BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Man van de Heuvels
biografie

Kunstschilder Johannes Jozef (Hans) Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Ondanks dat hij van jongs af aan door rusteloosheid gedreven op zoek naar vrijheid de wijde wereld in trekt, blijft hij terugkeren naar zijn geliefde Heuvelland, om hier, eenmaal verlost van de grip van de maatschappelijke orde, in alle rust te schilderen.

Hans Coumans werd in de Tweede Wereldoorlog op 19 maart 1943 geboren als vijfde telg uit een doorsnee gezin in het lommerijke kerkdorp Strucht (Schin op Geul) in Zuid-Limburg. Strucht was een typisch Zuid-Limburgs dorp, voornamelijk bevolkt door enerzijds agrariërs en anderzijds mijnwerkers, waar vlak na de oorlog een sober leven heerstte en hard werd gewerkt - er was honger. In het dorp golden de Roomse moraal en oude waarden, en zorgde het verenigingsleven - de kerk, carnaval en schutterij - voor saamhorigheid. Vader des huizes was Peter Alphons (Funs) Coumans, een in Strucht geboren mijnwerker en fanatieke, overigens niet onverdienstelijke wedstrijd-duivenhouder die geregeld prijzen in de wacht sleepte. Moeder was de ietwat 'chique mevrouw' Maria Johanna (Maria) van der Loo, dochter van de uit Duisburg afkomstige architect Henricus van der Loo, die zoals gebruikelijk in die tijd het huishouden voor haar rekening nam. Omdat Funs Coumans zich in de loop van de tijd had opgewerkt tot planner, was het financieel mogelijk geweest om eigenhandig een vrijstaand huis te bouwen in de Grachtstraat - op dat moment een mijnwerkersenclave aan de voet van de Dousberg - waar het 8-koppig tellend gezin in een groene omgeving in gemoedelijke sfeer hun leven doorbracht en de kinderen in voorspoed opgroeiden.
Als gevolg van een liefdesrelatie onderhielden de familie Coumans en de gegoede hotelfamilie Van Kempen uit het nabij gelegen mergelstadje Valkenburg aan de Geul een vriendschappelijk band en verbleven de kinderen gedurende de drukke vakantieperiodes geregeld in de Grachtstraat, van waaruit zij gezamenlijk excursies ondernamen in de natuur of attracties bezochten in de omgeving. Hoewel de bewering van de dochter van de hotelfamilie Christine, dat zij en Hans Coumans ooit in het huwelijksbootje zouden treden (waarop hij verschrokken het hazenpad koos), destijds mogelijk voorbarig was, zou zij op een later tijdsip een beslissende rol gaan spelen in zijn leven.

Het zou niet lang duren voordat de familie Coumans de bijzondere kunstzinnige aanleg van hun zoon opmerkte, wanneer vanaf zijn 4e levensjaar talloze behangrollen en de nodige houtskool (bestemd voor het opwarmen van het eten) het moesten ontgelden. Maar de tekenkunsten manifesteerden zich pas publiekelijk, zodra hij vanaf 6-jarige leeftijd op de basisschool diverse tekenwedstrijden won - overigens zat hij in een artistieke klas: medeklasgenoten wonnen eveneens prijzen. Soms betrof de hoofdprijs een groepsreis met de gehele klas. Een andere keer ontving hij de 2e prijs, een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs 600 Gulden bedroeg, omdat de jury de inzending niet van een kind achtte. Het hoofd van de basisschool en zelf amateurschilder, die in het dorp erom bekend stond dat hij creativiteit belangrijk vond en dit actief stimuleerde bij zijn leerlingen - hij hielp eerder onder meer de bekende kunstschilder (en tevens buurtgenoot) Guillaume Stassen, die later naar Amsterdam en Parijs trok - ontging de uitspattingen van de jonge Hans Coumans evenmin en adviseerde de ouders om de creativiteit van hun kind te ontwikkelen. Ondanks de beste intenties was de jonge creatieveling nogal eigenwijs en koppig van aard en weinig ontvankelijk voor de welgemeende adviezen - hij wilde het zelf doen.
