HANS COUMANS
man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   BOEK   INTERVIEW   STICHTING   CONTACT
Biografie

Kunstschilder Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Ondanks dat hij van jongs af aan door rusteloosheid gedreven op zoek naar vrijheid de wijde wereld in trok, bleef hij terugkeren naar zijn geliefde Heuvelland om hier, eenmaal verlost van de grip van de maatschappelijke orde, in alle rust te schilderen.

Johannes Jozef (Hans) Coumans werd in de Tweede Wereldoorlog op 19 maart 1943 geboren als vijfde telg uit een doorsnee arbeidersgezin in de Grachtstraat in het lommerijke kerkdorp Strucht (Schin op Geul) in Zuid-Limburg. Ondanks dat het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul door de Reichsschuhle voor jongens in het voormalige Jezuitenklooster een Duits bolwerk was, was Strucht redelijk ongeschonden de oorlog doorgekomen. In het dorp hadden zeker ingrijpende incidenten plaatsgevonden, zoals enkele aanhoudingen en deportaties naar Duitse werkkampen, maar zware oorlogshandelingen en bombardementen hadden er niet plaatsgevonden. Vlak na de oorlog was Strucht een typisch Zuid-Limburgs dorp, een tamelijk gesloten gemeenschap voornamelijk bevolkt door enerzijds agrariërs en anderzijds mijnwerkers, waar de tijd langzaam verstreek, een sober leven heerstte en hard werd gewerkt - er was honger. In het dorp golden de Roomse moraal en oude waarden, en zorgde het verenigingsleven - kerk, carnaval, schutterij - voor sociale cohesie. De Grachtstraat lag in een uithoek van het dorp aan de voet van de Dousberg en was een mijnwerkersenclave, die ook wel de Jordaan genoemd werd vanwege de grote gezinnen die er woonden en die het niet breed hadden. Een gemiddeld gezin telde in die tijd vaak 8 kinderen, in een extreem geval zelfs 17 kinderen, en de familie Coumans zat daar qua omvang met 6 kinderen niet ver vandaan. Binnen de familie Coumans was vader des huizes was de Peter Alphons (Funs) Coumans (*21-10-1907; +Valkenburg 11-02-1991), een in Strucht geboren mijnwerker en fanatieke, overigens niet onverdienstelijk wedstrijd-duivenhouder, die geregeld prijzen in de wacht sleepte (waaronder fietsen voor de kinderen). Het mijnwerkersberoep, dat Funs Coumans ruim 40 jaar lang zou uitoefenen, was zwaar - 's ochtendsvroeg om 03:45 stopte er een speciale Emma-bus in het dorp om de arbeiders op te halen - maar zijn grote passie voor duiventelen en (af en toe) sterke drank bracht enige verlichting. Moeder was de ietwat 'chique mevrouw' Maria Johanna (Maria) van der Loo (*Duisburg 07-08-1912; +Valkenburg 10-07-1992), de met grote toegeeflijk opgevoedde dochter van de uit Duisburg afkomstige architect Henricus van der Loo - zij was een stadsdame, 'eentje van buiten', zoals dat werd gezegd - die zoals gebruikelijk in die tijd het huishouden voor haar rekening nam. Overigens was Henricus van Loo een gewaardeerd architect, die betrokken was bij omvangrijke opdrachten zoals de restauratie van de Dom in Keulen. Wel was de architect behalve voor bouwkunst nogal gevoelig voor alcohol, en zodra er zich een kroeg in de buurt van een werk bevond, kwam er bitterweinig van dat overige terecht - dat werd overigens minder werd gewaardeerd.
Funs Coumans en Maria van Loo waren op 14-02-1931 op 23- en 18-jarige leeftijd in het huwelijk getreden en vrijwel direct aan kinderen begonnen. Maria verwachtte haar eerste kind op haar 20e. Ondanks de kerkelijke omgeving praktiseerden zij geen streng geloof, maar genoten de kinderen wel een strenge en redelijk conservatieve opvoeding volgens de waarden en normen uit die tijd. Dankzij de professie alsook het familiegeld van Henricus van Loo en doordat Funs Coumans zich in de loop van de tijd in de staatsmijnen Emma in Hoensbroek had opgewerkt tot boven de grond en een redelijk goed betaalde baan genoot als planner, was het mogelijk geweest om voorafgaand aan de oorlog eigenhandig een vrijstaand huis te bouwen in de Grachtstraat waar het 8-koppige gezin in een gemoedelijke sfeer hun leven doorbracht en de kinderen in voorspoed opgroeiden.
Afgekeerd van de doorgaande weg had de Jordaan directe verbinding met het groene achterland, waardoor het een rustig en veilig domein was voor de jeugd, die van heinde en verre kwam om elkaar hier te treffen en de vrije tijd door te brengen. Ook dochter Christine van de gegoede hotelfamilie Van Kempen uit Valkenburg aan de Geul vertoefde hier met enige regelmaat. Door een liefdesrelatie van de oudste dochter van de mijnwerkersfamilie en de oudste zoon van de hotelfamilie onderhielden beide families aan het begin van de jaren 60 een vriendschappelijke band en verbleef dochter Christine van Kempen gedurende de vakantieperiodes, voor hotels steevast een drukke en hektische tijd, geregeld in de Grachtstraat. Van hieruit ondernam Maria Coumans met de kinderen van beide families excursies in de natuur of bezochten zij gezamlijk attracties in de omgeving, zoals het Sprookjesbos in Valkenburg en Kasteel Schaloen in Oud-Valkeburg. Niemand kon op dat moment vermoeden dat Christine van Kempen met de herhaaldelijke bezwerende uitlatingen dat zij en haar schoonbroer Hans Coumans later ooit nog eens in het huwelijksbootje zouden treden - die laatste verkoos hevig geschrokken daarop keer op keer het hazenpad - op een later tijdstip daadwerkelijk van doorslaggevende invloed zou zijn en een beslissende positieve wending teweeg zou brengen in de carrière van de toekomstige schilder.

Het zou niet lang duren voordat het de ouders Coumans duidelijk werd dat hun zoon over een opvallend artistiek talent beschikte, zodra vanaf zijn vierde levensjaar talloze behangrollen en het nodige houtskool, normaliter bestemd voor het opwarmen van het eten in het arbeidersgezin, het moesten ontgelden. Maar de tekenkunsten manifesteerden zich pas publiekelijk, wanneer hij vanaf 6-jarige leeftijd op de katholieke basisschool tekenwedstrijden won - overigens zat hij in een artistieke klas: enkele klasgenoten wonnen eveneens prijzen. Soms betrof de hoofdprijs een excursie met de gehele klas. Een andere keer ontving hij voor een tekenwedstrijd uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan 50.000 kinderen deelnamen de tweede prijs, een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs 600 Gulden bedroeg, omdat de jury de inzending niet van een kind achtte. Hoofd van de basisschool en zelf amateurschilder, die in het dorp erom bekend stond dat hij creativiteit belangrijk vond en dit actief stimuleerde bij zijn leerlingen - hij hielp eerder onder meer 'trots van het dorp', de bekende kunstschilder (en buurtgenoot) Guillaume Stassen, die later naar Amsterdam en Parijs trok - onderkende al vroeg de begaafdheid van de jonge Hans Coumans en adviseerde de ouders, die overigens geen affiniteit met kunst hadden, om de creativiteit van hun kind verder te ontwikkelen. Ondanks de welgemeende intenties en diverse tekenadviesen van het hoofd van de school, was de jonge creatieveling nogal eigendunkelijk en koppig van aard en weinig ontvankelijk hiervoor: hij had kennelijk geen advies nodig en wilde het zelf doen.
Rond zijn achtste levensjaar was het definitief beklonken welke loop zijn leven zou gaan nemen. "Ik word schilder en ga de wijde wereld in...", verkondigde de jonge Hans Coumans dan al vastberaden. Het is trouwens de vraag of die vrijheidsdrang geïnspireerd was op die andere schilder in de straat of dat dit het gevolg is dat hij pas laat (met 18 maanden) kon lopen en lange tijd gekluisterd zat aan de kinderbox, wat mogelijk een traumatische indruk had achtergelaten. In ieder geval had hij het plan opgevat te gaan studeren aan de kunstacademie en tot die tijd zou hij het rustig aan kunnen doen. In de klas nam de aspirant schilder veelvuldig het voortouw zodra het vak tekenen aan bod kwam en sporadisch maakte hij vluchtige portretjes (voor zover men daarvan kan spreken) van zijn medeleerlingen. Om gehoor te geven aan het advies van het hoofd van de school stelden zijn ouders voor, ondanks dat zij niets met kunst hadden, om het kolenhok achter de keuken in het ouderlijk huis te gebruiken voor zijn creatieve uitspattingen. Maar omdat de jonge creatieveling ook wel inzag, dat zijn ouders hem eigenlijk niet begrepen en niet serieus namen op dit gebied, weigerde hij dit. Zijn ouders veronderstelden namelijk dat dit alles een soort hobby was, iets tijdelijks, maar toch zeker niet iets serieus om later van te leven. Zodra de aspiratie van de creatieveling zich rondsprak in de buurt, stelden de overburen de familie Van de Hove de schuur naast hun woonhuis ter beschikking, waar de jonge Hans Coumans op 11-jarige leeftijd zijn eerste 'officiële' atelier inrichtte. Hier experimenteerde hij met gouache en olieverf, maar hij was ook bedreven met objecten van zachte mergelsteen, dat uit de mergelgrotten in de omgeving kwam, dat hij bewerkte met keukengerei en geleend gereedschap. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, was erg enthousiast geworden en stelde gratis papier en tekenmateriaal ter beschikking en gaf af en toe uitleg over de beginselen van het perspectieftekenen. Geregeld sloten ook enkele andere jonge kunstzinnige buurtgenoten zich aan. Van de productie uit deze beginperiode is niets bewaard gebleven behalve een olieverfschilderij van een boerderij met een brug uit 1953 () alsook een olieverfschilderij van een boerderij () en het woonhuis van de overburen () - dit werk maakte hij als dank voor het ter beschikking stellen van de schuur - beide uit 1954.

Het voornemen om het tot aan de academie rustig aan te doen, daarvan kwam weinig terecht. Na de basisschoolperiode zouden zich weldra turbulente tijden aandienen binnen de familie Coumans. Naarmate Hans Coumans ouder werd, ontwikkelde hij een opvallend emotionele en grillige persoonlijkheid. Dit uitte zich in een impulsief, theatraal en nogal egocentrisch (non-conformistisch) gericht gedrag. De jonge schilder kende een buitengewone sensitiviteit waardoor hij een intens emotionele verbondenheid met het leven ervoer en gevolgelijk hartstochtelijk in het leven stond. Door de liefde voor het leven en interesse in de wereld ontwikkelde hij opvallend onconventionele opvattingen over de wereld (het leven). 'Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt' was zeker van toepassing: het ene moment nog innemend, het andere moment kon hij vuur spuwen, zodra er zaken aan de orde kwamen waar hij het pertinent niet mee eens was. Niet alleen was Hans Coumans dikwijls een afwijkende mening toebedeeld, hij gedroeg zich bovendien navenant. Hij was volhardend: het hart op de tong, geen blad voor de mond. Hij deed wat hij zei, ongeacht de mening van de ander. De kwestie schilderen: schilderen stond voor hem gelijk aan de begaafdheid tot spreken. Dat was dus inherent aan zijn persoon. Dat hij schilder zou worden stond dus vast, daarover was geen compromis mogelijk. De weerstand die hij ondervond leidde spoedig tot een rusteloze geest, dat bevrijding een (noodzakelijk) leidmotief werd en de jonge Hans Coumans op jeugdige leeftijd gedwongen was tot een ongebonden en onzeker kunstenaarsbestaan.
Halverwege de jaren 50 waren in het rooms-katholieke Limburg de mogelijkheden voor onderwijs na afronding van het basisonderwijs beperkt. Voor velen was een toekomst vanuit de familieachtergrond als arbeider in de mijnbouw of op de boerderij vanzelfsprekend, een kleine groep die gezegend was met goed stel hersens liet zich inwijden in het patersleven in abdij Rolduc in Kerkrade waar men gratis een exclusieve studie kon genieten, maar voor jongeren van eenvoudige komaf met dikwijls een nog onuitgesproken interesse, lag de Ulo (Uitgebreid Lager Onderwijs) in het nabij gelegen Valkenburg aan de Geul voor de hand. Afgezien van dat hij verheugd was verlost te zijn van de katholieke basisschool die dagelijks aanving met een kwartier preek in de kerk, was discipline om te studeren voor deze onrustige, energieke creatieveling met een overdaad aan fantasie een onmogelijke opgave. En werken had hij op dat moment zeker nog niet uitgevonden. Toch leidde de keuze voor de Ulo echter al snel tot een onaangename, zelfs naargeestige tijd, dat Hans Coumans er na twee jaar definitief een punt achter zette. In plaats van"... 't harde hout van de schoolbanken..." struinde hij liever, soms vergezeld van zijn tekenuitrusting (), dikwijls dagenlang door de Limburgse velden met zijn paarden en koeien, langs de oevers van de Geul of door de bossen op de Schealsberg. De bijzondere omgeving van het Heuvelland, de fenomenen in de natuur, dat fascineerde hem meer en bracht hem rust.
