opvoeding van hun eerste zoon (alsook later de andere kinderen) voor haar rekening zou nemen. Structuur een moeilijke kwestie voor deze vrije schilder, wat hem blijvend zou achtervolgen.
Vanaf dat moment zou men Hans Coumans structureel aantreffen op de bekende en beeldbepalende plekken in en rondom Valkenburg. In het mergelstadje zelf in het centrum nabij het Huis aan de brug ()()()(), kasteel Den Halder (), de sluis (), de Grendelpoort () en de watermolen (), in de Bogaardlaan () als ook in de Lindelaan ()(), de Kerkstraat ()() en op de Cauberg (). Verder werkte hij in de omgeving nabij Kasteel Oost ()()(), het Geulstrand () en Kasteel Schaloen ()()() in Oud-Valkenburg. Dikwijls vergezelde behalve zijn draagbare radio en zijn kratje bier zijn vrouw hem gedurende de zonnige schilderdagen in het groen of aan het Geulstrand, terwijl zij in een klapstoel een boek las. Gedurende de wintermaanden, zodra de vrieskou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakte, legde hij zich toe op portretteren ()()()()()()()()()()()()()()(), het schilderen van bloemstillevens en wildboeketten ()()()()()() of andere opdrachten, waaraan hij in zijn atelier in de Lindenlaan onafgebroken kon werken. Tussendoor maakte hij enkele werken van zijn vrouw, waaronder schetsen ()()() en enkele volwassen olieverfschilderijen waarbij hij zijn vrouw afbeeldde als Spaanse zigeunerin () en als Spaanse bruid (). Dit laatste betreft een groot werk waaraan te zien is, dat hij er met uitzonderlijke bezieling aan heeft gewerkt.
Met de hulp van bevriende kastelein, die zelf enkele werken in bezit had en wiens eethuis De Vesting volledig was beschilderd (), was het mogelijk om in het café 't Jachthoes in het toeristische centrum van Valkenburg in 1974 een eerste grote 'serieuze' tentoonstelling () te organiseren met circa 30 werken. De expositie was een redelijk geslaagd project, waarbij nagenoeg de helft werd verkocht.
De atelierwoning in de Lindenlaan vormde behalve een expositieruimte ook een ontmoetingsplek voor kunstenaars en gelijkgestemden, waar politiek en de maatschappij onderwerp van discussie was. Naast zijn koopwaar exposeerde de schilder geregeld zijn ongenoegen over actuele maatschappelijke en (plaatselijke) politieke gebeurtenissen of soortgelijke aard. Zo schilderde hij in 1973 als reactie op de oliecrisis het politieke werk () met daarop gebroederlijk Paus Johannes Paulus II en Ruhollah Musavi Khomeini. Rond diezelfde tijd was de schilder zeer ontstemd over het feit dat een recent aangetreden en vooraanstand lid van het Bisdom in Roermond zijn ambswoning voor een exorbitant bedrag had laten verbouwen, terwijl diezelfde persoon opriep tot nederigheid. Hoewel het oorspronkelijke protestwerk met de persoon in kwestie voorzien van een verwijzing naar de tien geboden verloren is gegaan, bestaat er wel nog een open brief () met een verklaring en reactie op de commotie, waarin de schilder het betreffend lid betichtte van arrogantie, terwijl God volgens ondergetekende niet van arrogantie houdt. De schilder had al een bezoek van het Bisdom Roermond gekregen met het vriendelijke verzoek om het plakkaat te verwijderen, maar de bedreigingen aan zijn adres (zijn gezin) deed hem uiteindelijk besluiten zijn protestactie te staken. Maar ook luchtigere zaken kwamen aan de orde, zoals een reactie op de nieuwe trend van plantaardige producten, waarbij de schilder een bloem in een kuipje boter had gestoken onder de vermelding, dat bij deze bewezen was dat boter plantaardig was.
Dat Hans Coumans in een andere levensfase terecht was gekomen, had zichtbaar uitwerking op de wijze van schilderen. Zijn vrouw had hem heel wat innerlijke onrust ontnomen, wat zichtbaar is in de werken die hij niet lang na hun ontmoeting vanaf 1970 maakte. De schilderijen lijken plotsklaps ontdaan van hun ruwe karakter, omdat hij niet meer of nog maar incidenteel met het plamuurmes werkt. In plaats daarvan zijn zijn schilderijen lichter en frivoler, zoals de werken van Claude Monet en Édouard Manet, waar Hans Coumans altijd al grote fan van was. De schilderijen van dat moment beschikken over een zachtere, lichtere - een lieflijke toets - dan voorheen en het koloriet is frivoler () en geraffineerd complexer, dat de werken sprankelen. Dat is zeker niet het geval bij alle werken, omdat de schilder zeker niet elke dag zijn Zondagse dag had. In ieder geval zijn de werken lichter in gewicht doordat de schilder minder verf gebruikt. Het is achteraf gissen, maar misschien dat geldgebrek hier ook voor een deel debet aan is. Soms is de kleur van het lichtbruin gekleurde naakte linnen doek () onderdeel van de kleurschakering van een werk.
Na een buitengewoon productieve periode, de schilder had een paar jaar structureel in en rondom Valkenburg geschilderd, geraakte hij in een mineurstemming. Hoewel Hans Coumans zich had voorgenomen om zich volledig te richten op het echte schilderen, bleef hij toch nog afhankelijk van zijn commerciële decoratieve werken. De commercie had toch nog invloed op het werk van de schilder. In een stukje in Elzevier () uit 1974 over de kunstschilder en zijn inzichten in stijl en economie, herhaalde hij nogmaals dat hij: "... zoveel consessies moest doen om in leven te blijven, dat ik niet aan mijn eigen werk toekom.". Hij besefte dat hij nog een kind was op kunstgebied. Jarenlang was de levenskunst het belangrijkste, maar nu de kunst. Hij stelde: Ik heb misschien nog tien jaar nodig. Ik ben nog te veel een kind. Misschien het ik het over tien jaar wel gehaald. Zoveel vertrouwen heb ik wel...". Nog steeds was hij gedwongen om consessies aan het geld te doen, want hij had het geld immers nodig voor zijn gezin: "dat vreet aan je...". In tegenstelling tot wat hij zich had voorgenomen, zou hij toch nog gewongen zijn tot allerlei quasi-artistieke projecten () en tot 'aanrommelen'. En hier werd hij zeker niet echt gelukkig van. Dit zorgde ervoor dat de schilder Valkenburg in 1974 voor gezien hield en vanaf het begin van de zomer in dat jaar besloot om voor een half jaar uit te wijken naar Binche in België, waar het kunstenaarsgezin hun intrek nam op Chateau du Bois d'Angre, eigendom van een bevriende Valkenburgse familie. In een kort artikel () in de plaatselijke krant Land van Valkenburg kondigde de schilder zijn vertrek aan: "ik ga weg uit Valkenburg. In deze plaats letten ze alleen maar op geld en commercie. Ik ga naar Zuid-België in de omgeving van Charlerois. Daar hoop ik rust te vinden en te kunnen schilderen wat ik zelf wil.". Weg van het toeristenstadje kon het gezin in Binche van alle rust genieten. Hier trok de schilder met zijn gezin er wandelend op uit in de licht-glooiende velden en de bossen van Zuid-België en Noord-Frankrijk. Als dank voor het verblijf verrichte de schilder schilderwerkzaamheden in het chateau en schilderde hij een tweetal werken ()() van de tuin van het Chateau. Daarnaast schilderde hij enkele werken in de omgeving van Charlerois.