Rond zijn 8e levensjaar was voor iedereen helder dat de jonge Hans Coumans voet bij stuk zou houden. "Ik wordt schilder en ga de wijde wereld in..." opperde de jonge creatieveling met een zekere bravoure. Hij zou gaan studeren aan de kunstacademie en tot die tijd zou hij het vooral rustig aan kunnen doen. In de klas nam de aspirant schilder dikwijls het voortouw zodra het vak tekenen aan bod kwam, en sporadisch maakte hij 'schetsjes' van zijn medeleerlingen. Omdat de ouders niet zoveel met kunst hadden, stelden de overburen de schuur naast hun woonhuis ter beschikking, zodat de jonge creatieveling op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiele' atelier kon betrekken. Hier bekwaamde hij zich in gouache en olieverf, maar was hij ook bedreven met objecten van mergel, dat uit de omgeving kwam. Dikwijls sloten ook enkele jonge kunstzinnige buurtgenoten zich aan. Een plaatselijke illustrator, die erg enthousiast was geworden, stelde gratis papier en tekenmateriaal ter beschikking en gaf af en toe uitleg over de beginselen van het perspectieftekenen. Uit deze beginperiode is niets bewaard gebleven behalve een schilderij van een boerderij met een brug uit 1953 () als ook een schilderij van een boerderij () en het woonhuis van de overburen (), beide uit 1954.

Het voornemen om het (na de basisschool) tot aan de academie rustig aan te doen, daarvan kwam weinig terecht. Binnen de familie Coumans zouden zich turbulente tijden aandienen. De rusteloze vrije geest ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een ongebonden kunstenaarsbestaan.
Na twee vervelende jaren op de Ulo in Valkenburg ging de jonge schilder, om zijn ouders tevreden te stellen, studeren aan de Ambachtsschool in Heerlen, waar hij na 2 jaar zijn diploma tot huisschilder - hier had hij volgens eigen zeggen vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan - behaalde. Met een diploma op zak kon hij direct aan de slag bij een plaatselijke huisschilder, echter omdat Hans Coumans niet echt een 'man van de tijd' was en werkdagen lang duurden, hield hij het hier na minder dan een maand voor gezien.
Snel daarna kwam de jonge Hans Coumans op gespannen voet te staan met zijn ouders, die, zoals gebruikelijk in die tijd, ook van de kinderen een geringe financiële bijdrage voor het huishouden verwachtten. Hans Coumans was het hier pertinent mee oneens en duldde beslist geen autoriteit: hij wilde vrij zijn. Daarnaast had hij überhaupt geen gevoel voor geld of bezit. Een keer had hij zijn gloednieuwe winterjas voor 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, tijdens de vrieskou aan een zwerver gegeven, omdat die de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij. Gedeelde verantwoordelijheid wilde hij niet nemen: liever struinde hij dagenlang door de velden in het Heuvelland, langs de oevers van de Geul of door de bossen op de Schealsberg, dan dat hij als boerenknaap aan de slag ging - op de akkers was hij vooral actief in moppen tappen. Soms verrichtte hij klussen voor oudere mensen in het dorp, zoals behangen en verven, maar dat leverde nauwelijks geld op. Een enkele keer deed hij dit gratis, want de mensen hadden al zo weinig, vond hij.
De "beknelling van de leuning van de bekrompen Sjinse stoel..." zorgde ervoor dat hij herhaaldelijk wegliep van huis en onzeker, zwervend bestaan leidde, terwijl zijn ouders tot verdriet vaak geen idee hadden waar hun zoon zich ophield. In zijn tienerjaren zou hij zich ontworstelen van beklemmende thuissituatie en het petieterige dorp dat volgens hem geen enkele notie van kunst had - met kunst kon je de kost niet verdienen, was opvatting - en gevolglijk 'de wijdte' verkiezen en op eigen houtje de wereld intrekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. Tussen zijn 15e en 19e levensjaar ondernam hij diverse langdurige solistische zwerftochten, soms wel tot een half jaar lang, door diverse landen in Europa - Duitsland (Aken, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (Parijs), Spanje - terwijl zijn ouders ten einde raad achterbleven. Dikwijls werden zoekacties opgezet en een enkele keer na een tip Interpol ingeschakeld, die de vagebond na een half jaar verblijf in het Schwarzwald opspoorde en hem met een dwangbevel sommeerde noordwaards te keren.