Door deze houding kwam de jonge Hans Coumans al snel op gespannen voet te staan met zijn ouders. De ouders, die de kinderen vanuit hun eenvoudige arbeidersachtergrond enkel het beste dachten mee te geven in de opvoeding, waren nogal sturend in de (school)keuzes van hun kinderen. Zo moesten de zonen een vak leren om later de kost te kunnen verdienen voor hun gezin. De dochters werden naar de huishoudschool in Heerlen gestuurd om een goede huisvrouw te worden. Op de achtergrond speelde mee, dat (zoals gebruikelijk in die tijd) ook van de kinderen geacht werd een geringe financiële bijdrage te leveren aan het huishouden. Zo werkten de oudere broers naast de studie her en der als boerenknaap op de akkers in het dorp. De oudere zussen dienden, behalve actief meehelpen in de huishouding en zorgdragen voor de jongere kinderen, vanaf hun 15e aan de slag te gaan in een naaiatelier in Heerlen om vervolgens een deel van hun verdiende geld over te dragen aan de ouders. Het onbegrip van de ouders voor wat de jonge creatieveling gezien zijn afwijkend gedrag bezielde of wat het kunstenaarsschap inhield - kunst bracht geen brood op de plank, was de algehele opvatting in de 50-er jaren - leidde spoedig tot conflicten binnen de familie. De jonge Hans Coumans voelde zich in zijn vrije keuze ('vrije wil') aangetast. Hij wilde (vrij zijn om te) schilderen, over een paar jaar gaan studeren aan de kunstacademie. Dat stond vast. Hij was het dan ook pertinent oneens met de dwingende opvattingen van zijn ouders en kwam in verzet tegen hun autoriteit. Hij wilde zich niet conformeren en (gedeelde) verantwoordelijkheid nemen, ondanks het verzoek van zijn oudere zus om niet alleen aan zichzelf te denken maar ook aan zijn broers en zussen. Maar wat Hans Coumans niet beviel, weigerde hij absoluut. Zeker omdat zijn moeder een gat in haar hand had en vader bij tijd en wijlen de nodige sterke drank achterover sloeg. Überhaupt had Hans Coumans geen affiniteit met geld of bezit: hij begreep de waarde niet van geld. Een huis of een automobiel, nog een zeldzaamheid in die tijd, daar had hij niets mee - hij had zelfs een afkeer van auto's en liep geregeld scheldend en vloekend met zijn handen slaand door de lucht, zodra er een auto passeerde op de doorgaande weg in Strucht die in zijn ogen al gauw veel te hard reed. Een andere keer had hij zijn gloednieuwe winterjas ter waarde van 200 Gulden, waar zijn ouders hard voor hadden gewerkt, gedurende de vrieskou aan een zwerver geschonken, omdat deze de jas in zijn ogen harder nodig had dan hij, vond hij tot grote verbazing van zijn ouders. Op werkvlak liet hij het voornamelijk afweten of verzon hij een excuus om er onderuit te komen. De enkele keer dat hij als boerenknaap op de akkers in het dorp aan de slag ging, was hij vooral een gangmaker, bedreven in het vermaken van anderen, in moppen tappen en verhalen vertellen. Een keer op het veld beweerde hij zich verstapt te hebben om zich vervolgens mank naar huis te begeven, terwijl even later even verderop in het dorp er niets meer aan de hand leek te zijn en hij normaal liep. Door dit soort fratsen kreeg de jonge Hans Coumans onder de dorpelingen de weinig prestigieuze reputatie van flierefluiter. De cultuur in de zuiderlijke provincie was in de jaren 60 van de vorige eeuw tamelijk gesloten en zodra men niet voldeed aan de norm, dan was men al gauw een paria, een dwaas of alcoholist. De oudere generatie in het dorp beschouwden hem als iemand die het leven niet serieus nam. Hij was een schande voor de keurige familie. Toch kon (afgezien van zijn ouders) niemand hem zijn weinig productieve kant kwalijk nemen, omdat dit ruimschoots werd gecompenseerd door zijn aimabele, beminnelijke aard en zijn oprechtheid. Hans Coumans was nou eenmaal niet zo'n werker. In plaats van het harde werken, wilde hij het vooral rustig aan doen, van het leven genieten. Liever nog verrichte hij licht huishoudelijke klussen zoals behangen en verven voor oudere mensen in het dorp die dat niet meer konden, maar dat leverde nauwelijks geld op. Een enkele keer werd hij beloond met een kop soep of deed hij een en ander gratis, want de mensen hadden volgens hem al zo weinig. En op de spaarzame momenten dat zijn inspanningen iets hadden opgeleverd, dan was dat dikwijls al ruimschoots genuttigd aan zijn geliefde lichtgele alcoholische dorstlesser in de plaatselijke kroegen voordat hij in de Grachtstraat arriveerde. Want waar hard gewerkt werd, moest goed gespoeld worden, was zijn stellige opvatting.
Om zijn ouders, waar hij eerljk gezegd ondanks de strubbelingen veel aan te danken had, niet teleur te stellen - zij hadden zeker gelijk dat een afgeronde opleiding belangrijk was - startte hij in 1958 met de opleiding tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen. Niet dat het vak huisschilder een welbewuste keuze was: het lag nog enigszins in de lijn van wat hij ambieerde. Hier had hij volgens eigen zeggen tenminste nog iets aan vanwege de technische basiskennis en kennis van materialen. Hoewel deze studie hem zwaar viel, wist hij na twee jaar zijn diploma te behalen. Met een diploma op zak kon hij direct aan de slag bij een plaatselijke huisschilder. Echter, omdat de afgestudeerde schilder geen 'man van de tijd' was en werkdagen lang konden duren, haakte hij al na minder dan een maand af.
Om dan maar serieus werk te maken van zijn artistieke carriere 'vestigde’ de 16-jarige Hans Coumans zich in 1959 als zelfstandig kunstschilder in Strucht, terwijl hij gedurende die tijd woonachtig was bij zijn ouders. Hij tekende en schilderde eerder al in de vrije natuur (), en dat zou nu als het aan hem lag de hoofdbron van inkomsten worden. Met een zelfgemaakte schildersezel en schildersbenodigdheden vertoefde hij in de natuur in de omgeving rondom Strucht en in Oud-Valkenburg nabij de Geul ()(), op zoek naar de typische Geultaferelen om deze aan het linnen toe te vertrouwen. Naast een van zijn eerste olieverf zelfportretten () uit 1960 en een klein toekomstig zelfportret () uit 1961 (beide via de spiegel) wilde hij zijn dorpsvrienden nog wel eens vastleggen op doek ()()(). Hoewel hij af en toe een schilderij verkocht, zat het aanvankelijk zeker niet mee om als vrije schilder zijn dure schildersuitrusting te bekostigen of in zijn levensonderhoud en zijn geliefde biertjes te voorzien. Maar aan de andere kant, vroeg hij zich af, hoeveel geld had een mens nu werkelijk nodig om van het leven te genieten?: "Waarom zou ik vier koppen rijst willen, als ik er maar één opkrijg..?". Met een bedrag van 100 Gulden kon hij makkelijk weken vooruit, zeker zolang hij bij zijn ouders terecht kon voor een slaapplek. “Ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb…”, was zijn opvatting.
Ondanks de liefde voor hun zoon, de pogingen hem te begrijpen en ondanks hun inspanningen hem te ondersteunen, verslechterde de verstandhouding. Hoewel zijn vader zich had verzoend met de gedachte dat zijn zo'n nou eenmaal anders was, leidde de confrontaties tussen de jonge Hans Coumans en zijn moeder tot een onhoudbare situatie. De "beknelling van de leuning van de bekrompen Sjinse stoel..." zorgde er dan ook voor dat Hans Coumans vanaf zijn 16e jaar veelvuldig wegliep van huis en op die momenten een onzeker, zwervend bestaan leidde. "Wacht maar, ik kom terug met een nieuwe slee!", had hij zijn ouders uit eergevoel al eens vurig te kennen gegeven. In die periode ontbrak het hem dikswijls aan een dak boven zijn hoofd. Soms bivakkeerde hij bij bekenden of sliep hij in het veld onder de sterrehemel of op een van de vele aangename hooizolders die het Heuvelland rijk was, terwijl zijn ouders tot verdriet vaak geen idee hadden waar hun zoon zich ophield. In de jaren die volgden zou de jonge schilder zich ontworstelen aan de althans in zijn ogen petieterige thuissituatie en het petieterige dorp dat volgens hem geen enkele notie van kunst had - kunstenaars waren parasieten van de samenleving - en vervolgend 'de wijdte' verkiezen en op eigen houtje de wereld intrekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. Tussen zijn 16e en 19e levensjaar ondernam hij clandestien diverse langdurige solistische pelgrimstochten, soms wel tot een half jaar lang, deels te voet, deels liftend door diverse landen in Europa - Duitsland (Aken, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (Parijs), Spanje - terwijl zijn ouders ten einde raad achterbleven. De koude en de armoede waren de trouwe metgezellen van de jonge schilder - de armoedzaaier had nog geen 2,5 Gulden op zak. Gedurende deze langdurige perioden leefde hij als een vagebond, die her en der slaapplekken aangeboden kreeg, maar dikwijls de nacht doorbracht in de open lucht, onder een brug of bij een boer op een hooizolder. Soms had hij maar net genoeg verdiend voor een warme maaltijd of had hij het geluk met mensen te kunnen meeeten, maar net zo vaak was hij aangewezen op wat er te vinden was op de vele akkers en in de vrije natuur. In de tussentijd werden door de familie dikwijls tevergeefs zoekacties opgezet en een enkele keer na een tip Interpol ingeschakeld, die de vagebond na driekwart jaar verblijf in het Schwarzwald opspoorde en hem met een dwangbevel sommeerde noordwaards te keren. Tussentijds, in 1961, vergezelde hij het rondreizend circusgezelschap Tony Boltini voor een tijd bij hun tour door Duitsland. Hier trad hij op als olifantendompteur en af en toe, vanwege zijn gevoel voor muziek, als (inval-)rekwisiteur. Later mocht hij het kinderprogramma verzorgen. Opnieuw had niemand al die tijd weet waar de jonge schilder zich schuilhield, totdat de familie op de televisie een rapportage over 'het leven in een circus' voorbij zag komen en de ouders tot grote verbazing op de achtergrond hun verloren zoon opmerken. Maar zelfs het leven in de rondreizende circuspiste werd hem uiteindelijk te benauwd. Het circusleven was fysiek zwaar en legde nogal druk op verantwoordelijkheid, waardoor hij na een half jaar weer zijn vrijheid opzocht.
Gedurende deze tochten leerde de vagebond de kunst van het overleven via allerlei baantjes zoals decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen. Uit deze vroege, roerige periode is behalve een schetsblok, die de jonge schilder gedurende zijn tochten bij zich droeg en waarin hij aantekeningen maakte, tekenoefeningen deed (met potlood of Oostindische inkt) en schetsen maakte van alles wat hem intrigeerde, vrijwel geen werk behouden gebleven. Bekend is dat de jonge schilder rond zijn 18 jaar al tientallen olieverfwerken had geschilderd, maar dat deze geregeld in vlammen opgingen. De jonge schilder worstelde met zijn leven en kon zich maar niet onttrekken aan het lot van de ander. Onverdraagzaamheid tegen andersdenkenden en het onrecht in de wereld, zelfs van heel dichtbij (in het dorp jegens hem), veroorzaakte een diep gevoelde telleurstelling en stemde hem cynisch. "Religie is de oorzaak van de meeste oorlogen!", verkondigde hij geregeld overtuigd in discussies met zijn roomse dorpsgenoten. Diverse keren zou het zou voorkomen dat hij zijn schilderijen uit frustratie en pure woede verbrandde in de achtertuin van zijn ouderlijk huis. Symbolisch voor de hopeloosheid van de wereld, was de verbranding van een groot olieverftafereel voorzien van allemaal mensen van diverse culturele (religieuze) achtergrond. Ook zijn schetsblok toont tig pentekeningen met onderwerpen van religieuze en maatschappelijke aard, die blijk geven van zijn worsteling. Hierin beschouwde de jonge schilder zichzelf () en zijn precaire situatie, en lijkt het alsof hij antwoorden probeerde te vinden aan de hand van Bijbelse thema's. Typische thema's als naastenliefde, broederliefde, bloedwraak, barmhartigheid, humanisme passeerden allen de revue. Onder de werken bevinden zich onder andere (voor die leeftijd knap getekende) Abraham met luid (), de humanist Erasmus, de Barmharitige Samaritaan, Abel en Caïn (), De verloren schaapsherder (), Samson (die maar liefst 6000 Filistijnen en één Limburger vermoorde) alsook De broer van Christus () (vermoedelijk is dit een zelfportret: de schilder als verstotene).
Nog te jong voor een kunstopleiding, kwam de opgedane verfkennis op de Ambachtschool hem zeer van pas, en wist Hans Coumans zich enkel door het kijken naar - intensief bestuderen was vanwege zijn ongeduld immers niet aan hem besteed - zijn voorgangers, zoals Pieter Paul Rubens, Rembrandt van Rijn en Frans Hals, maar ook Francisco Goya en Diego Velázquez, het schilderen eigen te maken. Het ging hem daarbij niet om het kopiëren van de overwegend langdurige laag-over-laag technieken, maar om de beoogde effecten, zoals de weergave van materialen, de compositie-typen en de dramatische (Barokke) licht-donker effecten, die hij via een eigen vlotte, losse nat-op-nat-schildermethode nabootse. Terwijl zijn voorgangers veelal de luxe hadden gebruik te kunnen maken van een uitgebreid kleurenpallet (pigmenten) was de jonge Struchtse schilder in die vroege periode veelal toegewezen op enkel de primaire kleuren en zwart en wit, een enkele keer een ondersteunende kleur, omdat verf gewoonweg duur was. Hoewel thema's, technieken maar vooral dramatiek geleend zijn uit de barok, zijn de werken beslist impressionistisch: het zijn slechts onmiddelijke impressies. Zonder gedegen kennis of intensieve beoefening maar met een verbluffende virtuoze hand wist de de 18, 19 jarige Hans Coumans in een mum van tijd een krachtig, vanzelfsprekend beeld neer te zetten. Met name de portretten die hij vervaardigd zijn niet alleen sprekend als beeld; de jonge schilder is in staat om de karakters te laten spreken: het wezen zelf. Het zelfportret De Zigeuner () bijvoorbeeld, dat hij op 18-jarige leeftijd schilderde, vertoont enige gelijkenis met een zelfportret van Paul Rubens (), zichtbaar in het overeenkomstige thema, de compositie en de verfijnde toepassing van de olieverftechniek, waarmee door direct mengen op het doek een geleidelijke overgang van licht naar donker en een sterk positief-negatief-contrast is gecreëerd en waarmee detaillering zoals de textuur en de glinstering in het haar op verbluffende wijze tot stand is gebracht. Dat is ook, hoewel wat expressiever zichtbaar in het 'toekomstige' portret () uit 1961, welk overigens niet langer dan een uur in beslag had genomen om te vervaardigen. Ook andere werken, zoal de portretten van twee vrienden ()() uit 1962 en 1963 alsook het grote beschouwend werk De Kruisiging () even later uit 1963 vertonen diezelfde schildermethodiek.