Weer teruggekeerd in de Lindenlaan richtte hij zich weer op het schilderen in de natuur. Verder deed hij sneltekenen op braderieën, jaarlijkse markten of andere evenementen. Dat de rust weder was gekeerd, was echter schijn. Het hart van Valkenburg onderging namelijk vanaf begin 70-er jaren geleidelijk aan een transformatieproces (schaalvergroting), wat voor een toenemende afkeer zorgde bij de schilder. Het knaagde zeer, dat de grip van de commercie, de vernieuwingsdrift en de opkomst van het massatoerisme ervoor zorgden, dat de diversiteit in het centrum met zijn uiteenlopende ambachten geleidelijk aan moest wijken voor een monocultuur van horeca en dat voor het mergelstadje beeldbepalende monumentale, historische panden waaronder hotel 'Oranje Nassau' en hotel 'Franssen' omwille vluchtige economische belangen werden afgebroken en vervangen door anonieme, grootschalige moderne architectuur. Dit betekende de afbraak van de unieke identiteit van het authentieke mergelstadje. En die authentieke identiteit maakte het stadje nou juist bij veel mensen geliefd, meende de schilder. Het pittoreske karakter moest inboeten voor vervlakking, de uitzondelijkheid moest plaatsmaken voor de algemeenheid. Diverse keren tekende de schilder protest aan bij de gemeente aan of droeg hij alternatieven aan. Zo betichtte de schilder de plaatselijke schoonheidscommissie van de gemeente van corruptie', aangezien het nieuwe bankgebouw werd voorzien van een wit-marmeren gevel, terwijl in het verleden ervoor werd gewaakt en gepleit om voor de bouw in het karakteristieke centrum mergel toe te passen. Zeker voor de gemiddelde inwoner was dit een strikte regel. Zelfs het plaatsen van een dakkapel was een moeizaam burocratisch proces. Twee plaatselijke kranten waaronder Land van Valkenburg maakten in maart 1975 melding dat kunstschilder Hans Coumans voor de betreffende bankgebouw had gedemonstreerd ()() met een groot plakkaat en daarop de niet te misverstane slogan: 'Volgens mij moet de schoonheidscommissie corrupt zijn, want... dit is wansmaak (hij die de schoen past, trekke hem aan!!)'. Een andere keer wilde de gemeente de oude gietijzeren lantaarnpalen in het centrum en dus ook in de Lindenlaan te vervangen door een strak eigentijds model. De schilder was het met deze ingreep niet eens en tekende protest aan. In overleg met de plaatselijke smit stelde de schilder een historiserende lantaarn voor om het karakter van de straat te behouden.
Als gevolg van diverse overstomingen in Valkenburg, die ook de Lindenlaan raakten, vond eind 1974 begin 1975 een verbouwing plaats aan de atelierwoning. Om ervoor te zorgen dat de binnenplaats voortaan niet meer overstroomde, werd deze overkapt door transparante, lichtdoorlatende golfplaten en bij het atelier getrokken, dat nu verdubbelde in omvang. Het transparante dak was ideaal vanwege de natuurlijke lichtopbrengst, zeker voor de portretkunst, en de extra capaciteit was zeer wenselijk vanwege de toename in de productie. Omdat de verbouwing de schilder een rip uit zijn lijf had gekost, kon hij het niet nalaten om een notitie in de etalage te plaatsen: 'na de verbouwing zijn de schilderijen duurder', waarover een plaatselijke krant () in januari 1975 verbaasd geamuseerd berichtte.
In de tussentijd leidde de toenemende toestroom van toeristen, die volgens de schilder ordinaire zo niet hedonistische taferelen met zich mee droeg, dikwijls tot een rumoerige, grimmige sfeer in het mergelstadje, waaraan de Lindenlaan eveneens ten prooi viel. In Valkenburg werden meer en meer 'goedkope' hotels ingelijfd en diverse campings gingen zich specifiek richten op jongeren, en ook in de Lindenlaan verschenen twee nieuwe hotels. Behalve de nachtenlange geluidsoverlast van groepen jongeren in het naastgelegen hotel veroorzaakte met name brandgevaar een ernstige aantasting van het woongenot van het kunstenaarsgezin. Omdat diverse overleggen met de buren tot grote frustratie bij de schilder op niets uitliep en bouwkundige maatregelen - een extra woningscheidende wand - geen verbetering bracht, restte de schilder tot groot verdriet niets anders dan zijn zo geliefde Valkenburg definitief de rug toe te keren.

Van een bevriend Valkenburgse kastelein - hij was de zoon van de chateau-familie - en tevens ontwikkelaar van vastgoed kreeg het kunstenaarsgezin in de zomer van 1976, nu met hun tweede zoon Jarosj op komst, het aanbod om in het rustigere Zuid-Limburgse forenzendorp Nuth te gaan wonen. De kastelein was enige tijd eigenaar van het imposante voormalige gezellenhuis 'Ons Thuis' met bijgebouwen en een groot park en het latere nonnenklooster-bejaardenhuis 'Huize Maria' van de congregatie Dochters der Liefde aan de Stationsstraat. Omdat het kloostercomplex in 1973 was afgekeurd voor bewoning en op den duur zou worden afgebroken om het terrein te herontwikkelen, was in het kloostergebouw vanaf 1975 tijdelijk een asielzoekerscentrum (AZC) gehuisvest voor de opvang van circa 200 rijksimmigranten van voornamelijk Surinaamse afkomst en kon het kunstenaarsgezin tot aan de sloop kostenloos antikraak een deel van het bijgebouw bewonen. Dit bijgebouw fungeerde voorheen als Groene Kruisgebouw en bestond uit twee delen, waarvan de schilder en zijn gezin de voorzijde betrok terwijl het andere deel lange tijd onbewoond bleef.
Vanuit zijn nieuwe vestigingsplaats trok Hans Coumans er te voet of per fiets op uit om te werken in de groene omgeving van Nuth, Terstraten ()()() en rondom Wijnandsrade (). Zeker het elegante Terstraten, een typisch zuid-Limburgs gehucht, met zijn glooiiend, bosrijk landschap, de groene weiden en enkele historische vakwerkhuizen en herenboerderijen was een geliefd onderwerp, dat hij meermaals op doek zou vastleggen. Daarnaast maakte hij veelvuldig lange wandelingen door de natuur, zoals hij dat altijd had gedaan op zoek naar inspiratie en markante plekken om te schilderen, die niet zelden eindigden in de locale kroegen. Zeker in de dorpskroeg tegenover de kerk was hij een graag geziene gast, waar hij tevens een muurschildering vervaardigde. Hier ontmoette hij bekende dorpsgenoten, waarvan hij enkele portretteerde. Via het kroegenleven vergaarde hij allerlei serieuze opdrachten, maar ook schilderklussen voor verenigingen en de carnaval. Verder bezocht hij de locale braderieën, markten en fancyfairs in de omgeving om te sneltekenen. In zijn atelier, dat in Nuth een stuk ruimer was dan voorheen in Valkenburg, besteedde hij veelal tijd aan het portretteren ()()()()()(), aan het uitwerken van de en plein air landschappen en gedurende de koude wintermaanden voornamelijk aan stillevens ()()()(). Onder de stillevens bevond zich een interessant stuk met op de achtergrond een tafereel van de synode in Rome () in 1980, welke was gehouden naar aanleiding van de theologische polarisatie, een 'Tweede Beeldenstorm' die tijdens en na het Concilie door Nederland waaide, waarbij de Nederlandse kerkprovincie uiteen dreigde te vallen in een rechter- en een linkervleugel, die onverzoenlijk tegenover elkaar leken te staan. Tussentijds vervaardigd hij een houtskoolportret van zijn vrouw met zijn twee jonge zoons (). Door het contact met de buren ontmoette de schilder een Creoolse dame, wiens schoonheid vermoedelijk een overweldigende indruk op hem moet hebben gemaakt, dat hij haar vroeg om voor hem te poseren. Hoewel dat niet bekend is, vertoont het portret een opvallende gelijkenis met Maria en haar kind (), omgeven door een aura van goud licht. Geregeld bezocht hij Valkenburg (), voornamelijk voor opdrachten van portretten ()()()()()()(). Omdat hij niet in het bezit was van een rijbewijs, ging hij geregeld met de bus, de fiets of wandelend naar Valkenburg. Dikwijls werd hij op verzoek opgehaald en thuisgebracht door de opdrachtgever. Omdat de schilder in Nuth ondanks zijn afkeer van auto's - als medepassagier was hij voortdurend angstig en op zijn hoede voor mogelijke ongelukken - besefte, hoe belangrijk het was om mobiel te zijn en niet afhankelijk van anderen te zijn, besloot zijn vrouw om rijlessen te gaan nemen. Het was soms onmogelijk om te voet of met de fiets of de bus en dan nog eens met een volledige schildersuitrusting op plaats van bestemming te komen.