Gedurende deze tochten leerde de vagebond de kunst van het overleven via allerlei baantjes (waaronder decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser) en door middel van zijn opvallend tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren van mensen in de plaatselijke kroegen. Maar het waren vooral langdurige perioden, dat hij leefde als een armoedzaaier, die her en der slaapplekken aangeboden kreeg, maar dikwijls de nacht doorbracht in de open lucht of op een van de vele hooizolders.
Tussentijds, in 1961, vergezelde hij het rondreizend circusgezelschap Tony Boltini voor een half jaar bij hun tour door Duitsland. Hier werkte hij als olifantendompteur en soms, vanwege zijn gevoel voor muziek, als (invaller-)rekwisiteur. Later mocht hij het kinderprogramma verzorgen. Opnieuw had niemand weet waar de jonge schilder zich schuilhield, totdat de familie tot verbazing op de televisie een rapportage over 'het leven in een circus' voorbij zagen komen, met op de achtergrond hun verloren zoon. Na een dik half jaar bleek zelfs de circuspiste hem te eng en zocht hij weer de vrijheid op.

De “... tucht van het leger...” maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden. Gestationeerd op de Willem II kazerne in Amerfoort kenmerkte het verblijf in de barakken zich naar eigen zeggen als een vreselijke tijd. Schieten weigerde hij: hij verscheen dan ook geregeld met een bezem bij het ochtendsalut. Onverwacht bracht een ernstig ongeval na 7 maanden op de stormbaan, met een zware kneuzing aan zijn voet tot gevolg, redding en na een deal met defensie kon hij 'glansrijk' afzwaaien.
Verlost van de tucht van het leger, nam Hans Coumans weer zijn intrek bij zijn ouders, echter toen de emotisch opnieuw hoog opliepen en de situatie onhoudbaar werd, wezen zijn ouders hem definitief de deur. Via een bevriende kastelijn van een van zijn zussen vond hij in 1963 onderdak in Bleijerheide. Hier verbleef de jonge schilder in de woning boven de kroeg, en als dank verfraaide hij het gehele interieur met grote thematische wandschilderingen.
Na enkele maanden keerde hij toch weer terug naar het Geuldal en kreeg hij tijdelijk een kamer in pension ’t Hoonderhöfke' in Schoonbron. De eigenaren van het pension waren zeer sociale en betrokken mensen en in het dorp stond het pension erom bekend, dat het 'problematische' jongeren tijdelijk een veilig thuis bood. De jonge schilder was moe en depressief door het onbegrip en het gebrek aan naastenliefde bij de mensen. Met de eigenaren volgden vele, langdurige gesprekken tot in de nacht over zijn leven en de zin van het leven. Zij stimuleerden hem om vooral vol te houden en daarnaast gaven ze hem de mogelijkheid om zijn schilderijen in de ontbijtzaal van het pension tentoon te stellen. Later vervaardigde hij boven de bar in de ontbijtzaal een grote wandschildering.