De militaire dienstplicht maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven 'vrijheden'. Omdat Hans Coumans pacifist was, dus principieel iedere vorm van geweld, oorlog, zelfs bewapening afwees, behoorde hij toe aan de groep van zogenaamde totaalweigeraars, die om principiële, morele, levensbeschouwelijke en anarchistische redenen noch een beroep op de Wet Gewetensbezwaren Militaire Dienst noch de vervangende burgerdienst wilden doen. Na 5 niet beantwoordde oproepen gevolgd door een intimiderend bezoek van de MP (militaire politie) met een indrukwekkend militair voertuig besloot Hans Coumans op carnavalsdinsdag op aanraden van zijn oudere zus zich toch maar te gaan melden, vooral om zijn ouders niet in verlegenheid te brengen. Bovendien liep hij de kans om veroordeeld te worden voor dienstweigering tot maximaal 21 maanden gevangenisstraf. Eenmaal gestationeerd op de Willem II kazerne in Amerfoort kenmerkte het verblijf in de barakken zich naar zijn zeggen als een vreselijke tijd. In een poging om onder de dienstplicht uit te komen speelde hij de nar, die links afsloeg zodra het gehele peleton bevel kreeg om naar rechts te keren. Of hij weigerde een wapen ter hand te nemen voor schietoefeningen en verscheen hij keer op keer met een bezem bij het ochtendsalut. Hierop volgden diverse gesprekken met zijn superieuren, waar hij onverwacht een goede band mee opbouwde. De vraag waar deze jonge man dan wel goed in was, leidde tot een aantal portretteren van zijn superieuren. Zij waren positief verbaasd door de beschouwing op de wereld van deze jonge schilder, maar begrepen vooral dat met hem geen land te bezeilen was. Onverwacht bracht een ongeval na zeven maanden de jonge schilder redding. Op de stormbaan liep Hans Coumans buiten zijn schuld om een zware verwonding op aan zijn linker voet, waarvoor hij enkele weken in het Militaire Hospitaal Dr. A. Mathijsen (MHAM) in Utrecht verbleef. Na een officieuze deal met defensie, dat hij vrijuit mocht gaan indien hij defensie niet zou aanklagen voor letsel door schuld, kon de jonge schilder 'glansrijk' afzwaaien.
Eenmaal verlost van “... tucht van het leger...” keerde Hans Coumans in augustus van dat jaar terug naar het zuiden om zijn werkzaamheden als kunstschilder weer op te pakken. De schilder nam wederom zijn intrek bij zijn ouders in Strucht. Vanuit zijn thuisbasis in de Grachtstraat schilderde hij in en rondom Strucht aan de Geul ()()()() en nabij Kasteel 'Schaloen' in Oud-Valkenburg (). Om zijn werk aan de man te brengen, struinde hij met zijn schilderijen (), die vaak niet meer kostten dan 25 Gulden, onder zijn arm de kroegen, de jaarlijkse markten en braderieën af, op zoek naar kunstminnaars. Soms verkocht hij een schilderij direct nat van de ezel. Bekendheid van zijn talent in het dorp leidde tot enkele opdrachten voor portretten ()()()(), natuurmotieven van onder andere de Geul ()() en een aantal muurschilderingen () bij particulieren en enkele plaatselijke horecagelegenheden waaronder hotel Bemelmans en pension Janssen. Ook de eigenaar van de kroeg De Duif vroeg aan Hans Coumans om zijn wanden te verfraaien met 2 grote thematische schilderingen (), die de jonge schilder uiteindelijk samen met buurtgenoot uit de Grachtstraat Zef Swillems omstreeks 1962 vervaardigde. Overigens duurde deze klus ongemerkt langer dan gepland doordat de twee jonge schilders gedurende de openingstijden aan het werk waren en er door de toeloop van dorpsgenoten een buitengewoon gemoedelijke sfeer heerstte, dat later bij de afrekening van de klus bleek, dat zij nog 172 Gulden moest bijbetalen vanwege het niet geringe aantal weggegeven rondjes.
Begin jaren 60 kreeg hij de smaak in het schilderen te pakken. Door de plaatselijke bekendheid groeide zijn productie gestaag waardoor hij een geoefende hand kreeg. De technieken van zijn voorgangers had hij in die werken toe kunnen passen, maar tegelijkertijd ontstond er geleidelijk aan een eigen handschrift. Hij ontwikkelde duidelijk een eigen impressionistisch karakter ()()()()(). De zware, dramatische effecten (uit de Barok) maakten plaats voor een vlotte, krachtige toets met een eigen kleurenpallet. Soms neigt het pallet naar de bruin-tinten, dan weer naar de groen-tinten, maar wel nog tamelijk eendimensionaal. Het zijn werken die in een mum van tijd lijken te zijn neergezet, soms met een zekere haast. Maar deze werken zijn het sterkst. Uit zijn vroege oeuvre is duidelijk afleesbaar, dat Hans Coumans al op jeugdige leeftijd het penseel beheerst. Hierbij werkt hij ongedwongen, haast nonchalant voor de toeschouwer en permiteerde hij zich de vrijheid. Dit in tegenstelling tot sommige werken (), die hij in opdracht verrichte, wat hem mogelijk benauwde. Doordat hij dan te lang doorschilderde, verloor het betreffende werk de emotionele zeggingskracht van het onmiddelijke moment en verviel het tot een aangename representatieve prent.
In diezelfde tijd werd Hans Coumans geuniformd lid (1963-1966) van de plaatselijke schutterij St. Mauritius, waar hij even later in 1966 in het Schutterslokaal aan de Provinciale weg tevens een indrukwekkend schutterstafereel vervaardigde (). Behalve dat de vereniging wekelijks fanatiek repeteerde in het schutterslokaal en schietoefeningen verrichtte in de Struchtse velden voor de Jaarlijkse schuttersfeest en kerkelijke processies, werd na afloop net zo fanatiek nagepraat en gelachen als gedronken in de kroegen die het dorp rijk was. De muurschildering in het schutterslocaal was al even dynamisch en energiek als het schuttersleven zelf. Het betreffende werk is zeker één van de eerste overtuigende omvangrijke taferelen. Het werk is van een grote omvang en toont een dynamisch en energiek groepsportret van schutters, waarin enkele prominente leden en de schilder zelf een hoofdrol spelen. Dat de schilder in tal van werken van zijn hand zichzelf een rol toebedeelde was een gebruikelijk gegeven. Overigens, ofschoon iedereen er vanaf wist, was het een publiek geheim dat de schilder het niet kon nalaten een niet nader te noemen lid, waar hij een conflict mee had, in dit betreffende werk als duivel af te beelden.
Intussen liepen thuis na een aanvankelijke periode van relatieve rust gaandeweg de emoties opnieuw hoog op. De situatie werd onhoudbaar, waarop zijn ouders hem in 1964 de deur wezen. Via zijn oudere zus vond hij in allerijl onderdak bij een bevriend kastelein in Bleijerheide in Heerlerheide, die nog een ruimte vrij had boven zijn kroeg Oud Genhei. Hier zou de jonge schilder even op adem kunnen komen, maar het verblijf zou vervolgens nagenoeg negen maanden duren. Als een wederdienst voor de kost en inwoning verfraaide de schilder gedurende zijn verblijf het gehele interieur met grote wandschilderingen met taferelen uit de omgeving, waar later ook ansichtkaarten ()() van zijn gedrukt. Ook de nabij gelegen jeugdsociëteit en enkele andere kroegen waaronder 'De Bok' beschilderde hij met thematische muurtaferelen.
Heimwee dreef de Hans Coumans uiteindelijk weer richting het Geuldal. In Schoonbron vond hij in het najaar van 1964 een kamer in het familiepension ’t Hoonderhöfke, waar hij gedurende twee winterperioden met enige regelmaat verbleef. De eigenaren van het pension waren sociaalvoelende en betrokken mensen, die ook verbonden waren aan het kerkbestuur in het dorp. Naast de activiteiten van het pension stonden de eigenaren in het dorp erom bekend, dat zij zich ook ontfermden over jongeren die in hun maatschappelijke of sociale leven moeilijkheden ondervonden. Omdat deze groep in die tijd vaak nergens terecht kon, stelden zij hun pension open voor tijdelijke bewoning. De jonge schilder was moe van het onstuimige pad dat hij had bewandeld. Hij was depressief door het onbegrip van mensen voor andersdenkenden en het gebrek aan naastenliefde (in het dorp), terwijl dat toch de essentie van de christelijke traditie was, volgens hem. Uit frustratie had hij een keer de gevel van de kerk in zwarte verf beklad met de leus 'Heer, red ons van de roomse huichelaars...', wat de nodige roering had veroorzaakt in het kerkdorp. De levenvragen desillusioneerden hem, het ontheemd zijn maakte hem depressief, de continue strijd maakte hem moe. Hoezeer hij zijn vrijheid ambieerde, de onzekerheid bezorgde hem grote twijfels, of hij het bij het goede eind had. Met de eigenaren volgden vele, langdurige gesprekken dikwijls tot diep in de nacht over zijn leven en over de zin van het leven. De eigenaren stimuleerden hem om te blijven geloven in zichzelf en om toch vooral vol te houden (om zijn dromen waar te maken). Ze boden hem de mogelijkheid om zijn schilderijen ()() in de ontbijtzaal van het pension tentoon te stellen, zodat toeristen een uniek aandenken aan het Heuvelland konden bemachtigen. Als dank voor zijn verblijf vervaardigde hij boven de bar in de ontbijtzaal een grote wandschildering.

Zodra Hans Coumans enigszins was opgeknapt, trok hij er weer op uit en met het weinig verdiende geld van zijn paar verkochte schilderijen huurde hij kort een kamer in een hotel in Geulhem, om in 1965 te verhuizen naar Maastricht. Op de Tongerseweg in Maastricht bezat de Geulhemse hotelfamilie het Café Stammineeke met een aantal studentenkamers, waar de schilder een piepkleine kamer betrok. De gemeubileerde kamer beschikte over een bed en een kast, en met de weinige spullen die de schilder had, enkel wat kleren, een paar boeken en schildermateriaal oogde de kamer al gauw overvol.
In de Limburgse hoofdstad mocht Hans Coumans in 1965 op 22-jarige leeftijd, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding op basis van zijn werk, toetreden tot de avondopleiding van de Stadsacademie, waar op dat moment de markante Jef Scheffers de sceptor zwaaide. De Stadsacademie stond bekend als een strenge academische opleiding. Jef Scheffers hechtte namelijk grote waarde aan de 'ambachtelijkheid van het schilderen' en hij onderwees zijn studenten met harde hand. Althans in de ogen van de Struchtse schilder. Want, voordat de opleiding goed en wel was begonnen, stuitte de ijzeren discipline de aspirant schilder zozeer tegen de borst, dat het plezier in schilderen snel over was. Toen de daaropvolgende verhitte discussies over het verschil van inzicht op niets uitliepen, concludeerde hij dat deze plek hem niet verder zou brengen en hield hij het hier na twee maanden voor gezien. Hans Coumans kon zich totaal niet vinden in de rigide academische scholing, terwijl hij aanvankelijk toch aantrad met het oog om vrije kunstenaar te worden. De didactische methodiek van eindeloze herhaaloefeningen beviel hem totaal niet en werkte op zijn zenuwen. Daarnaast had hij er grote moeite mee, dat de academie van hem verlangde om te werken met de schilderstok (om rechte lijnen te trekken), terwijl hij van nature alles uit de vrije hand deed, zonder enige hulpmiddelen. Toegegeven, academische werken mochten technisch gezien dan wel kloppen, maar de gepredikte ambachtelijkheid ontbeerde elke vorm van emotie en spontaniteit. Sterker nog, de ratio stond de emotie in de weg, meende hij. En emotie, dat was nou juist de essentie van een schilderij: “Een schilderij moet leven!”. De academisch geconstrueerde taferelen vormden wellicht een keurige representatie van het subject, maar misten elke levendigheid, die in de echte realiteit waarneembaar is. Voor Hans Coumans was kunst van de ambachtelijkheid uiteindelijk geen doel op zich. Het meesterschap was allesbehalve gelegen in de representatie van het afgebeeldene, de kunst van het schilderen was gelegen in de representatie van de ziel van het afgebeeldene (of de geest van de plek). Een schilderij was namelijk geen foto oftewel een gefixeerd moment, maar juist een dynamisch moment. In tegenstelling tot het methodisch construeren werkte Hans Coumans intuïtief (en ongeduldig) vanuit de onmiddellijke beleving zonder vooropgezet plan of na uitgebreide voorstudies (hoogstzelden bij een grote muurschildering). En juist die intuïtieve methode bracht de levendigheid, de emotie van dat moment, in een schilderij. Dit overtuigde hem, dat hij het schildervak veel beter verder zou kunnen ontwikkelen door in de buitenlucht aan het werk te gaan - zoals hij altijd al had gedaan - ergens in de natuur, in een veld, tussen de paarden of koeien. Dus door het beschouwen van de levende realiteit in plaats van op een atelier via een foto, ver weg van het subject. Overigens, het gebruik van een foto als hulpmiddel was sowieso te allen uit den boze. Doordat de foto alles 'dood slaat' is het haast onmogelijk om de geest van de plek of het wezen van de persoon treffend neer te zetten. Dan blijft het een representatie van het beeld, maar feitelijk leeft het niet. Toch zou het ontbreken van een gedegen academische beoefening hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en met name anatomie een rol speelden, waarin hij zich dus verder eigenhandig moest zien te bekwamen.