In Nuth kreeg de schilder eindelijk de financiële kwestie onder controle, wat ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef. Voor het eerst in zijn leven ontving hij een aanslag van maar liefst 2.000 Gulden, een astronomisch bedrag voor een kunstschilder, aldus de schilder. Hij was furieus, omdat hij in tegenstelling tot veel collega-kunstenaars in zijn loopbaan (uit principe) nooit een beroep had gedaan op de BKR-regeling en dat men hem nu zijn zuur verdiende geld durfde af te pakken. Vanaf dan zou er een innige briefwisseling met de belastingdienst ontstaan, waar nooit een einde aan zou komen, en die volgens sommigen net zo innig moet zijn geweest als die van die andere schilder Vincent van Gogh en zijn broer Theo. De frustratie resulteerde in een kritisch schilderij (), waarin hij zichzelf afbeelde als armoedzaaier, die in zijn eentje de last van de hele wereld op zich moest zien te nemen.
Ofschoon Nuth de schilder had verlost van de stressvolle situatie in Valkenburg, ontbrak het Nuth aan een uitgesproken karakter en een uitbundig gemeenschapsleven. Afgezien een enkele kroeg was het dorp weinig temperamentvol of levendig en zodoende weinig inspirerend. Dit zorgde ervoor dat de schilder, weg van het bruisende Valkenburg waar hij zo gehecht aan was geraakt - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden - steeds meer in een sociaal isolement belandde en gevolgelijk in een mineurstemming terecht kwam. Daarnaast ontstond er op den duur ernstige drugsoverlast in het klooster, waar het AZC gehuisvest was. Van 's ochtendsvroeg tot 's avonds laat werd intensief heroïne gedeald, er heerstte een grimmige sfeer op het binnenterrein als gevolg van allerlei ongenode bezoekers en het park lag soms bezaaid met gebruikte drugsnaalden. Deze situatie maakte de schilder zeer nerveus, vanwege het gevaar voor zijn vrouw en met name zijn twee jonge kinderen, die op het binnenterrein en in het nabijgelegen park speelden. Naast dat hij de politie hierover herhaaldelijk berichtte en om bescherming vroeg voor zijn gezin, wilde hij een mogelijke reactie niet afwachten en sliep hij met een 'knakker' oftewel een revolver (met dichtgelaste loop) onder zijn kussen. Toen de schilder eind 1979 na een inbraak en de intimidatie van zijn vrouw verhaal ging halen bij de buren, vond er een gericht schietincident op zijn huis plaats en was het gezin gedwongen om halsoverkop onder leiding van een politie-escorte hun woonhuis te verlaten. Deze ernstige situatie bezorgde de schilder een zenuwinzinking. Via vrienden vond het gezin in de wintermaanden drie weken toevlucht in een vakantiepension in Mechelen - hier portretteerde hij later de eigenaar, zijn vrouw en dochter ()()() - daarna circa drie maanden in Slenaken eveneens in een pension - hier vervaardigde hij twee muurschilderingen ()() alsook twee schilderijen ()() - en aansluitend nog enkele weken bij kennissen op de zolderverdieping in Hoensbroek - een paar jaar later portretteerde hij meneer en mevrouw ()(). Dat deze gebeurtenissen grote impact had gehad op zijn mentale welbevinden, bleek wel gedurende zijn verblijf in Hoensbroek. Met de gebeurtenissen nog vers in het geheugen gegrift, dacht de schilder dat zijn belagers uit Nuth op hem afkwamen om hem te lynchen, toen hij in die stad op een markt als snelportrettist aan het werk was. Op dat moment ging de schilder volledig door het lint en moest de politie eraan te pas komen om hem in te rekenen. Als gevolg hiervan werd de schilder voor de zekerheid verplicht opgenomen in Psychiatrisch Centrum Welterhof in Heerlen. Maar een nacht goed uitrusten had hem al goed gedaan. De indrukken van een psychiatrisch centrum hadden hem snel doen opknappen, dat zijn vrouw de volgende dag een telefoontje kreeg om hem te komen ophalen. In de tussentijd vond er een politie-inval plaats bij het AZC, waarbij de politie een aantal mensen arresteerde en het centrum in 1979 definitief werd gesloten. Overigens werd achteraf bekend, dat al een aantal weken een inval in voorbereiding was, maar dat de politie naar aanleiding van het incident met de schilder de actie eerder had laten plaatsvinden. Nadat het kloostercomplex eenmaal was leeggeveegd en hermetisch dichtgetimmerd en de kust vrij was, keerde de schilder en zijn gezin terug naar hun woning. Hoewel de rust was wedergekeerd, zou Hans Coumans nog bijna een jaar nodig hebben om zijn zenuwinzinking te boven te komen.
Nu het AZC was opgeheven, wilde de eigenaar van het kloostercomplex versneld de toekomstplannen doorzetten en werd het kunstenaarsgezin opgedragen om op zoek te gaan naar een ander onderkomen. Omdat de schilder nogal overvallen en bovendien verbaasd was door de gang van zaken en zeker niet a la minuut een andere woning ter beschikking had, week hij voorlopig niet van zijn plek en deed hij een beroep op huurdersbescherming. Maar in reactie daarop verhuurde de eigenaar de andere helft van het gebouw aan het Opbouwwerk Nuth en Jeugd- en Jongerenwerk Nuth. Ofschoon de verhouding met de buren aanvankelijk 'goed' was, begon geleidelijk aan geluidsoverlast als gevolg van de activiteiten en met name de muziek, die doordreunde tot in het direct aangrenzende atelier van de schilder. Na gesprekken met de buren, die volgens de schilder op niets uitliepen, schakelde de schilder de politie in. Hoewel bij diverse bezoeken van de politie gebleken was dat het gemeten geluidsniveau niet de maximaal toegestane norm overschreed, was zelfs dit niveau dermate storend voor de (sensitieve) schilder, die veelal geconcentreerd werkte, dat hem het werken zodoende onmogelijk werd gemaakt.
Deze gemoedstoestand - dit was zeker een mindere tijd - liet duidelijk sporen achter en had gevolgen voor de artistieke kwaliteit van zijn werk. Zijn nerveusiteit maakte de spontaniteit onmogelijk. In plaats van een krachtig centraal thema, lijken de werken, die hij in deze tijd produceerde, dikwijls te zijn samengesteld uit details of deelthema's. Afgezien van enkele uitzonderingen, spreken de werken niet echt (zoals eerder het geval was) of ontbreekt het aan een overtuigende levendigheid, zoals men dat voorheen van Hans Coumans gewend was. Dit is onder andere te zien bij een groot stilleven (), enkele landschappen ()()() alsook een portret van koster-organist Wiel Pasmans uit Schin op Geul (), ter ere van zijn afscheid als dirigent van zangvereniging Inter Nos uit Schin op Geul.
Vanwege de definitieve aanvang van de herontwikkelingsplannen van het kloostercomplex begin 1981 was het kunstenaarsgezin, nu met hun dochter Carmen op komst, uiteindelijk toch gedwongen om hun woning te verlaten. In april dat jaar wijdde de provinciaalse krant Limburgs Dagblad een artikel aan de situatie waarin de Nuthse schilder zich bevond. De schilder vertelde daarin over zijn huisvestigingsproblemen en dat "de kleine kunstenaar, de autodidact... weer helemaal over het hoofd wordt gezien...". Hoewel de gemeente Nuth zich inspande om de schilder en zijn gezin elders onder te brengen, beschikte de gemeente alsook de woningbouwvereniging niet over een geschikte woning, waar de schilder kon wonen en een atelier zou kunnen inrichten. De instanties konden enkel een eensgezinswoning of flat in het centrum van Nuth aanbieden, maar hiervoor weigerde de schilder zich zelfs maar in te schrijven. De schilder zocht naar een woning op de heide, liefst in of rondom Terstraten, waar hij rustig kon wonen en hij inspiratie kon opdoen voor zijn schilderijen. Zijn hoofd stond zeker niet naar inschrijven, aldus de schilder. Met de intrede van de lenteweer was na een lange tijd in mineurstemming namelijk de schilderkoorts weer opgekomen. Het enige wat hij wilde, was schilderen.