Zodra hij weer enigszins was opgeknapt, trok hij er weer op uit en huurde hij een kleine kamer in een familiehotel in Geulhem, om in 1963 te verhuizen naar Maastricht. In de Limburgse hoofdstad mocht Hans Coumans (ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding) toetreden tot de avondopleiding van de Stadsacademie, waar op dat moment de markante Jef Scheffers de sceptor zwaaide. De Stadsacademie stond bekend als een strenge didactische opleiding, omdat Jef Scheffers groot belang hechtte aan de 'ambachtelijkheid van het schilderen', en dit met harde hand onderwees. Echter, voordat de opleiding goed en wel was begonnen, stuitte de ijzeren discipline - de geestdodende, eindeloze herhaaloefeningen (o.a. lijntjes trekken) - de aspirant vrije kunstschilder zeer tegen de borst, waardoor het plezier snel over was en hij het na een aantal verhitte discussies voor gezien hield. De academische werken mochten technisch gezien dan wel kloppen, meende hij, maar het ontbrak aan iedere spontaniteit en emotie. En dat was voor hem de essentie van een schilderij. Dit overtuigde hem, dat hij het schildervak veel beter onder de knie zou krijgen door in de buitenlucht aan het werk te gaan, ergens in een veld tussen de koeien. Dus door het bestuderen van de levende realiteit in plaats van in het atelier. Toch zou het ontbreken van gedegen academische beoefening hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij anatomie een rol speelde, waarin hij zich eigenhandig moest zien te bewamen.
Gedesillusioneerd over zijn weinig succesvolle academische studie - immers, hier had de aspirant-schilder al die tijd naar toe geleefd - storte Hans Coumans zich een periode in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke bourgondische Maastrichtse nachtleven en struinde hij veelvuldig langs de talloze kroegen. Hier ontmoette hij andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er gefilosofeerd, geouwehoerd, hard gelachen en enthousiast gedronken. Samen met een schilderkameraad van de academie ondernam hij, ieder met 10 Gulden op zak, in de wintermaanden een 3 maanden durende voetreis door de Eifel, waarbij ze bij diverse kloosters onderdak vonden en dagelijks de plaatselijke kroegen bezochten om mensen te portretteren voor de nodige inkomsten.

Spoedig verruilde Hans Coumans de logge Maas met de lieflijke Geul en vestigde hij zich op 21 jarige leeftijd 'officieel' als zelfstandig kunstschilder in het Geuldal, ofschoon hij op dat moment geen vaste verblijfplaats had. De vagebond, de jonge pauperschilder met enkel 3 penselen op zak, verkaste van het ene adres naar het andere (soms leegstaande kamers in hotels) en bij gebrek aan geld verrekende hij kost en inwoning met een schilderij of een portret van de gastheer. Hoewel hij zich eigenhandig verder en plein air bekwaamde in de landschapskunst - door het ontbreken van een eigen atelier struinde hij de kroegen en braderieën af, op zoek naar kunstliefhebbers - ontplooide hij zich in dit toeristische stadje vooralsnog als portrettist - aanvankelijk met de houtskool snelportretten op de terrassen in de plaatselijke kroegen gevolgd door de olieverf portretten - en vond hij de weg naar de decoratieve 'kunst', dit waren grote wandschilderingen van het idyllische Heuvelland met vakwerkhuizen en grazende koeien, in de plaatselijke établissementen. Slechts in een paar jaar tijd wist hij, soms vergezeld door een assistent-schilder, op zijn 22e in ruim 30 établissementen door heel Zuid-Limburg decoratieve werken te realiseren. Behalve dat een werk in die tijd over het algemeen goedkoper was dan behang, bracht de jonge schilder vooral de nodige roering in het betreffende lokaal, wat goed was voor de inloop. Overigens kwam het nog wel eens voor dat de schilder bij de afrekening van de klus moest bijbetalen vanwege het niet geringe aantal weggegeven rondjes.
In 1965 lonkte de weidsheid van de polder en verbleef hij kortstondig in Haarlem onder de studenten van de kunstacademie en daarna binnen de Amsterdamse Provobeweging, maar de massahysterie en geweldadige sfeer in de hoofdstad deed hem na enkele maanden alweer terugkeren naar het rustigere Heuvelland.