Gedesillusioneerd over zijn weinig succesvolle academische studie - immers, hier had de aspirant-schilder al die tijd naar toe geleefd - storte Hans Coumans zich een periode in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke bourgondische Maastrichtse nachtleven en struinde hij onafgebroken langs de talloze befaamde kroegen waaronder Tribunal en De Vogelstruys. Hier ontmoette hij andere beginnende kunstenaars, artiesten en fotografen en werd er tot diep in de nacht gefilosofeerd, geouwehoerd, hard gezongen en niet minder enthousiast gedronken. In de Maastrichtse kroegen verkreeg de jonge schilder de bijnaam 'De Kozak' vanwege zijn nogal Russisch ogend uiterlijk - hij had een volle snor, zware lederen jas en laarzen - en beoefdende zangstem door zijn liefde voor klassieke muziek, opera zoals Carmen van Georges Bizet en Russische zangkoren. In die tijd was hij groot liefhebber van Serge Jaroff en zijn Don Kosakken en schalde uit volle borst uit hun repertoire Die Zwölf Räuber en Stenka Rasin. Andere liederen waren Rijnliederen, het het Wolgalied en het gevangenenkoor Va pensiero. Terwijl Hans Coumans er op uit ging met een bevriende professionele stadsfotograaf, die het uitgaande publiek fotografeerde - mensen kregen een kaartje en konden daarmee later de afgedrukte foto kopen - legde de schilder zijn gewillige onderwerp voornamelijk van het vrouwelijke soort met het houtskool vast. Dit soort zogenaamde snelportretten, vlotte schetsen van houtskool, vervaardigde hij doorgaans binnen 10 minuten. Op een 'zondagse' dag moest een aantal van 8 portretten per uur haalbaar zijn. Zodra de jonge, opvallende artistieke charmeur, gewapend met vellen papier en een houtskoolpotlood zich begaf in het Maastrichtse uitgaansleven en een lokaal binnenstapte, wist hij zich binnen de kortste keren te verzekeren van aandacht. Hij kende een zekere bravoure waarmee hij die kunstenaarsrol vervulde. Op dat moment was hij de entertainer, die toonte waar hij goed en onderscheidend in was, waardoor hij kon rekenen op de nodige aanspraak. En wanneer een eerste schone zich had laten verleiden tot model, werd het tafereel gauw omringt door een geïnteresseerde menigte en volgden er vanzelf meer gegadigden, die voor een klein bedrag van zo'n tien Gulden - voor dat bedrag kon niet eens een foto gemaakt worden, benadrukte de portrettist - ook een portret wilden. Wel maakte hij de vermelding dat met krullen duurder was vanwege het extra werk dat hij erin moest steken en dat kalen korting kregen. Klotskoppen en zij, die niks 'op de ribben' hadden, konden zich gratis laten portretteren.
Later, in datzelfde jaar ondernam Hans Coumans samen met 'de schilderende schipper' of 'de schipperde schilder' (daar was niemand het over eens), een schilderkameraad van de academie, tijdens de winterperiode een drie maanden durende trektocht te voet door de Eifel via Monschau tot aan Luxemburg. In de vele nachtelijke discussies in de Maastrichtse kroegen, waarin onderwerpen als 'de academische wereld' en het 'kunstenaarsbestaan' de revue passeerden, waren de schilderkameraden het er stelling over eens dat een vrije kunstschilder financieel onafhankelijk kon zijn. Terwijl heel wat afgestudeerde, beginnende kunstenaars toegewezen waren op een maandelijkse overheidstoelage of vanwege de extra inkomsten doceerden op de academie, moest deze expeditie hun gelijk aantonen. Het inlegbedrag van ieder tien Gulden om de eerste paar dagen rond te komen en voor eventuele noodgevallen zouden zij gedurende de reis weer moeten terugverdienen, was de afspraak. Overigens, als het aan Hans Coumans had gelegen hadden zij hun inlegeld direct bij aanvang al gespendeerd aan vet (reuzel), want daar zouden zij het goed warm van krijgen en bovendien was dat goed geschikt om hun lederen laarzen in te vetten tegen de sneeuw. Maar dat voorstel werd snel door zijn reiskameraad van tafel geveegd, die hem impulsiviteit en onnadenkendheid verweet. Gedurende de hachelijke tocht - het was behoorlijk afzien vanwege een strenge winter met veel sneeuw in de bosrijke, heuvelachtige omgeving - vonden de twee jonge schilders onderdak bij diverse kloosters om de nacht door te brengen en bezochten zij dagelijks de plaatselijke kroegen om warm te blijven en om mensen te portretteren voor de broodnodige inkomsten. Bij terugkomst in Maastricht had hen dit avontuur behalve het bewijs zelfs ieder 100 Gulden opgeleverd.

Spoedig verruilde Hans Coumans de logge Maas voor de lieflijke Geul, ofschoon hij op dat moment geen vaste verblijfplaats had en zodoende her en der logeerde. Gedurende de winterperiode van 1965 vond hij wederom een plek bij ’t Hoonderhöfke' in Schoonbron. Hier portretteerde hij als dank voor het verblijf een van de dochters () van de eigenaren van het pension.
De gebeurtenissen in Amsterdam rondom de in 1965 opgerichte Provo-beweging lokte Hans Coumans eind dat jaar naar de hoofdstad om deel te nemen aan het geweldloze verzet. Samen met een stadsgenoot verbleef de jonge Zuid-Limburgse schilder daarnaast enkele maanden in Haarlem onder de kunstacademici. Om te overleven kon hij als afwashulp aan de slag bij het befaamde hotel Krasnapolsky op de Dam, waar tevens af en toe een warm bad op hem wachtte. Tesamen met een groep jonge academici zwierf hij langs de vele Amsterdamse kroegen voor vertier en om het uitgaande publiek te portretteren. Hier werd tot diep in de nacht net zo hard gedronken als gefilosofeerd over de maatschappij en de politiek. Niet alleen in Amsterdam maar wereldwijde waren de jaren 70 waren turbulente tijden van oude, gevestigde instituten en een nieuwe generatie van jonge studenten, die dit wilde doorbreken. Het was het decenium van de protestgeneratie. Van Black Power in Amerika tegen racisme en onderdrukking, tot de Praagse Lente in Tsjecho-Slowakije met als doel een menselijker socialistisch systeem. Overal klonk kritiek op de algemene gezagsverhoudingen en de nieuwe generatie vocht voor meer openheid. Ook Hans Coumans geloofde net als veel tijdgenoten in de revolutionaire invloed van de kunstzinnige jongeren en de kracht van de geweldloze provocatie om het oude gezag omver te werpen. Maar in tegenstelling tot wat hij ervan had verwacht, heerste er een grimmige zelfs agressieve atmosfeer in de hoofdstad. De massahysterie, de continue geweldadigheden en de hevige confrontatie met de politie die de menigte te lijf ging met paarden en waterkanonnen wekte een dusdanige weerzin op en deden hem na enkele maanden alweer terugkeren naar het gemoedelijke Heuvelland.
Hoewel Hans Coumans zich na de academie verder eigenhandig en plein air bekwaamde in de landschapskunst ()()()()(), ontplooide hij zich in en rondom toeristisch Valkenburg aanvankelijk voornamelijk als (houtskool)snelportrettist op de terrasen, de jaarlijkse Limburgse braderieën en andere evenementen (wielerrondes en fancy-faire's) alsook als decoratieschilder van grote muurschilderingen in de plaatselijke établissementen. De schilder voelde zich erg aangetrokken tot het schilderachtige, bourgondische Geulstadje, waar hij bovenmatig deelnam aan het bruisende uitgaansleven in de kroegen, soms bij gebrek aan geld zelf achter de bar stond en vooral in contact kwam met plaatselijke kasteleins die geïnteresseerd waren in zijn handelswaar. Valkenburg was vanaf het einde van de 19e eeuw altijd al een exclusief en modain vakantieoord geweest met chique hotels waar de meer welgestelden hun vrije tijd doorbrachten, maar door de toenemende welvaart in de jaren 60 en 70 kwam het mergelstadje meer en meer in zwang bij de gewone burger. Als gevolg van veranderend publiek veranderde het horeca-aanbod in het Geulstadje en verschenen er meer en meer kroegen en betaalbare restaurants. Voor de beleving van het Heuvelland in de établissementen wakkerde dit de vraag aan voor wandschilderingen van het typische Zuid-Limburgse heuvel-landschap met zijn vakwerkhuizen en grazende koeien (), wat nu zijn expertise werd. Deze vervaardigde hij veelal gedurende de wintermaanden, zodra de koude hem het en plein air werken onmogelijk maakte. In korte tijd wist hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders, op zijn 22e op diverse plekken in het geuldal maar ook elders in Zuid-Limburg decoratieve werken te realiseren, onder andere bij de kroeg De post en La Ruïne in Valkenburg, Romantica in Sibbe, 't Hoonderhöfke in Schoonbron, Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, Café Spierings in Ransdaal, Café De Paardenstal en hotel de Kroon in Epen, Café Oud-Genhei en De Bok in Heerlerheide, restaurant De Mexicaan (i.s.m. Ton Staneke, schilder) in Vaals, een feestzaal in Wijlre en een kroeg in Roermond (i.s.m. Paul Roks, operazanger). Overigens, naast het gegeven dat een schilderwerk in die tijd over het algemeen goedkoper was dan behang, werd wel eens gezegd, bracht de jonge schilder vooral het nodige theater in het betreffende lokaal, wat goed was voor de inloop.
In Valkenburg uitte zijn vaste verfhandelaar van het Huis aan de brug en zelf amateurschilder zijn bezorgdheid, omdat hij zag dat de jonge kunstschilder zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-kunstprojecten. De verfhandelaar en amateurschilder was begaan en hielp de jonge schilder door nog wel eens geregeld verf en doeken voor te schieten en zijn werk voor de verkoop in de winkeletalage tentoon te stellen. De verfhandelaar raadde de jonge schilder aan om eens bij een bevriend en landelijk bekend beeldend kunstenaar Charles Eyck langs te gaan, om bij hem in de leer te gaan en zijn talent daar verder te ontwikkelen. Het daaropvolgend verblijf op het atelier van Charles Eyck in Ravensbosch waar hij gedurende de zomermaanden van 1966 verbleef, bleek echter weinig succesvol. Omdat Charles Eyk nogal autoritair was en geen ware leermeester, schilderde deze voornamelijk zelf en kregen zijn leerlingen gewoonlijk weinig mogelijkheden zich in het schildervak te bekwamen. Beginnende leerlingen mochten doorgaans enkel basiswerk-zaamheden verrichten, zoals het aanbrengen van de grondlaag en het opzetten van de (basis)compositie of penselen schoonmaken. Toen na enkele weken bleek dat het ware meesterschap waar hij toch voor was gekomen te lang op zich liet wachten, raakte deze ongeduldige leerling snel zijn interesse kwijt. Vanaf dat moment bezocht hij het atelier nog maar sporadisch. Op het moment dat Charles Eyck kort op vakantie was, zag Hans Coumans zijn kans schoon en vervolmaakte hij naar eigen inzicht enkele schilderwerken van zijn leermeester. Deze was bij terugkomst allerminst erkentelijk na deze actie en stuurde hem zonder pardon de laan uit. Toch zouden zij blijvend een hechte vriendschap onderhouden en elkaar geregeld treffen bij opdrachten in uitvoering of in Charles Eyck's stamkroeg Michiel de Ruyter, ondanks dat beide schilders verschillende opvattingen over schilderen hadden en elkaar ronduit bekritiseerden. Charles Eyck dacht dat Hans Coumans een groot schilder zou kunnen worden, als hij nou maar eens luisterde (naar zijn leermeester). Zo vond Charles Eyck de werken van zijn collega dikwijls te druk, te onrustig en te rommelig als gevolg van het ontbreken van een heldere basiscompositie of vastomlijnd (krachtig) thema. Doordat Hans Coumans te veel wilde laten zien, dreigde het het onderwerp veelal ondergesneeuwd te raken, waardoor dit aan zeggingskracht inboette. Charles Eyck adviseerde om soms maar gewoon een stuk van het schilderiij af te snijden, zodat er een meer heldere compositie ontstond. Hans Coumans op zijn beurt gaf ruiterlijk toe, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest wat hij op dat moment ronduit vreselijk vond, het nodige van zijn leermeester te hebben opgestoken over het toepassen van kleuren en verftechnieken. Hij was zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar kritisch over zijn schilderkunst. Vooral van Charles Eyck's donkere (melancholische) koloriet en tekenachtige wijze van schilderen was Hans Coumans weinig gecharmeerd. "Charles schildert niet...", verweet hij zijn voormalige leermeester: "Charles is een goede tekenaar, die zijn tekeningen vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken...". Ook over de portretten was hij dikwijls niet te spreken, omdat die in sommige gevallen weinig gelijkend waren. In tegenstelling tot een portret van Charles Eyck die (via constructielijnen) van grof naar fijn werkte, was de ware kunst van een portret volgens Hans Coumans exclusief gelegen in de ogen. Hans Coumans had een virtuoze en krachtige hand, hij speelde met het penseel, het potlood, en zodra hij de ogen van de geportretteerde op papier 'te pakken had', doorgaans in een razendsnel tempo, ontwaakte de hele aard en het wezen en ontvouwde de rest zich als vanzelf. De snelheid en de precisie maakt de portretten uniek en van grote klasse. In zijn algemeenheid, dus niet alleen bij de portretten, is Hans Coumans op zijn best als hij ongebonden kan werken. De ogenschijnlijk vluchtige 'onaf-werken' zijn het meest krachtig. De grove vegen of streken en de suggestie van beweging. Deze zijn opgezet vanuit pure emotie, soms in een moment van opwelling. Zodra de schilder te veel druk ervoer, werd hij nerveus en dan nam de ratio het van de emotie over, zodat hij dikwijls te veel deed, te ver doorging en werken een optelsom van details werden. Door de veelvoud aan informatie en details vervlakten de werken in zekere zin.
Ondanks de kritiek is de invloed van Charles Eyck zichtbaar in enkele werken ()()()()()(), die hij kort daarna vervaardigde, maar de tekenachtige penseelstreken en het donkere, sombere koloriet liet Hans Coumans snel los. "De werken zijn te donker, ze moeten lichter!", was hij keer op keer nogal fel. De werken moesten zoals voorheen weer lichter en vooral 'schilderachtiger' worden ()().