Uiteindelijk vestigde de kunstenaar, zijn vrouw en drie jonge kinderen zich in het Zuid-Limburgse plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder het imposante voormalige dorpstheater, in de volksmond 'de ouw harmoniezaal', aankocht. Toevallig, terwijl de zoektocht naar een geschikt huis in en rondom Nuth niets opleverde, benaderde een bevriend makelaar de schilder, dat hij in bezit was gekomen van de voormalige harmoniezaal van het dorp. Het gebouw had afgedankt (inmiddels was er verderop in het dorp een modern ontmoetingscentrum verijsd) en wachtte nu enige tijd op een nieuwe functie, die moeilijk te vervullen was, maar een unieke kans bood voor een kunstenaarsgezin met grote behoefte aan ruimte. Daarnaast lag Bingelrade rustiek te midden van een uitgestrekte groene omgeving en was het theater centraal gelegen in het dorp, tegenover de kerk, de bakker, de basisschool en de plaatselijke kroeg. Ondanks dat de makelaar het theater vanwege de vriendschappelijke band zonder winstoogmerk van de hand wilde doen, was het theater met een aankoopbedrag van 35.000 Gulden onbetaalbaar voor de schilder. Zodoende zou het gezin een oplossing bedenken en een van de twee Valkenburgse tantes laten inwonen - haar zus was een paar jaar eerder overleden - die met haar inmiddels 72 jarige leeftijd haar pensioenjaren hier in alle rust zou kunnen doorbrengen. Direct na de aankoop gonste het binnen de kortste keren door tot in Valkenburg: "de theaterman heeft zijn eigen theater gekocht!".
Na de aankoop zou het ruim een half jaar duren voordat de harmoniezaal was getransformeerd van een open balzaal tot een volwaardige atelierwoning met het atelier van de schilder op de voormalige bühne en een afzonderlijk appartement voor de tante op het voormalige theaterbalkon boven de entree. Overigens was het vooral dankzij de schildersvrouw, die tijdens de bouw aanwezig was en alles regelde, alsook een behulpzame elektricien uit de nabij gelegen Viel en enkele van zijn vaste Valkenburgse kameraden, dat de verbouwing uiteindelijk slaagde. De schilder zelf deed niets. Hij was niet actief betrokken bij de verbouwing. Als hij überhaupt al iets deed, dan was het schilderen. Dat was het enige wat hij kon, beargumenteerde hij.
Of deze houding mogelijk het gevolg was van zijn gezondheidstoestand van dat moment, dat is onduidelijk. De schilder ging sinds enige tijd gebukt onder een sluimerende chronische voorhoofdsholteontsteking, die hij waarschijnlijk langere tijd onder de leden had maar steeds heviger werd en hem het normaal functioneren af en toe onmogelijk maakte. Het was onduidelijk waar die chronische ontsteking het gevolg van was, maar na een allergie-onderzoek in het ziekenhuis St.Gregorius Schuttershof in Brunssum moest verf als vermoedelijke boosdoener worden gezien. Niet zozeer het pigment alswel de verdunners zoals olie, terpetine, medium, thinner, allemaal zeer agressieve producten die zeker op de lange duur schadelijke effecten op het lichaam hebben. Door de aanhoudende allergische reactie was hij extra vatbaar en zeker in combinatie met het werken in de buitenlucht in extreme omstandigheden, in weer en wind soms in de vrieskou gedurende de gehele dag, was allesbehalve een ideale situatie. Het enige wat hij kon doen, was zijn hoofd tegen de weersinvloeden beschermen. Sindsdien droeg hij dan ook onafgebroken een opvallende muts. Direct gevolg van zijn lichamelijke conditie was, dat de inkomsten drastisch daalden en de schilder nauwelijks nog in staat was om schildersbenodigdheden in te kopen. Maar afstand doen van het schilderen was geen optie. En overstappen op andere technieken zoals aquarel of gouache was ook geen optie. Met andere technieken waren immers die dramatische effecten haast onmogelijk te bereiken zoals met het krachtige olieverf mogelijk is. Overigens zou hij later uitgedaagd worden om toch de techniek van aquarel te onderzoeken, wat uiteindelijk heeft geleid tot behalve een serie van matige stillevens ()()(), een aardig portret van een onbekende vrouw (), een interessante schets van een boerderij () uit Terstraten alsook een sterke prent boerderijpoort () van Kasteel Doenrade. Ondanks de voorhoofdsholteontsteking ging hij toch schilderen en weigerde hij om een ziekte-uitkering van de gemeente te accepteren. Immers, hij had zijn hele leven elke vorm van overheidssteun geweigerd. Nadat de wethouder van de gemeente Onderbanken met portefeuille o.a. sociale zaken en welzijnszaken in 1982 door een ambtenaar hiervan op de hoogte werd gesteld, bracht deze bezorgd een bezoek aan het kunstenaarsgezin. Overigens was wethouder stomverbaasd, dat deze schilder nog nooit van zoiets als kindergeld had gehoord en ook niet begreep waarom je überhaupt gratis geld voor een kind zou moeten krijgen. Hoewel de wethouder probeerde de schilder te overreden om een ziekte-uitkering te accepteren, waar hij en zijn gezin gewoon recht op had, bleef de schilder bij het standpunt dat hij en niemand anders de kost voor zijn gezin zou verdienen. En in dat denkbeeld paste geen uitkering. Uiteindelijk zou de schilder akkoord gaan met een lening van 1.250 Gulden om schildersbenodigdheden aan te schaffen. Deze lening mocht hij aflossen door zijn atelier open te stellen voor schilderles aan het jeugdwerk van Schinveld en aan andere maatschappelijke organisaties binnen de gemeente.
Toen in 1982 de atelierwoning eenmaal gereed was voor bewoning, zijn vrouw en de tante het naar hun zin hadden, de kinderen met plezier naar school gingen en hij in alle vrijheid kon schilderen, maakte hij voor de eerste keer kennis met het fenomeen 'waar geluk'. Hier in Bingelrade had de schilder zijn gekoesterde wens zien uitkomen, namelijk een huis op de heide (in ieder geval in een groene omgeving), waar hij rustig kon wonen en hij inspiratie kon opdoen voor zijn schilderijen. Hij had een belangrijke persoonlijke mijlpaal bereikt, wat hij lange tijd, zelfs van jongs af aan, had nagestreefd. Gevestigd in deze groene omgeving viel alles op zijn plek, wat dat dan ook precies was. Dit bracht hem dan eindelijk de langgekoesterde rust in zijn hoofd, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst. Nu hij zijn rust had gevonden, ontstond in deze periode weer contact met zijn ouders, die hij weer af en toe in Strucht bezocht. Even later zou de zoon zijn ouders portretteren in een dubbelportret () - overigens vond zijn moeder dat zij in haar ogen veel te streng was afgebeeld. Ook ontstond er toevallig weer contact met zijn eerdere romance en kwam hun inmiddels 14-jarige zoon Roeland ter sprake. Deze kwestie had hem jarenlang achtervolgd en zeer aan zijn geweten geknaagd. Dit was zeker een smet op het blazoen van deze zelfbenoemde moralist. Hoezeer zijn vrouw hem geregeld had aangemoedigd om contact met zijn oudste zoon op te nemen, was de de schilder jarenlang vervuld met schaamte en durfde de stap niet te wagen. Maar nu hij zijn eerdere romance en zijn zoon toevallig had aangetroffen op een braderie, waar hij als sneltekenaar een 'optreden' had, was hij vastberaden iets voor zijn zoon te gaan doen en de schade (waar mogelijk) te herstellen.