Terug in het mergelstadje uitte de vaste verfhandelaar en zelf amateurschilder (die overigens geregeld verf voorschiette) zijn bezorgdheid, omdat hij zag dat de jonge kunstschilder zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-kunstprojecten. Hij raadde hem aan om bij de op Ravensbosch wonende bekend beeldend kunstenaar Charles Eyck in de leer te gaan om daar zijn talent verder te ontwikkelen. Het verblijf op het atelier van Charles Eyck in 1966 bleek echter weinig succesvol, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten - beginnende leerlingen mochten enkel basiswerkzaamheden verrichten, penselen schoonmaken - waardoor Hans Coumans nog maar sporadisch het atelier bezoekt. Op het moment dat Charles Eyck kort op vakantie is, zag de ongeduldige leerling zijn kans schoon en vervolmaakte hij naar eigen inzicht enkele schilderwerken van zijn leermeester. Deze was bij terugkomst allerminst gecharmeerd van deze actie en stuurde hem zonder pardon de laan uit. Toch zouden zij blijvend een hechte vriendschap onderhouden en elkaar geregeld opzoeken, ondanks dat beide schilders verschillende opvattingen over schilderen hadden en elkaar ronduit bekritiseerden. Charles Eyck vond de werken van zijn collega veelal te druk, te onrustig en te rommelig. Hij adviseerde om er soms maar gewoon een deel vanaf te snijden, zodat er een meer heldere compositie zou ontstaan. Hans Coumans op zijn beurt gaf aan het nodige te hebben opgestoken over het toepassen van kleuren en technieken. Hij was onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar kritisch over zijn schilderkunst, met name over de portretten. Hans Coumans was weinig gecharmeerd van Charles Eyck's donkere koloriet en tekenachtige wijze van schilderen. "Charles schildert niet, schilderen is wat anders... Hij tekent met verf...", verweet hij zijn voormalige leermeester. Hoewel de invloed van Charles Eyck duidelijk zichtbaar was in enkele werken, die hij kort daarna vervaardigdde, werden de werken gaandeweg snel 'lichter' en tegelijkertijd 'ruiger' door het gebruik van het paletmes en plamuurmes.
In 1968 huurde Hans Coumans korte tijd een kleine ruimte aan de achterzijde van het voormalige gemeentehuis in de Grotestraat in het centrum van het mergelstadje. Nadat het kantoor van Dagblad de Limburger aan de overkant van de Grotestraat was opgeheven, verplaatste hij zijn activiteiten naar de vrijgekomen benedenverdieping en opende hij hier zijn schildersatelier, te midden van de kroegen en de plaatselijke middenstand. De etalage stond vol met schilderijen, en ook op andere plekken in de straat, in diverse kroegen en het naastgelegen schutterslokaal, werd zijn werk ten toon gesteld.
Een kortstondige romance leidde in 1969 tot de geboorte van zijn eerste zoon Roeland, maar aangezien de schilder volledig van de kaart was en niet kon omgaan met (de verantwoordelijkheid van) het vaderschap, besloot zij de taak van de opvoeding voor haar eigen rekening te nemen.
In dat zelfde jaar vergezelde Hans Coumans een stadsgenoot naar Spanje, die voornemens was een kroeg te openen in Calella de Costa. Door de ruchtbaarheid van het opvallende buitenlandse tweetal, verkreeg de schilder al snel diverse opdrachten voor reclamewerken, en net zoals in Valkenburg bracht dit grotere opdrachten voor decoratieve schilderingen in de plaatselijke établissementen. In een mum van tijd maakte hij hier aan de Costa's naam als 'Pintor Holandes'. Enkele omvangrijke werken in het restaurant 'La Olla' van de privékok van generaal Franco charmeerde de bekende surrealist Salvador Dali zodanig, dat hij de schilder een uitnodiging liet toekomen voor zijn aanstaande tentoonstelling in Barcelona. Op de bewuste dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers echter in het historische (labyrint-achtige) centrum en bleken de geneugten des levens in een plaatselijke bodéga (waar hard werd gezongen en gedanst) toch boeiender dan een tentoonstelling, waardoor ze nooit de plaats van bestemming bereikten. "Ach, die Dali...", die was Hans Coumans bij nader inzien toch te elitair, en bovendien had hij niet zo veel met het Surrealisme. Nadat hij even later in Benidorm na een omvangrijke schilderklus, het beschilderen van het gehele interieur van een nieuwe discotheek, dupe werd van oplichting, besloot hij terug te keren naar Nederland.