In het Geuldal verkaste de vagebond, de jonge pauperschilder met enkel drie penselen en wat verf op zak, van het ene adres naar het andere en bij gebrek aan geld verrekende hij kost en inwoning met een schilderij of een portret van de gastheer. Na Schoonbron vond hij in 1967 een tijdje onderkomen bij een boer op de Keutenberg in Strucht. Daarna kon hij in Valkenburg terecht in diverse hotels, die soms nog een leegstaande kamer hadden, waaronder enige tijd in het Casinohotel bij een bevriend kastelein en in 1968 drie maanden in het pension Deckers - als dank schilderde hij later de aanblik van Neerhem (). Door een toename van inkomsten, met name als gevolg van de commerciële decoratieve projecten, was Hans Coumans in staat om in 1968 korte tijd een kleine ruimte, eigenlijk niet meer dan een berging, te huren aan de achterzijde van het voormalige gemeentehuis (het huidige museum Land van Valkenburg) in de Grotestraat in het centrum van het mergelstadje. Nadat, even later, het kantoor van de provinciaalse courant De Limburger aan de overkant van de Grotestraat werd opgeheven, verplaatste hij zijn activiteiten naar de vrijgekomen benedenverdieping met grote etalage en opende hij hier zijn schildersatelier. Het voormalige vrije woord moest grote invloed op vrije kunstenaars hebben uitgeoefend, want ook op de bovenverdiepingen waren enkele jonge kunstenaars en een docent tekenen en handvaardigheid gehuisvest. Gevestigd in de Grotestraat, de belangrijkste straat van het Geulstadje, had Hans Coumans nu eindelijk voet aan de grond gekregen en zijn plek gevonden als culturele ondernemer te midden van de plaatselijke middenstand en de kroegen. De kunstschilder-ondernemer (decorateur) sloot feilloos aan bij de aanwezige ambachten zoals de smit, fotograaf, slager, aannemer, juwelier, apotheek, sigarenwinkel en de kleine supermarkt, die hier gesitueerd waren. Als gevolg van zijn werkzaamheden als (houtskool) snelportrettist en decoratieschilder in het Geulstadje, waar hij gezien het aantal opdrachten waardering voor kreeg, ontstond er vraag naar volwassen olieverfportretten, wat nu zijn specialiteit werd. In tegenstelling tot de decoratieve muurschilderingen, kon hij met het portretteren daadwerkelijk laten zien dat hij het penseel machtig was. Als portrettist verkreeg hij binnen de kortste keren plaatselijk erkenning. Zijn portretten waren erg gewild dat zijn atelier overuren draaide. In die tijd stond de etalage van zijn atelier vol met artistieke koopwaar en ook elders in de straat in het merendeel van de kroegen alsook het naastgelegen schutterslokaal () hing zijn werk.
Voor de prijs van een portret van gemiddelde omvang (circa 50 x 60 cm) voor rond de 50 Gulden hoefde je het in ieder geval niet te laten. Hieruit blijkt duidelijk de precaire relatie tussen kunst en geld, dus de waarde van zijn artistieke kwaliteit uitgedrukt in geld. Hij was beslist vol zelfvertrouwen als het op het schilderen aankwam, maar het fenomeen geld was omgekeerd evenredig. Het was altijd al een gevoelige kwestie geweest, van jongs af aan. Het liefst vermeed hij dit onderwerp dan ook waar mogelijk. Geld had geen waarde voor hem, maar ja, je had toch een dak boven je hoofd nodig. Lange tijd had hij als zwervende schilder kost en inwoning verruild via zijn werk, maar in de huidige situatie in de Grotestraat was dit economisch systeem niet meer mogelijk. Doordat hij niet de durf had een 'redelijk' bedrag te rekenen voor een portret of voor zijn vrij werk, deed hij zichzelf beslist te kort. Maar net als schilderen was het ondernemerschap ook een kwestie van beoefening en zou hij hierin moeten groeien. Toch kon hij ondanks dat het kunstenaarsbestaan nog steeds vrij onzeker was, vanwege de afhankelijkheid van opdrachten, voor het eerst in zijn carrière ruimschoots leven van zijn kunst. Tenminste, op bier en walnoten kwam de schilder doorgaans al een heel eind. In een financieel mindere periode kon de schilder een beroep doen op zijn vaste Valkenburgse kameraden. Tesamen met de plaatselijke smit, aannemer en een andere en plein air schilder vormde Hans Coumans een onafscheidelijk creatief kwartet. Behalve dat de leden van het kwartet steevast rijkelijk het broodnodige alcoholische nat achterover schudden in de kroegen die Valkenburg rijk was, werkten zij geregeld gezamenlijk aan allerlei klussen en leenden zij elkaar onderling om beurten geld uit, zodra een lid op zwart zaat zat.
Vanuit zijn atelier in de Grotestraat trok de schilder er veelvuldig op uit om in het Geulstadje en omgeving en plein air te werken, dikwijls vergezeld door die andere Valkenburgse schilder. Overigens kon men nog wel eens ergens in het mergelstadje of langs de Geul een schildersezel met schilderij aantreffen, terwijl de schilder in kwestie in geen velden of wegen te bekennen was. In tegenstelling tot de begeleidende tekst 'ben effe weg' kon de complete schildersuitrusting soms dagenlang onbewaakt in de openbare ruimte staan, zonder dat iemand er mee aan de haal ging. Bij gebrek aan inspiratie was de schilder dan gaan wandelen of genoot hij van een welverdiende pauze in een van de vele kroegen, "want inspiratie komt niet alleen van de Herrgot!". Aangezien de joviale schilder altijd wel ergens bekenden trof, konden die pauzes nog wel eens aardig uit de hand lopen. Die collega-schilder assisteerde tevens af en toe bij muurschilderingen en carnavalswerken in Valkenburg en omstreken. Eind jaren 60 werkte Hans Coumans in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum (i.s.m. John van Oostindië, docent tekenen, schilder alsook Hans Mets, schilder) aan een zeventiende eeuwse zeeslag, waar de schilder het niet kon nalaten om de mensen die van boord sprongen van een zinkend schip af te beelden met polshorloges, transistor radio’s en parachutes. "It's wonderful, it's wonderful", was de reactie van Amerikanen na afloop, die vermoedelijk vooral overdonderd waren door de omvang van het werk. Later (in 1973-1974) zou hij een zelfde soort zeeslag realiseren in de officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht () (i.s.m. Hans Mets, schilder). Bij een opdracht voor voor een typisch Limburgs landschap (i.s.m. John van Oostindië) bij een plaatselijke melkboer in de Sint Pieterstraat, voorzag de schilder het tafereel van stel koeien die onder een paar palmbomen graasden. "prachtig, een echt Limburgs landschap!", complimenteerde de melkboer het tweetal tevreden.
In korte tijd na Charles Eyck had zijn schilderstijl een opvallende verruwing aangenomen - misschien was het een uiting van een 'wilde' periode. De schilderijen zijn 'ruiger' door het gebruik van het palletmes en plamuurmes, waarmee de schilder de verf met losse, ruige streken rijkelijk over het doek uitsmeerde en mengde. Nadien kraste hij dikwijls met de achterkant van het penseel er doorheen, waardoor de onderlaag naar boven kwam. In zekere zin was dit hoewel beperkt een abstrahering ten opzichte van zijn eerdere werken, waardoor hij in een rap tempo kon werken. Maar belangrijker, deze wijze van schilderen dwong hem zich te concentreren op het hoofdthema - een belangrijk inzicht, waar Charles Eyck hem eerder al op had gewezen - en niet op de bijzaken. Deze verandering is duidelijk zichtbaar in de natuurmotieven ()()()()()(), stadsgezichten ()()()(), de enkele stillevens van dat moment ()() als in de portretten ()()()()()()()()()()()(). Bijzonder aan de portretten is dat hoewel hij nogal ruig werkt, hij toch in staat is vaak de gevoelige en delicate karakters te portretteren ()()().
Een kortstondige romance leidde in 1969 tot de geboorte van zijn eerste zoon Roeland, maar omdat de schilder volledig van slag was, omdat hij niet kon omgaan met (de verantwoordelijkheid van) het vaderschap, besloot zij de taak van de opvoeding voor haar eigen rekening te nemen.
Mogelijk had deze ingrijpende gebeurtenis ertoe bijgedragen, dat de schilder even later dat jaar stadsgenoot naar Spanje vergezelde, die voornemens was een kroeg te openen in het kuststadje Calella de Costa aan de op dat moment nog niet zo toeristische Costa Brava. In Calella huurden het tweetal voor 50 gulden per maand een sober ingericht appartement bij een oudere Spaanse dame, die tevens elke dag een avondmaaltijd verzorgde - dit was inbegrepen in de huurprijs. In het kuststadje spreidde het nieuws van de komst van het markante tweetal zich razendsnel, en spoedig leverde dat kleine schilderklussen op, voornamelijk reclamewerken en letterzetten op gevels en etalages. In een mum van tijd maakte Hans Coumans hier aan de Costa's naam als Pintor Holandes. Overigens ging dat letterzetten niet altijd zoals aanvankelijk beoogd, omdat de Limburger vantevoren nooit een plan maakte maar gewoon ergens begon en dan gaandeweg moest zien uit te komen. Zo was hij bij een restaurant bovenaan op de gevel begonnen en eenmaal onderaan aangekomen was hij gedwongen om de laatste letter van de naam dan maar op de stoep te schilderen. Hoewel de eigenaar aanvankelijk erg verbaasd was over het eindresultaat, wisten ze hem te overtuigen dat deze methode juist beter was. In Amsterdam was dit zelfe de nieuwe trend, beweerde het tweetal, omdat veel mensen naar beneden kijkend door de stad liepen en dan de letter opmerkten. Hoe dan ook maakte deze opdracht de weg vrij voor enkele grotere opdrachten van decoratieve schilderingen in diverse établissementen, zoals Hans Coumans gewend was uit het Geuldal. Enkele omvangrijke werken in het chique restaurant La Olla (van wat later bleek de privékok van generaal Franco), waar enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden zich rijkelijk vermaakten, charmeerde een bekende stamgast, de surrealist Salvador Dali zodanig, dat hij de schilder een uitnodiging liet toekomen voor de exclusieve opening van zijn aanstaande tentoonstelling in Barcelona. Op de bewuste dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwaalden de Limburgers echter in het historische centrum met een wirwar aan straten en steegjes, en bij navraag in een plaatselijke bodéga bleken de geneugten des levens toch boeiender dan de opening van een tentoonstelling, waardoor ze nooit de plaats van bestemming bereikten. Het lokaal waar uitbundig Flamenco werd gezongen en gedanst en vooral werd gedronken, bleek een te grote verleiding voor hem (en zijn kameraad). Dat de ontmoeting geen doorgang kon vinden, daar had deze Pintor Holandes weinig boodschap aan. "Ach, die Dali...", Hans Coumans vond hem bij nader inzien toch te elitair en te overdreven. Bovendien had hij niet zo veel met surrealisme. Na zijn activiteiten in Calella en Lloret de Mar werd de schilder door een groep geïnteresseerde Mexicanen uitgenodigd om in Benidorm een compleet nieuwe discotheek van muurschilderingen te voorzien. Dit was een megaklus, die hem veel succes zou kunnen opleveren. Echter, na ruim een maand werk werd hij dupe van oplichting en kreeg hij niet uitbetaald. Na dit voorval vergezeld met de nodige bedreiging besloot hij ontgoocheld en volledig berooid na een dik half jaar aan de Spaanse Costa's terug te keren, deels te voet en deels liftend, naar Nederland.

In het Geuldal van de late jaren 60 was Hans Coumans uitgegroeid tot een populaire en plein air schilder. Al schilderend omringt door toeristen en geïnteresseerden vormde de schilder een toeristische attractie vergelijkbaar met de taferelen in het wereldberoemde kunstenaarskwartier Montmartre in Parijs, waarmee hij ook ander kunstschilders inspireerde om in de buitenlucht te gaan schilderen. In Zuid-Limburg had Hans Coumans ruim 40 grote decoratieve werken weten te realiseren - inmiddels onder andere bij restaurant Calipso, De Vesting (), Valkenhof, Gouden Leeuw, De Hel, restaurant El Castrillo, 't Grendelpoortje () en pension Mimosa () en de melkboer in de St.Pieterstaat (i.s.m. John van Oostindië) in Valkenburg. Daarnaast had hij een groot werk in de officiersmess op de militaire NATO-basis Afcent in Brunssum (i.s.m. Hans Mets, schilder alsook i.s.m. John van Oostindië, docent tekenen, schilder) gerealiseerd en even later (in 1973-1974) de volledige officiersmess op de Tapijnkazerne in Maastricht () beschilderd (i.s.m. Hans Mets, schilder). Ook had hij in 1969 het houtskool overgenomen van Albert Widdershoven, die tot voorheen de vaste grottekenaar van het mergelstadje was. In de Gemeentegrot vereeuwigde de schilder onder andere de carnavalsprinsen ()() en -prinsessen, Albert Widdershoven (), Jef Habets (oprichter Gemeentegrot) en de voormalige burgemeester Breekpot (). Ook in de andere grotten vervaardigde hij werken. In de steenkolenmijn bijvoorbeeld werkte hij aan een tweetal grote thematische taferelen over het boerenleven in de middeleeuwen () en de prehistorische jacht (), voor het opvallende oog voorzien van een helicopter en een jager met geweer. Verder schilderde hij werken voor de schutterij en decors voor de plaatselijke toneelverenigingen. In 1970 beschilderde hij (i.s.m. John van Oostindië) de carnavalswagen van prins Giep II, kastelein van café Valkenhof, waarvoor het tweetal de eretitel 'de hofschilders van Giep II' uitgereikt kreeg op de carnavalszitting. Om in de carnavalstemming te blijven huurden de schilders een Sinterklaas en Pietenpak om vervolgens onherkenbaar in de optocht mee te lopen als de eerste Bisschop van Vallekeberg Sjoane Weck, als een reactie op de locale politiek van dat moment (overigens wonnen ze voor deze creatie ook de eerste prijs, maar omdat ze de inschrijving niet hadden geregeld, ging de prijs aan hun neus voorbij).