Na een 'mindere' tijd in Nuth brak in Bingelrade voor het eerst sinds lange tijd een persoonlijke en artistieke bloeiperiode aan. Zijn serieuze kunstinspanningen begonnen nu serieus vruchten af te werpen en hij verkreeg dan ook naast zijn activiteiten als sneltekenaar, groeiende belangstelling voor zijn Heuvellandmotieven - zijn peroonlijk oeuvre - in de provincie. De laatste vijf jaar van zijn kunstenaarscarrière genoot Hans Coumans zowel artistieke als financiële voorspoed. In de provincie had hij inmiddels naamsbekendheid verkregen als respectabel schilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. Vanuit zijn Bingelraadse atelier trok hij (ondanks zijn blijvende voorhoofdsholteontsteking) te voet of te fiets met zijn schildersattributen in zijn rugzak en ezel onder zijn arm naar Jabeek, Schinveld (), Etzenrade (), Doenrade, Oirsbeek, Schinnen. In Oud-Amstenrade bezocht hij geregeld het gebied rondom het kasteel (). Hier vertrouwde hij de typische zacht-glooiiende vergezichten () en holle wegen () aan het canas toe. Veelvuldig verkende hij de grensstreek met Duitsland om in en rondom Gangelt ()()()(), Minder-Gangelt (), Sustersehl, Hillensbergen, Wehr te werken. Zoals altijd maakte de schilder langdurige wandelingen in de natuur, op zoek naar boeiende plekken om aan het linnen toe te vertrouwen. Bij grotere afstanden bracht de kunstenaarsvrouw, die recentelijk in bezit was gekomen van haar rijbewijs, haar man 's ochtends naar de vele plekken in Zuid-Limburg en haalde zij hem aan het einde van de dag weer op. Overigens had de schilder tegen die tijd een panische angst ontwikkeld voor het meerijden in een auto. Telkens elke rit was de schilder voortdurend über-opmerkzaam: "rij rustiger!", "kijk uit! (hier, dan weer daar)", "let op die...", dat rijden voor de bestuurder een ware opgave was. Op zijn atelier werkte de schilder aan zijn landschappen, gedurende de koudere maanden veelal aan stillevens ()()()()()()()()()()() en olieverfportretten ()()()()()()()()()()() alsook houtskoolportretten ()()()()()()()()()()()(). Verder werkte hij niet alleen sneltekenaar ()()()()() op de diverse jaarlijkse Luikse markten en braderiën in de omgeving, maar als vaste gast via een middelgroot organisatiebureau van markten uit Ubachs over Worms inmiddels door heel Limburg, tot aan Nijmegen toe. Op nagenoeg alle jaarlijkse markten was de Bingelraadse kunstenaar aanwezig en toonde hij zijn tekenkunsten. Enkele grote markten waren onder andere de St. Joep markt () in Sittard, de landelijk bekende jaarlijkse Parade der Nationalieiten in Brunssum, de wielerwedstrijd en braderie in Thorn, De Bokkenmarkt in Valkenburg, de Boerenmarkt in Walem, het kasteel in Limbricht. Daarnaast vertoonde hij op geregelde basis gedurende de zaterdagen zijn sneltekenkunsten in diverse winkelcentra of winkelpromenades in de steden () in de omgeving, waaronder De Parel in Brunssum. Ook bedrijven of winkels huurden de sneltekenaar-schilder uit voor een gastoptreden bij speciale momenten.
Het verzoek voor schilderlessen van een timmerman en tevens amateurschilder uit de nabij gelegen Viel, tevens lid van een schildervereniging in Sittard, leidde ertoe dat de schilder zijn atelier openstelde voor onderricht. Aanvankelijk hield de schilder vol, dat hij zich hier niet mee bezighield vanwege de 'trammelant' dat dit met zich meebracht, maar eigenlijk had hij gewoonweg geen idee hoe hij dit zou moeten organiseren. Na een paar bezoeken van de amateurschilder aan het atelier gevolgd door een oefensessie werd afgesproken, dat indien de plaatselijke amateurschilder de leerling-kandidaten alsook de financiële afhandeling zou regelen - men moest de schilder niet lastig vallen met regelzaken en financiële kwesties - dat Hans Coumans bereid was om les te geven. Nadat het netwerk en een advertentie in de krant binnen de korste keren de nodige respons had opgeleverd, zou de schilder vanaf dat moment een paar keer per week afwisselend overdag en 's avonds een internationaal gemêleerd publiek (met een gemiddelde omvang van 8 personen) voor privélessen verwelkomen op zijn atelier. Om iedereen op het atelier te voorzien van een werkplek vervaardigde de amateurschilder annex timmerman eigenhandig een aantal schildersezels. Onder de leerlingen bevonden zich amateurschilders van alle leeftijden, scholieren van het College in Sittard, jongeren van de Jeugdzorg Schinveld, studenten van de kunstacademie - deze werden doorverwezen door docenten van de kunstacademie in Maastricht - en afgestudeerde academici. Bij portretoefeningen moesten de leerlingen elkaar natekenen of - schilderen, waarbij de schilder zelf ook twee van zijn leerlingen van de Jeugdzorg Schinveld ()() op het linnen vastlegde. Het atelier was niet alleen een broedplaats van kunst: er werd zoals gebruikelijk net zo enthousiast geouwehoerd, gefilosofeerd en het glas geheven als er geschilderd werd. Gedurende de zomermaanden vertoefde hij wekelijks twee tot drie keer met wisselende gezelschappen van leerlingen op door Zuid-Limburg om in de korenvelden en de appelgaarden en plein air te schilderen. Daarnaast werd de schilder uitgenodigd om een periode als gastdocent les te geven op de Open Universiteit in Düsseldorf.
Doordat de zoon van een leerling-schilder - een kennis uit Hoensbroek waar het kunstenaarsgezin een paar jaar eerder kortstondig verbleef - een adviseursfunctie vervulde in de toenmalige cultuurcommissie van het Koninklijk huis en deze na een aantal bezoeken aan het atelier erg te spreken was over het werk van de Bingelraadse schilder, ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor het vervaardigen van het staatsportret van aankomend Koningin Beatrix. Ofschoon Hans Coumans zich ervan bewust was dat hij als hofschilder landelijke bekendheid en eeuwige roem zou vergaren, bedankte hij er voor. De eeuwige schilder-activist was immers zijn hele leven in opstand gekomen tegen de gevestigde orde, de elite, en hij zou zichzelf nu niet verloochenen. Wel hielp hij later een leerling bij een portet van de Koningin, dat destijds door de gemeente Gulpen-Wittem is aangekocht en in de raadzaal heeft gehangen.
Zoals gewoonlijk leverde de schilder geregeld kritiek op actuele politieke en maatschappelijke kwesties. Geregeld hingen er grote houten (spaanplaat) plakkaten provocerend tegen de gevel van zijn woning aan gespijkerd met daarop hilarische politieke taferelen afgebeeld, wat tot ophef leidde in de gemeente Onderbanken. Dikwijls handelde het over de geluidsoverlast van de AWAX-vliegtuigen en straaljagers van de NATO die in de buurt om het kwartier opstegen en continu voor grote geluidsoverlast zorgden in het dorp. Dan weer kwam hij in opstand zich tegen de kruisraketten, die ondanks dat de regering het bestaan daarvan in Nederland ontkende, toch her en der (en dit was een publiek geheim) waren gestationeerd op diverse plekken, waaronder vermoedelijk eveneens op de Militaire basis United States Army Garrison in Schinnen, die was gebouwd ter plekke van de voormalige mijnschachten van de staatsmijn Emma. Een keer protesteerde hij tegen het kappen van oude bomen van cultuurhistorische waarde naast de kerk in Bingelrade, die moesten wijken voor de bouw van een nieuwe basisschool. De schilder beweerde dat de bomen meer heiligheid bevatten dan de kerk zelf en dat deze zodoende moesten blijven staan: zonder bomen geen kerk. Hij stelde dat op het moment dat het plan een paar meter zou worden opgeschoven, de bomen gespaard konden blijven. Ook in september 1982 gedurende de Tweede Kamerverkiezingen hing de gevel vol met politieke werken. Hoewel de werken grotendeels verloren zijn gegaan, is één groot politiek werk, genaamd De egte Christen (), behouden gebleven. Het werk is een aanklacht tegen het CDA en de VVD. Het gaat in feite over de schijnheiligheid en toont een bonte verzameling van prominente kerklijke (bijbelse) en politieke figuren uit de geschiedenis, vervallen tot een carnavalesque schouwspel. Zo beweerde het CDA te regeren volgens de grondbeginselen van de Bijbel, maar datzelfde CDA liet tezelfdertijd massavernietingings-wapens toe op Nederlandse bodem. In het werk reserveerde hij een prominente plek voor de toenmalige minister Dries van Acht van het CDA uitgebeeld als wielrenner - dit was een hobby van hem - vergezeld van een racefiets met op het stuur een kruisraket. Verder bevinden zich rondom de minister nog enkele andere figuren van het toenmalige kabinet.