In het Geuldal van de jaren 60 was Hans Coumans inmiddels uitgegroeid tot een populaire en plein air schilder, zelfs een toeristische attractie à la Montmartre. Ofschoon het gemakkelijke geld en het rijkelijke Bourgondische sociale leven in de plaatselijke kroegen grote aantrekkingskracht uitoefende, hield dit de vrije althans financieel onafhankelijke schilder evenwel lange tijd gevangen, en weerhield het hem om zich te richten op datgene waar zijn hart lag: de vrije kunst. Het zelfpredikaat "... schilder van het volk", was niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het onzekere pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt hij, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar van binnen ging hij kapot, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te bekwamen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers en Charles Eyck - zag de schilder dit telkens als pedanterigheid. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende muze Christine van Kempen, zijn jongere schoonzus, die hij al 20 jaar niet had gezien. Als cadeau voor het 25-jarige huwelijk van haar ouders hadden 2 plaatselijk befaamde tantes haar naar de schilder gestuurd voor de vervaardiging van een portret. Dit deja-va leidde niet alleen tot een portret, maar ook tot een hartstochtelijke liefdesrelatie en een half jaarlater tot een huwelijk. Diezelfde dag betrok het kersverse stel hun gezamenlijke woning, een voormalige sigarenwinkel met bovenwoning in de Lindenlaan, dat zij door een lening van 2 plaatselijk fameuze tantes Van Kempen hadden kunnen aankopen. Christine van Kempen gaf de schilder niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan zijn cynisme - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - te laten varen en bewoog hem toch vooral tot het maken van een keuze wie hij wilde zijn: de artistieke vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in zijn schildersloopbaan, waarbij hij afscheid nam van de artistieke vrijbuiterij om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen.
Het afslaan van commerciële opdrachten luidde een financieel onzekere periode in. Zeker toen inkomsten uitbleven, en zijn vrouw met hun eerste kind Serge op komst hem dreigde te verlaten, moest hij zijn productie zien te vergroten en nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Zijn vrouw stelde hem het ultimatum om verantwoordelijkheid te nemen: het moest voortaan afgelopen zijn met "die onzin" met collega-schilders in de kroegen of uitbetaling in natura - in het verleden werd nog wel eens betaald met een kop soep of kreeg hij 1 glas bier per gezette letter, of een keer 150 flessen Chateau Petrus, destijds voor een portret van een staalmagnaat uit Maastricht, die er in een mum van tijd doorheen waren - terwijl er thuis honger was. Gaandeweg wist hij dit geestelijke knelpunt op te lossen, en vanaf dat moment was hij dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, zoals (in het centrum) nabij het 'Huis aan de brug', de Bogaardlaan als ook de Lindelaan, de Kerkstraat en de Cauberg. Verder werkte hij in de omgeving nabij Kasteel Oost, het Geulstrand en Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg.. Gedurende de wintermaanden, zodra de vrieskou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakte, legde hij zich toe op het portretteren en het schilderen van stillevens, waaraan hij in zijn atelier in de Lindenlaan onafgebroken kon werken. Met hulp van een bevriende uitbater, die enkele werken in bezit had en wiens eethuis volledig was beschilderd, organiseerde hij in het café 't Jachthoes een eerste serieuze tentoonstelling.