Ofschoon het gemakkelijke geld en het rijkelijke Bourgondische sociale leven in de plaatselijke kroegen grote aantrekkingskracht uitoefenden, hield dit de schilder evenwel lange tijd gevangen, en weerhield dit hem om zich te richten op datgene waar zijn hart lag: de vrije kunst. Financiële onafhankelijkheid, waar hij trots op was dit als een van de weinige schilders bereikt te hebben in tegenstelling tot veel andere (beginnende) afgestudeerde kunstschilders die een beroep deden op BKR-regeling, betekende nog geen artistieke vrijheid. Integendeel. In het artikel 'De andere Hans Coumans' even later uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar van binnen ging hij kapot, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Het zelfpredikaat "... schilder van het volk", was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige pad van de vrije kunst.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te bekwamen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers en Charles Eyck - vatte de schilder dit telkens op als pedanterie. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus Christine van Kempen. De hoteldochter Van Kempen uit het mergelstadje, die hij al 20 jaar niet had gezien, stond opeens (niet wetende wie deze schilder was) voor de deur. Twee plaatselijk befaamde, markante, onafscheidelijke zussen (van de moeder van Christine van Kempen) - zij woonden hun hele leven al bij elkaar - hadden hun jonge nicht naar de schilder gestuurd voor de vervaardiging van een portret (van haar), als cadeau voor het bronzen huwelijk van haar ouders. Dit déjà vu leidde niet alleen tot een portret, maar ook tot een hartstochtelijke liefdesrelatie en uiteindelijk een half jaar later op 30 juli 1970 tot een huwelijk. Op de dag van het huwelijk betrok het kersverse stel hun gezamenlijke woning, een voormalige sigarenwinkel met een grote etalage en bovenwoning in de Lindenlaan, dat zij dankzij een lening van de twee tantes Van Kempen hadden kunnen aankopen. Ofschoon Christine van Kempen (kennelijk) enkel woord had gehouden dat zij en de schilder ooit nog een keer in het huwelijksbootje zouden stappen, was het schilderachtige Geulstadje met stomheid geslagen. Niemand had voor mogelijk gehouden dat die eeuwige vrije vogel zoals hij werd gezien, die bohemien, een verbindenis was aangegaan met zo een keurig meisje (van gegoede komaf). Afgaande op een houtskoolportret () van zijn vrouw moest de schilder zelf ook verbaasd zijn geweest, dat hij na al die tijd, nu een eigen vrouw had. De ouders, de uit Enkhuizen afkomstige Gérardus Theodorus (Gé) van Kempen en de Valkenburgse Jeanneta (Jeanne) Jennekes waren eveneens vol ongeloof en aangeslagen door de voornemens van hun enige dochter. Haar moeder huilde gedurende de huwelijksseremonie, en dat was allesbehalve van geluk. De hotelfamilie had vanwege hun diverse hotels waaronder in de oorlog Bellevue, later Continental en op dat moment hotel Limburgia aanzien in het toeristenstadje. Daarnaast was de familie vanwege hun inzet voor de gemeenschap gedurende de oorlog - Gé van Kempen was lid van het verzet en het door de Duitsers geconfisceerde hotel Bellevue sluisde voedsel door naar de inwoners - en vanwege hun maatschappelijke betrokkenheid door de oprichting van het zangkoor Walram en allerlei verenigingen erg geliefd bij de inwonders. De ouders Van Kempen, die her en der navraag hadden gedaan, waren van mening dat deze vrije schilder nooit een goede partij voor hun dochter zou kunnen zijn. Naast dat Hans Coumans in het Geulstadje de reputatie had als flamboyante bourgondiër, kon de schilder onmogelijk de kost niet verdienen voor zijn toekomstige vrouw. Zelfs meneer pastoor was al een keer komen praten om haar op andere gedachte te brengen. Maar voor Christine van Kempen, die na haar studie psychiatrie in Deventer inmiddels in het psychiatrisch centrum 'Vijverdal' in Maastricht werkzaam was en dus financieel onafhankelijk, betekende de verbintenis met deze vrije man een avontuur en een vlucht uit de stramienen van het hotelwezen, terwijl haar twee oudere broers het hotelwezen voortzetten. Christine van Kempen was uiteindelijk degene die Hans Coumans na al die onstuimige jaren stabiliteit bracht. Zij gaf de schilder niet alleen het nodige zelfbesef (dat hij tot meer in staat was dan gezellige landschapjes met huisjes en koeien) maar spoorde hem aan zijn cynisme - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - te laten varen en bewoog hem toch vooral tot het maken van een keuze wie hij wilde zijn: de artistieke vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De liefde voor haar betekende een definitief keerpunt in zijn schildersloopbaan, waarbij hij afscheid nam van het vrijbuitersleven om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen.
Het afslaan van commerciële opdrachten luidde evenwel een onzekere financiële periode in, wat een weerslag had op het jonge huwelijk. Zeker met hun eerste zoon Serge op komst zou zijn vrouw haar vaste baan op Vijverdal beëindigen en zich volledig gaan richten op de opvoeding. Haar ouders hadden haar destijds meermaals gewaarschuwd voor haar keuze voor deze schilder, maar dit gekozen pad was een éénrichtingsweg. Ze kon niet meer terug. Ook zij had eerder deelgenomen aan het rijkelijke bourgondische leven van de schilder, echter nu de inkomsten drastisch terugliepen, bleek het voor de hoteldochter toch een opoffering. Ze eiste, dat indien hij als schilder serieus genomen wilde worden, waar zij haar onvoorwaardelijke steun aan had gegeven, dat hij zich eens navenant zou moeten gaan gedragen en verantwoordelijkheid moest gaan nemen voor zijn gezin. Het moest voortaan afgelopen zijn met "die onzin" met collega-schilders in de kroegen van soms al vroeg op de dag tot 's avondslaat of dat uitbetaling in natura geschiedde, terwijl er thuis honger was of geld nodig was om de rekeningen te betalen. In het verleden kon hij geregeld her en der meeëten, werd wel eens betaald met een kop soep of kreeg hij één glas bier per gezette letter. Een keer ontving hij 150 flessen exclusieve wijn Chateau Petrus, destijds voor een portret van een staalmagnaat () uit Maastricht, die er in een mum van tijd doorheen waren. Zij stelde hem dan ook het ultimatum om te kiezen voor zijn kroegenleven of zijn jonge gezin. Geld was altijd al een hekel punt, maar de schilder had er zelf een groot aandeel in. Zijn vrouw stond niet meer toe dat hij zomaar werken cadeau gaf (aan iemand die hij graag mocht) of dat hij schilderde als een ruildienst of werken meegaf aan geïnteresseerden zodat deze het in hun huis konden ophangen en bekijken of het beviel, terwijl hij zich even later niet meer kon herinneren aan wie hij het had meegegeven. Ook werd er misbruik van hem gemaakt, omdat men nog wel eens een schilderij voor een habbekrats kon verkrijgen op het moment dat de schilder honger had. Maar ook eergevoel kostte veel geld, zoals een keer in de Valkenburgse kroeg 't Grendelpoortje' een plaatselijke slager ten overstaande van iedereen riep: "schilder, ik geef je 800 Gulden voor dat doek...", waarop de schilder zich omdraaide en zei: "Slager... jij hebt mij te veel geld..." om zich vervolgens naar een andere dorpsgenoot te wenden, dat deze het werk voor 200 Gulden mocht hebben, die direct akkoord ging.
Gaandeweg wist hij dit geestelijke knelpunt op te lossen en op schildervlak nieuwe thema's te ontwikkelen en zijn productie te vergroten. Zeker zou hij af en toe nog een commerciële opdracht aannemen, maar het accent lag nu op het schilderen wat hij zelf wilde. En het bovenmatige kroegenbezoek zou hij nu matigen, maar de urenlange wandelingen door de natuur, dat hoorde nou eenmaal bij het schildersvak en dat bracht de geest tot rust. Vanaf dat moment was hij dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in en rondom Valkenburg, zoals in het centrum nabij het Huis aan de brug ()()()(), kasteel Den Halder (), de sluis (), de Grendelpoort () en de watermolen (), in de Bogaardlaan () als ook in de Lindelaan ()(), de Kerkstraat ()() en op de Cauberg (). Verder werkte hij in de omgeving nabij Kasteel Oost ()()(), het Geulstrand () en Kasteel Schaloen ()()() in Oud-Valkenburg. Gedurende de wintermaanden, zodra de vrieskou het werken in de buitenlucht onmogelijk maakte, legde hij zich toe op het portretteren ()()()()()()()()()()()()()()(), het schilderen van bloemstillevens en wildboeketten ()()()()()() en andere verzoeken, waaraan hij in zijn atelier in de Lindenlaan onafgebroken kon werken. Ook maakte hij enkele werken van zijn vrouw, waaronder schetsen ()()() en enkele volwassen olieverfschilderijen onder meer met zijn vrouw als Spaanse zigeunerin () en als Spaanse bruid (), een groot werk waaraan te zien is, dat hij er met veel bezieling heeft gewerkt.
Met de hulp van bevriende kastelein, die zelf enkele werken in bezit had en wiens eethuis De Vesting volledig was beschilderd (), was het mogelijk om in het café 't Jachthoes in 1974 een eerste grote 'serieuze' tentoonstelling te organiseren met circa 30 werken, waarvan ongeveer de helft werd verkocht.
De atelierwoning in de Lindenlaan vormde behalve een expositieruimte ook een ontmoetingsplek voor kunstenaars en gelijkgestemden, waar politiek en de maatschappij onderwerp van discussie was. Naast zijn koopwaar exposeerde de schilder geregeld zijn ongenoegen over actuele maatschappelijke en (plaatselijke) politieke gebeurtenissen of soortgelijke aard. Zo schilderde hij in 1973 als reactie op de oliecrisis het politieke werk () met daarop gebroederlijk Paus Johannes Paulus II en Ruhollah Musavi Khomeini. Rond diezelfde tijd was de schilder zeer ontstemd over het feit dat een recent aangetreden en vooraanstand lid van het Bisdom in Roermond zijn ambswoning voor maar liefst 600.000 Gulden had laten verbouwen, terwijl diezelfde persoon opriep tot nederigheid. Hoewel het oorspronkelijke protestwerk met de persoon in kwestie voorzien van een verwijzing naar de tien geboden verloren is gegaan, bestaat er wel nog een open brief () met een verklaring en reactie op de commotie, waarin de schilder het betreffend lid betichtte van arrogantie, terwijl God volgens ondergetekende niet van arrogantie houdt. De schilder had al een bezoek van het Bisdom Roermond gekregen met het vriendelijke verzoek om het plakkaat te verwijderen, maar de bedreigingen aan zijn adres (zijn gezin) deed hem uiteindelijk besluiten zijn protestactie te staken. Maar ook luchtigere zaken kwamen aan de orde, zoals een reactie op de nieuwe trend van plantaardige producten, waarbij de schilder een bloem in een kuipje boter had gestoken onder de vermelding, dat bij deze bewezen was dat boter plantaardig was.
Dat Hans Coumans in een andere levensfase terecht was gekomen, had zichtbaar uitwerking op de wijze van schilderen. Zijn vrouw had hem heel wat innerlijke onrust ontnomen, wat zichtbaar is in de werken die hij niet lang na hun ontmoeting vanaf 1970 maakte. De schilderijen zijn plotsklaps ontdaan van hun ruwe karakter, omdat hij opeens niet meer of nog maar incidenteel met het plamuurmes werkt. In plaats daarvan beschikken de schilderijen over een zachtere, lossere (lichtere) toets en is het koloriet frivoler () en geraffineerd complexer, dat de werken (hoewel zeker niet alle) sprankelen. De werken zijn sowieso lichter in gewicht doordat de schilder minder verf gebruikt. Soms is de kleur van het naakte doek (dus zonder basislaag) () onderdeel van de kleurschakering van een werk.

Na een paar jaar structureel in en rondom Valkenburg geschilderd te hebben, ontstond in 1974 onenigheid met de gemeente Valkenburg - op dat moment was zijn schoonbroer wethouder en loco-burgemeester - over de verplichting van een ventvergunning voor het werken in de openbare ruimte. Hans Coumans was woedend en demonstreerde voor het gemeentehuis, dat de gemeente, sterker nog zijn eigen schoonbroer, het deze arme schilder onmogelijk maakte om voor zijn vrouw en kind te zorgen. Volgens de schilder was schilderen in de buitenlucht niets anders dan het maken van een foto. Snelportretteren op de terrassen en in de kroegen, dat viel hier wel onder, erkende hij, en dat zou hij dan voortaan ook niet meer doen. Nota bene zou de gemeente erkentelijk moeten zijn, aangezien deze schilder tenminste nog iets van cultuur bracht in het VVD-bolwerk, waar enkel oog was voor commercie. Vanwege de gemoederen (binnen de familie) die nogal hoog opliepen, besloot hij vanaf het begin van de zomer in dat jaar voor een half jaar uit te wijken naar Binche in België, waar het kunstenaarsgezin hun intrek nam op Chateau du Bois d'Angre, eigendom van een bevriende Valkenburgse familie. In Binche kon het gezin van alle rust genieten en trokken ze er te voet op uit in de licht glooiende velden en de bossen van Zuid-België en Noord-Frankrijk. Als dank voor het verblijf werkte de schilder aan een grote wandschildering in het chateau en schilderde hij een drietal werken ()(). Daarnaast schilderde hij enkele werken in de omgeving van Charlerois.
Weer teruggekeerd in de Lindenlaan richtte hij zich voornamelijk op het schilderen in de natuur. Porttrettekenen zou hij in principe hoofdzakelijk nog op braderieën, jaarlijkse markten of andere evenementen doen, zodat de benodigde papieren voor hem werden geregeld - want regelen, dat was niets voor de schilder. Dat de rust weder was gekeerd, was echter schijn. Het hart van Valkenburg onderging namelijk vanaf begin 70-er jaren geleidelijk aan een transformatieproces (schaalvergroting), wat voor een toenemende afkeer zorgde bij de schilder. Het knaagde zeer, dat de grip van de commercie, de vernieuwingsdrift en de opkomst van het massatoerisme ervoor zorgden, dat de diversiteit in het centrum met zijn uiteenlopende ambachten geleidelijk aan moest wijken voor een monocultuur van horeca en dat voor het mergelstadje beeldbepalende monumentale, historische panden waaronder hotel 'Oranje Nassau' en hotel 'Franssen' omwille vluchtige economische belangen werden afgebroken en vervangen door anonieme, grootschalige moderne architectuur. Dit betekende de afbraak van de unieke identiteit van het authentieke mergelstadje. En die authentieke identiteit maakte het stadje nou juist bij veel mensen geliefd, meende de schilder. Het pittoreske karakter moest inboeten voor vervlakking, de uitzondelijkheid moest plaatsmaken voor de algemeenheid. Diverse keren tekende de schilder protest aan bij de gemeente aan of droeg hij alternatieven aan. Zo betichtte de schilder de plaatselijke schoonheidscommissie van de gemeente van afhankelijkheid, aangezien het nieuwe bankgebouw werd voorzien van een marmeren gevel, terwijl het voor de gemiddelde inwoner strikte regel was om bij nieuwbouw, en zeker in het centrum van Valkenburg, mergel toe te passen. Zelfs het plaatsen van een dakkapel was een moeizaam burocratisch proces. Een andere keer wilde de gemeente de oude gietijzeren lantaarnpalen in het centrum en dus ook in de Lindenlaan te vervangen door een strak eigentijds model. De schilder was het met deze ingreep niet eens en tekende protest aan. In overleg met de plaatselijke smit stelde de schilder een historiserende lantaarn voor om het karakter van de straat te behouden.