Na een korte reis naar Spanje begin 1983 met een Valkenburgse stadgenoot - met hem had de schilder al eerder, in 1969, aan de Costa's gezworven - voor een opdracht van een aantal portretten, trok Hans Coumans ook weer geregeld naar Valkenburg en omstreken. In Valkenburg en omgeving vereeuwigde de schilder opnieuw de typische beeldbepalende taferelen op het linnen waar het Geulstadje bekend om stond, en na een 'pauze' van meer dan 7 jaar stond de schilder weer volop in het middelpunt van de belangstelling. Het geuldal en de schilder waren onafscheidelijke begrippen gebleken. Wederom omringde de populaire schilder zich met bekenden, kunstliefhebbers en dagjesmensen en bleek hij als vanouds een ware toeristische attractie. Wederom schilderde hij nabij het Huis aan de brug (), in de Bogaardlaan ()()(), de Grotestraat () en in het Odapark () als ook op de Cauberg (), bij het Geulstrand (), Kasteel Oost () en Kasteel Schaloen ()(). Verder werkte hij in Sibbe (), Houthem (), Cadier en Keer (), in Schweikhuizen (), Slenaken en wederom in Terstraten ()()(), waar hij de typische vakwerkhuizen portretteerde.
Na enige tijd in en rondom Valkenburg geschilderd te hebben, ontstond in de zomer van 1983 onenigheid met de gemeente Valkenburg - op dat moment was zijn schoonbroer wethouder en loco-burgemeester - over de verplichting van een ventvergunning (standplaatsvergunning) voor het werken in de openbare ruimte. Hans Coumans was furieus, immers, hij was een vrije kunstschilder, die mocht gaan en staan waar hij wilde. Aan dit voorval werd in de regionale krant De Limburger een artikel () gewijd, waarin Hans Coumans stelde: "ik ben vrije kunstenaar en wil dat ook blijven!", "Het is om je dood te lachen als het niet zo triest zou zijn... welke vrije schilder moet nou een ventvergunning aanvragen?". Verder stelde hij dat men Valkenburg kapotmaakte op deze manier. Hij was toch bezig met pure promotie van dit toeristische stadje: "ik ben hier pure amusement". De vrije schilder demonstreerde tezelfdertijd voor het gemeentehuis, dat de gemeente, sterker nog de broer van zijn vrouw, het deze arme schilder onmogelijk maakte om voor zijn vrouw en kind te zorgen. Volgens de schilder was schilderen in de buitenlucht niets anders dan het maken van een foto. Sneltekenen op de terrassen en in de kroegen, dat viel wel onder 'producten aan de man brengen', "dat was een tussendoortje..." erkende hij, en dat zou hij dan voortaan ook niet meer doen. Uiteindelijk bleek dit akkevietje een storm in een glas water. De schilder kon in de openbare ruimte gewoon schilderen. Maar voor sneltekenen zou voortaan een vergunning worden aangevraagd - dit werd dan door de kunstenaarsvrouw of door de betreffende organisatie geregeld.
Nu het schilderlessen op het Bingelraadse open atelier gezien de toeloop een geslaagd project was gebleken, wilde de plaatselijke amateurschilder ook zijn hulp aanbieden om een expositie te organiseren voor de schilder. Omdat de Sittardse schildervereniging eerder al had geëxposeerd in het Kasteel Doonder in Doenrade, waar geregeld allerlei cultuurfestiviteiten en kunstveilingen plaatsvonden, was de amateurschilder bekend met de kasteeleigenaar. Deze gaf bij navraag direct toestemming voor het initiatief. Zodoende organiseerde de amateurschilder samen met de schildersvrouw in januari 1984 (in het weekend van 13 t/m 15 januari) een (tweede) expositie voor de Bingelraadse schilder (). Ondanks dat de schilder, naast dat hij geen enkel aandeel had in het regelen, niet aanwezig was op de expositie en er op zijn nadrukkelijk verzoek ook geen officiële opening was, genoot de 'openingsavond' grote belangstelling. Uiteindelijk bleek deze na lange tijd weer eerste expositie een succes en werd het merendeel van de circa 20 werken ()() nog die diezelfde avond verkocht. Verder wakkerde dit de vraag aan voor opdrachten. De schilder had in al die jaren een brede groep van fans en geïnteresseerden opgebouwd, die getrouw werk aankochten. Hoewel de schilder aangaf dat 'officiële gedoe' allemaal niets voor hem was, was zijn afwezigheid vermoedelijk het gevolg van een onzekerheid of zijn werk zou aanslaan bij het grote publiek. Hij kon namelijk niet verhullen dat hij 'op van de zenuwen' was. Hoewel het opheerlijken van zijn persoon zeker niet aan hem besteed was, gebruikte hij dit als excuus om van de opening af te zien.
Achteraf had dit welslagen duidelijk gevolgen voor zijn welbevinden en vertrouwen in zijn artistieke kunnen, wat voor een verdere opleving zorgde. De schilder kende een enorme gedrevenheid en wist in korte tijd meer dan 25 nieuwe schilderijen te vervaardigen. Gedurende het voorjaar van 1984 had de schilder zich laten inspireren door motieven met het thema 'bloesem'. Hij zocht naar onderwerpen, die stuk voor stuk kenmerkend waren voor de omgeving of zo langzaamaan een zeldzaamheid werden in het Limburgse landschap, zoals de fraaie holle wegen en oude kromme hoogstamfruitbomen. Gezien de ontplooide activiteiten was het mogelijk gebleken om al na een half jaar, in het eerste weekend van juni (2 en 3 juni), opnieuw een expositie met de titel Bloesemexpositie ()()()()()()()() te organiseren, wederom in kasteel Doonder. Deze expositie werd geregeld door de Onderbankse wethouder - met hem en diens vrouw onderhield het kunstenaarsgezin inmiddels een hartelijke vriendschap - en de schildersvrouw. Een aantal vrienden hielpen ook mee en namen de logistiek van de schilderijen voor hun rekening. Net zoals bij de eerdere opening wilde de schilder aanvankelijk niet aanwezig zijn omdat hij nogal nerveus was voor hoe de nieuwe aanwinst door het publiek zou worden ontvangen. Maar na een half uur aandringen van de wethouder, dat de bezoekers ook voor hem persoonlijk kwamen en de toezegging dat hij vooral niets hoefde te doen behalve aanwezig zijn gedurende de opening, veranderde de schilder van mening. Eenmaal in kasteel Doonder, waar een grote groep belangstellenden aanwezig was, voelde hij zich al weer snel een stuk beter, zeker toen er rode stippen werden geplakt. Uiteindelijk bleek deze expositie zowel in artistiek als financieel opzicht een overweldigend succes, omdat nagenoeg alle werken werden verkocht.
Direct na afloop stelde de wethouder voor om de kunstenaarsgezin te helpen door het organiseren van een reeks van jaarlijkse exposities, waarvan de eerste in het plaatselijke gemeenschapshuis het Kloeëster in Schinveld gehouden zou kunnen worden. Afgesproken werd dat de schilder hiervoor niets hoefde te doen. De wethouder zou alles regelen en de schilder hoefde enkel zo veel mogelijk schilderijen aan te leveren.