Na een paar jaar structureel in en rondom Valkenburg geschilderd te hebben, ontstond in 1974 onenigheid met de gemeente Valkenburg - op dat moment was zijn schoonbroer loco-burgemeester - over de verplichting van een ventvergunning voor het werken in de openbare ruimte. Hans Coumans was woedend en demonstreerde voor het gemeentehuis, dat de gemeente het deze arme schilder onmogelijk maakte om voor zijn vrouw en kind te zorgen. Volgens de schilder was schilderen in de buitenlucht niets anders dan het maken van een foto. Nota bene zou de gemeente erkentelijk moeten zijn, aangezien deze schilder tenminste nog wat cultuur bracht in het VVD-bolwerk, waar enkel oog was voor commercie. Vanwege de gemoederen besloot hij voor een half jaar uit te wijken naar Binche in België, waar het gezin intrek nam op Chateau du Bois d'Angre, eigendom van een bevriende familie.
Weer teruggekeerd in de Lindenlaan veroorzaakte het transformatieproces (schaalvergroting) van Valkenburg in de jaren 70 een toenemede afkeer bij de schilder. De grip van de commercie, de vernieuwingsdrift (opschaling) en de opkomst van het massatoerisme zorgde ervoor dat de diversiteit in het centrum met zijn ambachten geleidelijk aan moest wijken voor een monocultuur van horeca en dat munumentale, historische panden werden afgebroken en vervangen door anonieme grootschalige modernistische nieuwbouw. In de ogen van de schilder was dit de teloorgang van de identiteit van het unieke mergelstadje. De toestroom van toeristen bracht in zijn ogen hedonistische taferelen met zich mee en leidde dikwijls tot een rumoerige, grimmige sfeer, waaraan de Lindenlaan ook ten prooi viel. Omdat een verbouwing geen verbetering bracht, restte de schilder tot groot verdriet niets anders om zijn immer zo geliefde Valkenburg definitief de rug toe te keren en zich, met hun 2e zoon Jarosj op komst, te vestigen in het rustigere forenzendorp Nuth.

In Nuth nam het kunstenaarsgezin intrek in een gedeelte van het imposante voormalige nonnenklooster-bejaardenhuis met een groot park aan de Stationsstraat, eigendom van een bevriende Valkenburgse kastelijn en vastgoedhandelaar. Omdat het kloostercomplex op den duur zou worden herontwikkeld, fungeerde het klooster (zelf) op dat moment tijdelijk als asielzoekerscentrum (AZC) en kon het kunstenaarsgezin zo lang kostenloos in een deel van het bijgebouw, het voormalige Groene Kruisgebouw, wonen, terwijl het andere deel werd verhuurd aan de plaatselijke Scouting.
In Nuth schilderde hij veelvuldig in de omgeving van Terstraten en rondom Wijnandsrade. Geregeld bezocht hij Valkenburg, voornamelijk voor opdrachten. In Nuth kreeg de schilder eindelijk de financiële kwestie onder controle, wat ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef. Voor het eerst in zijn leven ontving hij een aanslag van maar liefs 2000 Gulden, een astronomisch bedrag voor een kunstschilder, aldus de schilder. Hij was furieus, omdat hij in tegenstelling tot veel collega-kunstenaars in zijn loopbaan (uit principe) nooit een beroep had gedaan op de BKR-regeling en dat men hem nu zijn zuur verdiende geld durfde af te pakken. Vanaf dan zou er een innige briefwisseling met de belastingdienst ontstaan, waar nooit een einde aan zou komen.