Als gevolg van diverse overstomingen in Valkenburg, die ook de Lindenlaan raakten, vond eind 1974 begin 1975 een verbouwing plaats aan de atelierwoning. Om ervoor te zorgen dat de binnenplaats voortaan niet meer overstroomde, werd deze overkapt door transparante, lichtdoorlatende golfplaten en bij het atelier getrokken, dat nu verdubbelde in omvang. Het transparante dak was ideaal vanwege de natuurlijke lichtopbrengst, zeker voor de portretkunst, en de extra capaciteit was zeer wenselijk vanwege de toename in de productie. Omdat de verbouwing de schilder een rip uit zijn lijf had gekost, kon hij het niet nalaten om een notitie in de etalage te plaatsen: 'na de verbouwing zijn de schilderijen duurder'.
In de tussentijd leidde de toenemende toestroom van toeristen, die volgens de schilder ordinaire zo niet hedonistische taferelen met zich mee droeg, dikwijls tot een rumoerige, grimmige sfeer in het mergelstadje, waaraan de Lindenlaan eveneens ten prooi viel. In Valkenburg werden meer en meer 'goedkope' hotels ingelijfd en diverse campings gingen zich specifiek richten op jongeren, en ook in de Lindenlaan verschenen twee nieuwe hotels. Behalve de nachtenlange geluidsoverlast van groepen jongeren in het naastgelegen hotel veroorzaakte met name brandgevaar een ernstige aantasting van het woongenot van het kunstenaarsgezin. Omdat diverse overleggen met de buren tot grote frustratie bij de schilder op niets uitliep en bouwkundige maatregelen - een extra woningscheidende wand - geen verbetering bracht, restte de schilder tot groot verdriet niets anders dan zijn ooit zo geliefde Valkenburg definitief de rug toe te keren.

Dankzij een bevriend Valkenburgse kastelein - hij was de zoon van de chateau-familie - en tevens vastgoedhandelaar kon het kunstenaarsgezin, met hun tweede zoon Jarosj op komst, vanaf de zomer van 1976 terecht in het rustigere forenzendorp Nuth. De kastelein was sinds enige tijd eigenaar van het imposante voormalige gezellenhuis met bijgebouwen en een groot park 'Ons Thuis' en later nonnenklooster-bejaardenhuis 'Huize Maria' van de congregatie Dochters der Liefde aan de Stationsstraat. Omdat het kloostercomplex in 1973 was afgekeurd voor bewoning en op den duur zou worden afgebroken om het terrein te herontwikkelen, was in het kloostergebouw vanaf 1975 tijdelijk een asielzoekerscentrum (AZC) gehuisvest voor de opvang van circa 200 rijksimmigranten en kon het kunstenaarsgezin tot aan de sloop kostenloos antikraak een deel van het bijgebouw - dit was het voormalige Groene Kruisgebouw - bewonen, terwijl het andere deel werd verhuurd aan de plaatselijke scouting.
In Nuth trok Hans Coumans te voet of per fiets erop uit om te werken in de omgeving van Terstraten ()()() en rondom Wijnandsrade (). In zijn atelier werkte hij veelal aan stillevens ()()()() en portetten ()()()()()() Tussentijds vervaardigd hij een portret van zijn vrouw met zijn twee jonge zoons (). Door het contact met de buren ontmoette de schilder een Creoolse dame, wiens schoonheid een overweldigende indruk op hem maakte, dat hij haar vroeg te poseren. Hoewel dat niet bekend is, vertoont het portret grote gelijkenis met Maria en haar kind (), omgeven door een aura van goud licht. Geregeld bezocht hij Valkenburg, voornamelijk voor opdrachten van portretten ()()()()()()(). Omdat hij niet in het bezit was van een rijbewijs, ging hij geregeld met de bus, de fiets of wandelend naar Valkenburg, maar op verzoek werd hij opgehaald en thuisgebracht door de opdrachtgever. Omdat de schilder zelf een afkeer had van auto's - als medepassagier was hij voortdurend angstig en op zijn hoede voor mogelijke ongelukken - besloot zijn vrouw om rijlessen te gaan nemen, zodat het kunstenaarsgezin in ieder geval mobiel was.
In Nuth kreeg de schilder eindelijk de financiële kwestie onder controle, wat ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef. Voor het eerst in zijn leven ontving hij een aanslag van maar liefst 2.000 Gulden, een astronomisch bedrag voor een kunstschilder, aldus de schilder. Hij was furieus, omdat hij in tegenstelling tot veel collega-kunstenaars in zijn loopbaan (uit principe) nooit een beroep had gedaan op de BKR-regeling en dat men hem nu zijn zuur verdiende geld durfde af te pakken. Vanaf dan zou er een innige briefwisseling met de belastingdienst ontstaan, waar nooit een einde aan zou komen, en die volgens sommigen net zo innig moet zijn geweest als die van die andere schilder Vincent van Gogh en zijn broer Theo. De frustratie resulteerde in een kritisch schilderij (), waarin hij zichzelf afbeelde als armoedzaaier, die in zijn eentje de last van de hele wereld op zich moest zien te nemen.
Ofschoon Nuth de schilder had verlost van de stresvolle situatie in Valkenburg, ontbrak het Nuth aan een uitgesproken karakter en een uitbundig gemeenschapsleven - het dorp was eerder slaperig. Dit zorgde ervoor dat de schilder, weg van het bruisende Valkenburg waar hij zo gehecht aan was geraakt - hier had hij zijn plek tussen de mensen gevonden - steeds meer in een sociaal isolement belandde en hij in een mineurstemming terecht kwam. Daarnaast begon geleidelijk aan geluidsoverlast van de directe buren, de scouting Hewig, die de andere helft van het gebouw bewoonde. De jongerenvereniging organiseerde geregeld activiteiten en draaide popmuziek, die doordreunde tot in het atelier van de schilder en de klassieke muziek overstemde. Hoewel het geluidsniveau op verzoek van de politie daalde tot onder de maximaal toegestane norm, was dit voldoende stressvol voor de sensitieve schilder die veelal geconcentreerd werkte. Alsof dat nog niet genoeg was, ontstond er in de loop van de tijd drugsoverlast in het klooster, waar het AZC gehuisvest was. Van 's ochtendsvroeg tot 's avonds laat werd intensief heroïne gedeald, er heerstte een grimmige sfeer als gevolg van allerlei ongenode bezoekers en het park lag soms bezaaid met gebruikte drugsnaalden, wat de schilder zeer nerveus maakte vanwege het gevaar voor zijn twee kinderen. Dat hij niet goed in zijn vel zat, had zeker gevolgen voor zijn schilderijen. De sluimerende nerveusiteit vanaf 1979 maakte het intuïtief werken geregeld onmogelijk. Enkele werken die hij op dat moment maakte missen de eerdere spontaniteit en aantrekkelijke spanning in compositie en kleur. In plaats van een krachtig centraal thema, lijken enkele werken te zijn samengesteld uit details of deelthema's. Dit is onder andere te zien bij een groot stilleven (), twee landschappen ()() als ook een portret van dirigent Passmans uit Schin () ter ere van diens afscheid. Toen hij na een inbraak en intimidatie van zijn vrouw verhaal ging halen bij de buren, vond er een gericht schietincident op zijn huis plaats en was het gezin gedwongen om halsoverkop onder leiding van een politie-escorte hun woonhuis te verlaten. Deze situatie bezorgde de schilder een zenuwinzinking en achtervolgingswaan. Via vrienden vond het gezin drie weken toevlucht in een vakantiepension in Mechelen - hier portretteerde hij de eigenaar, zijn vrouw en dochter ()()() - daarna drie weken in Slenaken eveneens in een pension - hier vervaardigde hij twee muurschilderingen ()() als ook twee schilderijen ()() - en aansluitend nog enkele weken bij kennissen op de zolderverdieping in Hoensbroek - een paar jaar later portretteerde hij meneer en mevrouw ()(). Hij ging volledig door het lint, toen hij in Hoensbroek op een markt, waar hij als snelportrettist aan het werk was, dacht zijn belagers te zien. Als gevolg hiervan werd hij opgepakt en een nacht opgenomen in Psychiatrisch Centrum Welterhof in Heerlen. In de tussentijd vond er een grote inval plaats bij het AZC - deze actie bleek al weken in voorbereiding - waarbij de politie een aantal mensen arresteerde en het centrum uiteindelijk werd gesloten. Nadat de rust was wedergekeerd, keerde de schilder en zijn gezin nog maar voor korte tijd terug naar Nuth. Vanwege de aanvang van de herontwikkelingsplannen in 1981 was het gezin uiteindelijk gedwongen om Nuth te verlaten.

Via een bevriend makelaar vestigde het kunstenaarsgezin zich, nu met hun dochter Carmen op komst, in het plattelandsdorp Bingelrade, waar de schilder de imposante voormalige dorpstheater, in de volksmond 'de ouw harmoniezaal', aankocht. Het theater was centraal gelegen in het dorp, schuin tegenover de kerk en de plaatselijke kroeg. Binnen de kortste keren gonste het door tot in Valkenburg, dat de theaterman nu zijn eigen theater had aangeschaft. Ondanks dat de makelaar het theater vanwege de hechte band zonder winstoogmerk aanbood, was de aankoop van 35.000 Gulden onbetaalbaar voor de schilder. Zodoende zou het gezin een van de twee Valkenburgse tantes laten inwonen - haar zus was een paar jaar eerder overleden - die met haar inmiddels 72 jarige leeftijd haar pensioenjaren hier in alle rust zou kunnen doorbrengen. Na de aankoop zou het ruim een half jaar duren voordat de harmoniezaal was getransformeerd van een open balzaal tot een volwaardige atelierwoning met het atelier van de schilder op de voormalige bühne en een afzonderlijk appartement voor de tante op het voormalige theaterbalkon boven de entree. Het was vooral dankzij de schildersvrouw, die tijdens de bouw aanwezig was en alles regelde alsook een elektricien uit de nabij gelegen Viel en enkele Valkenburgse kameraden, dat de verbouwing uiteindelijk slaagde. De schilder was niet actief betrokken bij de verbouwing. Als hij überhaupt al iets deed, dan was het schilderen. Dat was het enige wat hij kon, beargumenteerde hij.
De schilder ging sinds enige tijd gebukt onder een sluimerende chronische voorhoofdsholteontsteking, die hij waarschijnlijk langere tijd onder de leden had maar steeds heviger werd en hem het normaal functioneren af en toe onmogelijk maakte. Het was onduidelijk waar die chronische ontsteking het gevolg van was, maar na allergie-onderzoek in het ziekenhuis St.Gregorius Schuttershof in Brunssum moest verf als vermoedelijke boosdoener worden gezien. Niet zozeer het pigment alswel de verdunners zoals olie, terpetine, medium, thinner, allemaal zeer agressieve producten die zeker op de lange duur schadelijke effecten op het lichaam hebben. Door de aanhoudende allergische reactie was hij extra vatbaar en zeker in combinatie met het werken in de buitenlucht in extreme omstandigheden, in weer en wind soms in de vrieskou gedurende de gehele dag, was allesbehalve een ideale situatie. Het enige wat hij kon doen, was zijn hoofd tegen de weersinvloeden beschermen. Sindsdien droeg hij dan ook onafgebroken een muts. Direct gevolg van zijn lichamelijke conditie was, dat de inkomsten drastisch daalden en de schilder nauwelijks nog in staat was om schildersbenodigdheden in te kopen. Maar afstand doen van het schilderen was geen optie. En overstappen op andere technieken zoals aquarel of gouache was ook geen optie. Met andere technieken waren immers die dramatische effecten haast onmogelijk te bereiken zoals met het krachtige olieverf mogelijk is. Ondanks de voorhoofdsholteontsteking ging hij toch schilderen en weigerde hij om een ziekte-uitkering van de gemeente te accepteren. Immers, hij had zijn hele leven elke vorm van overheidssteun geweigerd. Nadat de wethouder van de gemeente Onderbanken met portefeuille o.a. sociale zaken en welzijnszaken in 1982 door een ambtenaar hiervan op de hoogte werd gesteld, bracht deze bezorgd een bezoek aan het kunstenaarsgezin. Overigens was wethouder stomverbaasd, dat deze schilder nog nooit van zoiets als kindergeld had gehoord en ook niet begreep waarom je überhaupt gratis geld voor een kind zou moeten krijgen. Hoewel de wethouder probeerde de schilder te overreden om een ziekte-uitkering te accepteren, waarop hij en zijn gezin gewoon recht had, bleef de schilder bij het standpunt dat hij en niemand anders de kost voor zijn gezin zou verdienen. En in dat denkbeeld paste geen uitkering. Uiteindelijk zou de schilder akkoord gaan met een lening van 1.250 Gulden om schildersbenodigdheden aan te schaffen. Deze lening mocht hij aflossen door zijn atelier open te stellen voor schilderles aan het jeugdwerk van Schinveld en aan andere maatschappelijke organisaties binnen de gemeente.
Toen in 1982 het atelierhuis eenmaal voor bewoning gereed was, zijn vrouw en de tante het naar hun zin hadden, de kinderen met plezier naar school gingen en hij in alle vrijheid kon schilderen, maakte hij voor de eerste keer kennis met het fenomeen 'geluk'. Hier in Bingelrade had hij een persoonlijke mijlpaal bereikt, wat hij van jongs af aan had nagestreefd en destijds niemand voor mogelijk achtte: zijn ouders niet en het dorp niet. Gevestigd in deze groene omgeving ervoer hij voor het eerst een gevoel van compleetheid. Dit bracht hem de langgekoesterde rust, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst. In deze periode ontstond er ook weer contact met zijn voormalige romance en kwam hun zoon Roeland ter sprake. Ook bezocht hij weer af en toe zijn ouders in Strucht, die hij even later zou portretteren in een dubbelportret () - overigens vond zijn moeder dat zij in haar ogen veel te streng was afgebeeld.