Deze Bloemenexpositie was in veel opzichten een uitvloeiing van een nieuw welbevinden. Het thema 'bloesem' stond ongetwijfeld symbool voor de bloeiperiode waarin Hans Coumans zich sinds een jaar of drie bevond, sinds zijn vestiging in Bingelrade. De kunstschilder was op een cruciaal moment aanbeland in zijn loopbaan. Met een hernieuwd zelfbewustzijn en vertrouwen in zijn schildertalent had hij het gevoel dat hij er nu eindelijk na al die jaren klaar voor was. De schilder had het gevoel dat hij het ware schilderen beheerste. Wat hem betreft mocht het nu dan ook echt gaan beginnen. Consessies had hij al geruime tijd lang afgezworen en dat kon hij zich ook permitteren. Zijn persoonlijk oeuvre, dus de natuurmotieven, het karakteristieke landschap van het Heuvelland, was dusdanig geliefd, dat hij de vraag nauwelijks kon bijbenen. Wie deze werken kocht, verkreeg een echte Coumans. Voor het eerst verscheen de term het Coumansisme in beeld. Dit Coumansisme, welk hijzelf omschreef als een eigentijds licht-impressionisme, was een manifest en tevens het enige 'isme', waar deze schilder fervent aanhanger van was. De werken beschikken over een lichtheid en zijn levendiger dan ooit te voren. Ze zijn even treffend als krachtig neergezet en sprankelen door een geraffineerd als uitbundig koloriet. De werken getuigen van een onderscheidend elegant meesterschap en van een zelfvertrouwen in zijn artistieke kunnen. Veel van de technieken die de schilder eerder al in zijn carriere had geprobeerd, combineert hij nu. Zo zien we krachtige toetsen, maar tegenlijkertijd zachte veerachtige structuren (om beweging te suggereren) bij elkaar komen. Soms laat hij zijn impressionistisch oog los en neigen de werken richting expresionistisch. Dit is een vrijheid die hij zich nog niet eerder had gepermitteerd. Streken worden vrijer, kleuren minder natuurgetrouw. In sommige gevallen liet de schilder zich bij een werk () inspireren door de ferme streken van Vincent van Gogh, wat hij overigens niet onder stoelen of banken stak. Voor Hans Coumans was het kijken naar de meesters iets wat hij altijd al, van jongs af aan, al had gedaan. Gezegd werd wel, dat de schilder een werk, dat hij een keer had vervaardigd, had ondertekend met 'Vincentje'. De volrijpe, bewegende streken en het gebruik van verzadigde kleuren maakte een werk grafisch en speels. Zo werd een lucht geel of rood, zoals onder andere te zien is bij een wintertafereel (), waarbij de schilder de toeschouwer deelgenoot maakt van de ijzige kou. Bij een ander werk van een herftse holle weg (), dat buitengewoon knap vervaardigd is, aangezien de schilder enkel een zakmes gebruikte, waarmee hij normaliter zijn appel in stukken sneed. Toch blijft in alle gevallen het motief, het onderwerp zelf, de leidraad ()()()()()().

Tezelfdertijd verscheen in de zomer van 1984, naar aanleiding van de jaarlijkse kunstmarkt La Place du Temple in Sittard waar Hans Coumans acte de présents gaf als portrettekenaar, in het Stadsjournaal Nieuwsblad Sittard een uitgebreid artikel met de veelzeggende (theatrale) titel 'Ik ben de laatste cowboy onder de Limburgse schilders' (), waarin de dan 41-jarige schilder terugblikte op zijn professionele carrière van 25 jaar als sneltekenaar-schilder - in feite begon zijn artistieke kunsten al vanaf zijn vierde levensjaar, kort nadat hij de kunst van het lopen en praten onder de knie had. In het artikel wijdde de zelfgeaffichieerde 'laatste cowboy' uit over het glibberige pad, die hij als vrije kunstenaar had moeten afleggen. In het bijzonder ging het intervieuw over zijn omzwervingen, hoe hij met portrettekenen en schilderen altijd zijn eigen brood had verdiend en nimmer aanspraak had gedaan op kunstsubsidies, dit in tegenstelling tot veel collega-schilders.
Terwijl Hans Coumans na lange tijd inmiddels een status had bereikt als gevestigd kunstschilder - overigens was dit zeker wennen voor iemand die altijd tegen de gevestigde orde had gestreden - verkreeg hij overigens niet de erkenning voor zijn talent vanuit de 'officiële' kunstwereld, die hij naar zijn mening had verdiend. Omdat hij zich überhaupt nooit iets had aangetrokken van wat er in de mode was en hij als een van de weinige schilders buiten de mainstream om werkte, werd hij totaal genegeerd door de avant-garde en toonde de gevestigde vakliteratuur of de deskundigen, "wie dat ook mogen zijn in de kunst..." aldus de schilder, geen interesse in zijn werk - overigens had de vakliteratuur voorafgaand aan het informatietijdperk grote invloed in de kunstwereld. De kunstwereld was op dat moment volledig in de ban van de (non-figuratieve) abstracte en conceptuele kunst, dat alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard. In de Post-Modernistische tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek. Vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij, was het geloof. Toonaangevende kunst was vernieuwend, onvoorspelbaar. Het moest ontwrichten, in de war sturen en zo kritische vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en dus gold als exclusieve maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde het esthetische impressionistische Coumansisme tot een eerder hoofdstuk uit de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans, aan de andere kant van het palet, had duidelijk andere opvattingen over kunst. De 'officiële kunstwereld', de zogenaamde deskundige, wie dat ook mochten zijn, daar had hij geen goed woord voor over. Een arrogante elite-bende was het, die wel even voor de ander bepaalde wat kunst is; "Maar wie bepaald dat nou, wat kunst is...?". Volgens de schilder was de belofte, dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden, de reinste flauwekul. Vernieuwing, innovatie of technologische ontwikkelingen hadden volgens hem enkel geleid tot meer sociale ongelijkheid, vervuilende industrie en massavernietigingswapens. In zijn ogen had de mens het contact met de echte wereld, met de natuur, verloren en zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme, stelde hij. Met zijn kunst wilde Hans Coumans de mensen bewust maken van de schoonheid van de natuur en de werkelijke waarde van het leven. Hij koesterde grote liefde voor het pure, ongekunstelde schilderen, en gedurende zijn gehele schilderscarrière lag zijn interesse bij de ontwikkeling van het meesterschap. De recente kunststromingen aanschouwde hij als een teloorgang van het ware meesterschap. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch. Bovendien was dit uiteindelijk ook esthetica in de klassieke zin van het woord. Choqueren om het choqueren, pure aandachttrekkerij, meer niet: "...Kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, hij verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos - want dan zat je altijd veilig - volgen van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling speciaal voor kunstenaars - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. Toch vond zijn pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten op dat moment geen weerklank.