Weg van het bruisende Valkenburg, waar hij zo aan gehecht was - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden - raakte de schilder in een isolement, en hoewel zijn vrouw haar rijbewijs behaalde en het kunstenaarsgezin door de aanschaf van een auto mobiel was, kwam hij in een depressie terecht. Ook de herhaaldelijke geluidsoverlast van de buren, de scouting, en de toenemende drugsoverlast in het klooster maakten hem nerveus. Er werd intensief heroïne gedeald, er heerstte een grimmige sfeer door allerlei 'verdwaalde types' en het park lag bezaaid met gebruikte naalden, wat een potentieel gevaar voor zijn 2 kinderen betekende. Toen hij na een inbraak verhaal ging halen bij de buren, vond er een gericht schietincident op het huis van de schilder plaats en moest het gezin hals-over-kop onder politie-escorte hun woonhuis te verlaten. Deze situatie bezorgde de schilder een zenuwinzinking en achtervolgingswaan. Via vrienden vond het gezin 3 weken toevlucht in een vakantiepension in Slenaken en daarna enkele weken thuis op de zolderverdieping bij kennissen in Hoensbroek. Hij ging volledig door het lint, toen hij dacht zijn belagers in Hoensbroek op een markt, waar hij aan het werk was, te zien. Als gevolg hiervan werd hij opgepakt en een nacht opgenomen in de psychiatrische kliniek Welterhof in Maastricht. In de tussentijd vond er een grote inval plaats bij het AZC - deze actie bleek al weken in voorbereiding - waarbij de politie een aantal mensen arresteerde en het centrum uiteindelijk werd gesloten. Nadat de rust was wedergekeerd, keerde de schilder en zijn gezin nog maar voor korte tijd terug. Vanwege de aanvang van de herontwikkeling in 1981 was het kunstenaarsgezin gedwongen om Nuth te verlaten.

Via een bevriende makelaar kocht de schilder, nu met hun dochter Carmen op komst, het voormalige dorpstheater in boerendorp Bingelrade, dat hij met de hulp van zijn Valkenburgse kameraden verbouwde tot atelierwoning. In deze groene, rustige omgeving vond hij de langgekoesterde rust, wat hem uiteindelijk de ruimte gaf voor zijn vrije kunst. Na een 'mindere' tijd in Nuth brak in Bingelrade voor het eerst sinds lange tijd weer een bloeiperiode aan. Zijn serieuze kunstinspanningen begonnen eindelijk serieus vruchten af te werpen en verkreeg hij groeiende belangstelling voor zijn Heuvellandmotieven - zijn favoriete onderwerp - in de provincie.
De laatste vijf jaar van zijn kunstenaarscarrière genoot Hans Coumans zowel artistieke als financiële voorspoed. In de provincie had hij inmiddels toenemende naamsbekendheid verkregen, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. Hij stelde zijn atelier open voor onderricht en vertoefde wekelijks met een wisselend internationaal gezelschap van leerlingen, dikwijls afgestudeerde academici, door Zuid-Limburg om en plein air te werken. Daarnaast was hij een periode gastdocent op de Open Universiteit in Düsseldorf. Na een korte reis naar Spanje voor opdrachten, trok hij weer geregeld naar het Geuldal, naar Valkenburg en omgeving, om de vele unieke aangezichten te schilderen, en opnieuw stond hij weer volop in de belangstelling. Als gevolg van zijn naamsbekendheid ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor het staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter deze wees hij af, aangezien hij immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. In deze periode ontstond er ook weer contact met zijn eerdere geliefde en kwam hun zoon Roeland ter sprake.

Na een productieve periode organiseerde hij een succesvolle expositie in 1984 in 'het Kloeëster' in Schinveld. Kort daarna, eind dat jaar, bleek Hans Coumans zwaar ziek. Hij werd een paar weken opgenomen in het ziekenhuis in Brunssum en zou daarna bijna een jaar nodig hebben om zijn levercirrose, een gevolg van zijn jarenlange enthousiast drankgebruik, te boven te komen. Ondanks zijn ziekte barstte de schilder van de energie en werkte hij als een bezetene aan tientallen schilderijen tegelijk. In 1985 organiseerde hij met hulp van een leerling-schilder de Bloesemexpositie in Kasteel 'Doonder' in Doenrade, uiteindelijk zijn 3e en meest succesvolle tentoonstelling tot dan toe.

Met een volgende expositie in voorbereiding, kwam op 16 november 1986, op weg naar de jaarlijkse bosloop in Malden om de winnaars te portretteren, als gevolg van een tragisch auto‐ongeluk plotsklaps een einde aan zijn leven. Hans Coumans werd 43 jaar oud.