Het initiatief voor een nieuwe expositie kon vooralsnog geen doorgang vinden, want in november 1984 bleek Hans Coumans opeens zwaar ziek. Een paar dagen na de jaarlijkse Bokkenmarkt, een welbekende Valkenburgse braderie met ambachten en muziek waar de schilder zoals zo vaak het publiek vermaakte met sneltekenen, werd de schilder met geel gelaat opgenomen in het ziekenhuis St.Gregorius Schuttershof in Brunssum. Hier zou hij de komende zes weken verblijven. De opname kwam nog net op tijd, waardoor hij het ternauwernood overleefde. Het jarenlange enthousiaste drankgebruik had geresulteerd in een ernstige maar niet onomkeerbare levercirrose. Hoewel de lichtgele, bruisende dorstlesser onlosmakelijk verbonden was met zijn bruisende bourgondische levenskunst, was deze hem uiteindelijk bijna fataal geworden. Niets deed de uitgeputte, tengere verschijning herinneren aan de eens zo flamboyante, masculeine kerel van voorheen. Deze ervaring was dermate heftig, voor hem en zijn geliefde gezin dat volkomen afhankelijk van hem was, dat hij besloot om de kwestie 'alcohol' aan te pakken. Het zag er toch naar uit, dat de schilder het gevecht met Bachus had verloren, maar de schilder gaf zich niet zomaar gewonnen. Want dit was het hem toch allemaal niet waard, bij nader inzien. Na overleg met zijn arts over de mogelijkheden werd een experimenteel maag-implantaat bij hem ingeplaatst, een zogenaamde 'bom', die bij nuttiging van alcohol afstraft door een zeer onaangename smaak te veroorzaken. Uiteindelijk zou de schilder vanaf het moment van opname bijna een jaar nodig hebben om zijn ziekte volledig te boven te komen. Bovendien bracht al die weken opgesloten in het ziekenhuis, verstoken van het schilderen maar vermoedelijk vooral van de drank, de schilder bovendien weer even in mineurstemming. Hij was zeer prikkelbaar en ronduit onuitstaanbaar, zelfs naar zijn vrouw die nooit van zijn zijde was geweken. Naast de hevige persoonlijke impact betekende dit voor het kunstenaarsgezin een zware financiële klap, aangezien de schilder als vrije zelfstandige nooit een ziektekostenverzekering of een overlijdensverzekering had afgesloten en niet aan pensioenopbouw deed. Hoe kun je je nou verzekeren tegen overlijden(?), beargumenteerde de schilder, die vooral in het onmiddelijke moment leefde.

Ondanks zijn ziekte moest hij zich al weer snel zien te herpakken - "... Jezus had immers meer geleden dan ik...", beweerde hij - en moest hij schilderen om de monden van zijn hongerige gezin te voeden. Maar eenmaal verlost van benauwende muren van het ziekenhuis barstte de schilder binnen de korste keren van de energie. Een enorme geestdrift had het overgenomen van zijn mineurstemming en hij werkte als een bezetene aan tal van schilderijen. De schilderkoorts had wederom toegeslagen. Hij had het gevoel te hebben afgerekend met het verleden: dit was een soort wedergeboorte. Zijn zijn atelier raakte gestaag overladen met werken. In de buitenlucht bediende hij zich soms van twee ezels, zodat hij aan meerdere schilderijen tezelfdertijd kon werken. De invloed van zijn ziekte zou nog even zichbaar zijn in de werken ()()()()()()(), die hij in deze periode schilderde. Hoewel zijn werk vlak voorafgaand aan zijn ziekte nog een zekere lichtheid kende, was de nieuwe aanwinst duidelijk van een ander pallet. Hoewel de schilder steevast dezelfde thema's hanteerde, werd de verf dikker en de kleuren meer verzadigd. De lichte, vlotte toets was verdwenen. Vermoedelijk had zijn lichamelijke conditie ondanks zijn gedrevenheid nog grote invloed. De schilder voelde zich anders en dat is ook zichtbaar in de schilderstijl en het kleurgebruik.
Toen in mei 1985 Paus Johannes Paulus II Nederland bezocht, schilderde Hans Coumans een groot kritisch werk van de Paus, knielend op de grond, de heilige gond kussend, terwijl onder de grond (in de mijnen) de kruisraketten, destijds het besluit het CDA en een publiek geheim, gestationeerd waren. Het was de bedoeling dat dit werk onderdeel zou worden van een serie van zes werken, dat vergezeld van kritische proza van de hand van een bevriende bakker en tevens (in Limburg) befaamde activistische dichter uit Schinnen, zou worden uitgegeven.
Doordat de schilder in de periode na zijn ontslag uit het ziekenhuis weer een omvangrijke productie had gerealiseerd, organiseerde de Onderbankse wethouder samen met de schildersvrouw eind november 1985 (22 november t/m 3 december) eindelijk de eerder voorgenomen (vierde) expositie ()()()() in het gemeenschapshuis het Kloeëster in Schinveld. Voor Hans Coumans was deze expositie een 'come-back' na een jaar van herstel, waarvoor hij 20 landschappen en enkele stillevens had geselecteerd voor de verkoop. Op de avond van de opening van de expositie bleek dat er grote belangstelling was voor de schilder en zijn nieuw werk. Onder leiding van de wethouder werd de opening officieel verricht door de burgemeester van de gemeente Onderbanken en werd het geheel omlijst door een muziek-ensemble. Na de positieve ervaring van de laatste expositie behoorde nu ook de schilder tot de aanwezigen. Al gedurende de drukbezochte opening bleek dat deze expositie wederom succesvol was. 15 van de 20 werken waren binnen een mum van tijd verkocht en nog nooit had de schilder in één keer zo veel geld verdiend: maar liefst 7.000 Gulden. Dit was voor die tijd en zeker voor een eenvoudige schilder een astronomisch bedrag, dat hij dit maar nauwelijks kon bevatten. Overigens leidde deze expositie nog tot een kleine rel in de Onderbankse gemeenteraad, aangezien de raad er vanuit ging dat voor de expositie het cultuurfonds was aangesneden, wat niet het geval was geweest. De wethouder had uitdrukkelijk op eigen initiatief gehandeld om de schilder te helpen.
Omdat Hans Coumans als dank iets terug wilde doen voor de betrokkenheid en inzet van de wethouder, stelde hij voor om een (uiteindelijk onvoltooid) dubbelportet () te maken van zijn twee zonen, wat hij even later zou doen. Ook stelde hij zich beschikbaar toen het oude Kajottershuis in Schinveld werd geopend en voor de jeugd beschikbaar werd gesteld om de aanwezige jongeren te portretteren.
Na het Kloeëster stelde de Bingelraadse schilder in het voorjaar van 1986 een tiental werken voor langere tijd tentoon in het Groenekruisgebouw in Schinveld. Op deze wijze was het mogelijk om op een laagdrempelig wijze zijn werk bekend te maken bij een groot publiek. Medio 1986 werkte Hans Coumans volop aan nieuw werk voor een volgende (vijfde) expositie. Een jaar ziekte had impact gehad. Hoewel Hans Coumans een vermoeide en grijze veertiger was geworden, waren zijn schilderijen in dat jaar uitbundig en kleurrijk zoals men dat van deze schilder gewend was ()()()()()()().
Nu het werk met hoge snelheid van de hand ging, volgden de belanstingaanslagen in een zelfde tempo. In het verleden had de schilder ambtenaren geregeld de deur gewezen met de mededeling, dat ze maar terug moesten komen als hij een schilderij had verkocht. Maar nu met dit recente succes en een volgende expositie in voorbereiding was hij bevreesd voor een inval van de FIOT en stalde hij zijn koopwaar elders.

Dan op 16 november 1986, op weg naar de jaarlijkse bosloop in Malden om de winnaars te portretteren, werd Hans Coumans op de snelweg A73 nabij Heumen slachtoffer van een tragisch auto-ongeluk en kwam er plotsklaps een einde aan zijn leven. De schilder was het eerste dodelijke slachtoffer op de snelweg, die nog maar een maand eerder feestelijk werd geopend. De schilder was passagier in een auto, die door een andere auto van de weg werd gedrukt en over de kop sloeg. Nota bene het automobiel, het voertuig dat hij mateloos wantrouwde, waar hij zijn hele leven een gruwelijke afkeer en zelfs panische angst voor had, was hem noodlottig geworden. Nog in de week voor het fatale ongeluk had hij zijn hoofd er niet naar staan: "Dat geraas met die auto's..!". Maar ja, er moest brood op de plank, zo stelde hij. Ook een dag eerder in de plaatselijke kroeg had hij al laten doorschemeren, dat hij geen trek had om dat hele stuk rijden. Gelukkig zou het de laatste keer zijn dat seizoen, voordat de koude hem het werken in de buitenlucht onmogelijk zou maken. Die mistige novemberochtend paste de schildersezel niet in de kleine auto waarin hij zou meerijden, wat leidde tot een fikse woordenwisseling met zijn vrouw, die hem smeekte om niet te gaan. Maar hij moest gaan, immers, hij had het die mensen beloofd.

Hans Coumans werd 43 jaar. De sneltekenaar-schilder liet een vrouw en vier kinderen na. Hij realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.