Na een 'mindere' tijd in Nuth brak in Bingelrade voor het eerst sinds lange tijd een persoonlijke en artistieke bloeiperiode aan. Zijn serieuze kunstinspanningen begonnen serieus vruchten af te werpen en hij verkreeg groeiende belangstelling voor zijn Heuvellandmotieven - zijn favoriete onderwerp - in de provincie. De laatste vijf jaar van zijn kunstenaarscarrière genoot Hans Coumans zowel artistieke als financiële voorspoed. In de provincie had hij inmiddels naamsbekendheid verkregen als respectabel schilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. Vanuit Bingelrade trok hij ondanks zijn blijvende voorhoofdsholteontsteking door weer en wind te voet of te fiets met zijn schildersuitrusting onder zijn arm naar Jabeek, Schinveld (), Etzenrade ()(), Doenrade en schilderde hij de typische vergezichten ()()()()() en holle wegen ()()()()()()(). In Amstenrade bezocht hij geregeld het gebied rondom het kasteel () en in Schinveld nabij de kerk (). Veelvuldig verkende hij de grens met Duitsland om in en rondom Gangelt (), Minder-Gangelt () en Wehr te werken. Op zijn atelier werkte de schilder veelal aan stillevens ()()()()()()()()()()() en olieverfportretten ()()()()()()()()()()() alsook houtskoolportretten ()()()()()()()()()()()(). Verder was hij snelportrettist ()()()()() inmiddels niet alleen op de diverse jaarlijkse markten en braderiën in de omgeving, waaronder de St. Joep markt in Sittard, maar als vaste gast via een organisatiebureau (van markten) door heel Limburg. Dikwijls vertoonde hij gedurende de zaterdagen zijn sneltekenkunsten her en der in de diverse winkelcentra. Na een korte reis naar Spanje met de Valkenburgse stadgenoot waarmee hij al eerder aan de Costa's had gezeten voor een opdracht van een aantal portretten, trok hij ook weer geregeld naar het Geuldal, naar Valkenburg en omgeving. Nu zijn vrouw haar rijbewijs had behaald en het kunstenaarsgezin mobiel was, bracht zij haar man 's ochtends naar Valkenburg of naar de vele andere plekken in Zuid-Limburg en haalde zij hem 's avonds weer op. Overigens had hij tegen die tijd een panische angst ontwikkeld voor het meerijden in een auto, dat rijden voor de bestuurder bepaald geen pretje was. In Valkenburg en omgeving vereeuwigde hij opnieuw de typische taferelen op canvas en opnieuw stond hij volop in het middelpunt van de belangstelling. Zo schilderde hij weer op zijn geliefde plekken nabij het Huis aan de brug (), in de Bogaardlaan ()()(), de Grotestraat () en in het Odapark () als ook op de Cauberg (), bij het Geulstrand (), Kasteel Oost () en Kasteel Schaloen ()(). Verder werkte hij in Sibbe (), Houthem (), Cadier en Keer (), in Schweikhuizen (), Slenaken en in Terstraten ()()(), waar hij de typische vakwerkhuizen portretteerde.
Het verzoek voor schilderlessen van een plaatselijke timmerman en tevens amateurschilder uit de nabij gelegen Viel, tevens lid van een schildervereniging in Sittard, leidde ertoe dat de schilder zijn atelier openstelde voor onderricht. Aanvankelijk hield de schilder vol, dat hij zich hier niet mee bezighield vanwege de 'trammelant' dat dit met zich meebracht, maar eigenlijk had hij gewoonweg geen idee hoe hij dit zou moeten organiseren. Na een paar bezoeken van de amateurschilder aan het atelier gevolgd door een oefensessie werd afgesproken, dat indien de plaatselijke amateurschilder de leerling-kandidaten alsook de financiële afhandeling zou regelen - men moest de schilder niet lastig vallen met financiële kwesties - dat Hans Coumans bereid was om les te geven. Nadat het netwerk en een advertentie in de krant binnen de korste keren de nodige respons had opgeleverd, zou de schilder vanaf dat moment een paar keer per week afwisselend overdag en 's avonds een internationaal gemêleerd publiek (met een gemiddelde omvang van 8 personen) verwelkomen op zijn atelier. Om iedereen op het atelier te voorzien van een werkplek vervaardigde de amateurschilder annex timmerman eigenhandig een aantal schildersezels. Onder de leerlingen bevonden zich amateurschilders van alle leeftijden, scholieren van het College in Sittard, jongeren van de jeugdzorg Schinveld, studenten van de kunstacademie - deze werden doorverwezen door docenten van de kunstacademie in Maastricht - en afgestudeerde academici. Op het atelier werd zoals gebruikelijk net zo enthousiast geouwehoerd, gefilosofeerd en het glas geheven als er geschilderd werd. Gedurende de zomermaanden vertoefde hij wekelijks twee tot drie keer met wisselende gezelschappen van leerlingen op verschillende plekken in Zuid-Limburg om en plein air te werken. Daarnaast werd de schilder uitgenodigd om een periode als gastdocent les te geven op de Open Universiteit in Düsseldorf.
Doordat de zoon van een leerling-schilder - een kennis uit Hoensbroek waar het kunstenaarsgezin een paar jaar eerder kortstondig verbleef - een adviseursfunctie vervulde in de toenmalige cultuurcommissie van het Koninklijk huis en deze na een aantal bezoeken aan het atelier erg te spreken was over het werk van de Bingelraadse schilder, ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor het vervaardigen van het staatsportret van aankomend Koningin Beatrix. Ofschoon Hans Coumans zich ervan bewust was dat hij als hofschilder landelijke bekendheid en eeuwige roem zou vergaren, bedankte hij er voor. De schilder-activist was immers zijn hele leven in opstand gekomen tegen de elite en hij zou zichzelf nu niet verloochenen. Wel hielp hij later een leerling bij een portet van de Koningin, dat destijds is geschonken aan de gemeente Gulpen.
Zoals gewoonlijk leverde de schilder geregeld kritiek op actuele politieke en maatschappelijke kwesties. Geregeld hingen er grote houten (spaanplaat) plakkaten provocerend tegen de gevel van zijn woning met daarop felle maar hilarische afbeeldingen, wat ophef genereerde in de gemeente Onderbanken. Dikwijls handelde het over de geluidsoverlast van de AWAX-vliegtuigen van de NATO die in de buurt om het kwartier opstegen en continu voor geluidsoverlast zorgden. Dan weer verzette hij zich tegen de kruisraketten, die ondanks dat de regering het bestaan daarvan in Nederland ontkende, deze toch her en der (en dit was een publiek geheim) waren gestationeerd op diverse plekken, vermoedelijk ook op de Militaire basis United States Army Garrison in Schinnen, die was gebouwd ter plekke van de voormalige mijnschachten van de staatsmijn Emma. Of het ging over het kappen van oude bomen van cultuurhistorische waarde, die moesten wijken voor de bouw van een nieuwe basisschool, terwijl op het moment dat die school een paar meter zou worden opgeschoven, de bomen gespaard konden blijven. Ook in september 1982 gedurende de Tweede Kamerverkiezingen hing de gevel vol met politieke werken. Hoewel de werken grotendeels verloren zijn gegaan, is één groot politiek werk, genaamd De egte Christen (), behouden gebleven. Het werk is een aanklacht tegen het CDA en de VVD. Het gaat in feite over de schijnheiligheid en toont een bonte verzameling van prominente kerklijke (bijbelse) en politieke figuren uit de geschiedenis, vervallen tot een carnavalesque schouwspel. Zo beweerde het CDA te regeren volgens de grondbeginselen van de Bijbel, maar datzelfde CDA liet tezelfdertijd massavernietingings-wapens toe op Nederlandse bodem.
Nu het schilderlessen op het Bingelraadse open atelier gezien de toeloop een geslaagd project was gebleken, wilde de plaatselijke amateurschilder ook zijn hulp aanbieden om een expositie te organiseren voor de schilder. Omdat de Sittardse schildervereniging eerder al had geëxposeerd in het Kasteel Doonder in Doenrade, waar geregeld allerlei cultuurfestiviteiten en kunstveilingen plaatsvonden, was de amateurschilder bekend met de kasteeleigenaar. Deze gaf bij navraag direct toestemming voor het initiatief. Zodoende organiseerde de amateurschilder samen met de schildersvrouw in januari 1984 (in het weekend van 13 t/m 15 januari) een (tweede) expositie voor de Bingelraadse schilder, welk een groot succes werd. Ondanks dat de schilder, naast dat hij al geen aandeel had in het regelen, niet aanwezig was op de expositie en er op zijn nadrukkelijk verzoek ook geen officiële opening was, werd de 'openingsavond' druk bezocht en het merendeel van de circa 30 werken direct op diezelfde avond verkocht. De schilder had in al die jaren een brede groep van fans en geïnteresseerden opgebouwd, die getrouw werk aankochten. Hoewel de schilder aangaf dat allemaal niets voor hem was, was zijn afwezigheid het gevolg van zijn nerveusiteit of zijn werk zou aanslaan bij het grote publiek. Ook het in zijn ogen opheerlijken van zijn persoon was niet aan hem besteed.
Dit welslagen had zeker gevolgen voor zijn welbevinden en vertrouwen in zijn artistieke kunnen, wat voor een verdere opleving zorgde. De schilder kende een enorme gedrevenheid en wist in korte tijd meer dan 30 nieuwe schilderijen te vervaardigen. Gedurende het voorjaar van 1984 liet de schilder zich inspireren door motieven met het thema 'bloesem'. Hij zocht naar onderwerpen, die stuk voor stuk kenmerkend waren voor de omgeving of zo langzaamaan een zeldzaamheid werden in het Limburgse landschap, zoals de holle wegen en oude kromme hoogstamfruitbomen. Gezien de ontplooide activiteiten was het mogelijk gebleken om al na een half jaar, in het eerste weekend van juni (2 en 3 juni), opnieuw een expositie met de titel Bloesemexpositie ()()()()()()()() te organiseren, wederom in kasteel Doonder. Deze expositie werd geregeld door de wethouder - met hem en diens vrouw onderhield het kunstenaarsgezin inmiddels een hartelijke vriendschap - en de schildersvrouw alsook een aantal vrienden, die de logistiek van de schilderijen voor hun rekening namen. Net zoals bij de eerdere opening wilde de schilder aanvankelijk niet aanwezig zijn omdat hij nogal nerveus was voor hoe de nieuwe aanwinst door het publiek zou worden ontvangen. Maar na een half uur aandringen van de wethouder, dat de bezoekers ook voor hem persoonlijk kwamen en de toezegging dat hij vooral niets hoefde te doen behalve aanwezig zijn gedurende de opening, veranderde de schilder van mening. Eenmaal in kasteel Doonder, waar een grote groep belangstellenden aanwezig was, voelde hij zich al weer snel een stuk beter, zeker toen er rode stippen werden geplakt. Uiteindelijk bleek deze expositie zowel in artistiek als financieel opzicht een overweldigend succes, omdat nagenoeg alle werken werden verkocht.
Direct na afloop stelde de wethouder voor om het kunstenaarsgezin te helpen door het organiseren van een reeks van jaarlijkse exposities, waarvan de eerste in het plaatselijke gemeenschapshuis het Kloeëster in Schinveld gehouden zou kunnen worden. De wethouder zou alles regelen en de schilder hoefde enkel schilderijen aan te leveren.
Deze Bloemenexpositie was in veel opzichten een uitvloeiing van een nieuw welbevinden. Het thema 'bloesem' stond ongetwijfeld symbool voor de bloeiperiode waarin hij zich sinds een jaar of twee, drie bevond. Voor het eerst in zijn leven had hij het gevoel dat hij als kunstschilder op een cruciaal moment aanbeland was. Hij had het gevoel dat hij het ware schilderen beheerste. Met een hernieuwd zelfbewustzijn en vertrouwen in zijn schildertalent had hij het gevoel dat hij er nu eindelijk na al die jaren klaar voor was. Wat hem betreft mocht het nu dan ook echt gaan beginnen. Consessies had hij al geruime tijd lang afgezworen en dat kon hij zich ook permitteren. Zijn persoonlijk oeuvre, dus de natuurmotieven, het karakteristieke landschap van het Heuvelland, was dusdanig geliefd, dat hij de vraag ondanks zijn vlotte werkwijze nauwelijks kon bijbenen. Voor het eerst verscheen de term 'Het Coumansisme' in beeld, overigens het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was aldus de schilder, welk hij omschreef als een eigentijds licht-impressionisme. De werken beschikken over een soort (ver)lichtheid en zijn levendiger dan ooit te voren. Ze zijn even treffend als krachtig neergezet en sprankelen door een complex als uitbundig koloriet. De werken getuigen van een onderscheidend meesterschap en van een zelfvertrouwen in zijn artistieke kunnen. Veel van de technieken die de schilder eerder al in zijn carriere had geprobeerd, combineert hij nu op elegante wijze. Zo zien we krachtige toetsen, maar tegenlijkertijd zachte veerachtige structuren (om beweging te suggereren) bij elkaar komen.

Terwijl Hans Coumans na een schilderscarrière van 25 jaar een status had bereikt als gevestigd kunstschilder - dit was zeker wennen voor iemand die altijd tegen de gevestigde orde had gestreden - verkreeg hij overigens niet de erkenning voor zijn talent vanuit de 'officiële' kunstwereld. Omdat hij zich überhaupt nooit iets had aangetrokken van wat er in de mode was en hij als een van de weinige schilders buiten de mainstream om werkte, werd hij volledig genegeerd door de avant-garde en toonde de gevestigde vakliteratuur (welke voorafgaand aan het informatietijdperk grote invloed had) geen interesse in zijn werk. De kunstwereld was op dat moment in de exclusieve ban van de (non-figuratieve) abstracte en conceptuele kunst, dat alle eerdere (figuratieve) stromingen radicaal dood had verklaard. In de Post-Modernistische tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek. Vernieuwing in de kunst zou leiden tot vooruitgang in de maatschappij, was het geloof. Toonaangevende kunst was vernieuwend, onvoorspelbaar: het moest ontwrichten, in de war sturen en zo (kritische) vragen stellen, die op andere maatschappelijke niveaus niet aan de orde kwamen. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als maatstaf voor de kunstkritiek. Vanuit die optiek behoorde het esthetische impressionistische Coumansisme tot een eerder hoofdstuk uit de kunstgeschiedenisboeken. Hans Coumans aan de andere kant had duidelijk andere opvattingen over kunst. En de 'officiële kunstwereld', daar had hij geen goed woord voor over. Een arrogante elite-bende was het, die wel even voor de ander bepaalde wat kunst is; "Maar wie bepaald dat, wat kunst is...?". De schilder geloofde niet in de belofte dat voortdurende vernieuwing in de moderne kunsten tot vooruitgang in de wereld zou leiden. Vernieuwing, innovatie of technologische ontwikkelingen hadden volgens hem enkel geleid tot meer sociale ongelijkheid, vervuilende industrie en massavernietigingswapens. In zijn ogen had de mens het contact met de echte wereld, met de natuur, verloren en zich gericht op bijzaken zoals geld en materialisme, stelde hij. Met zijn kunst wilde Hans Coumans de mensen bewust maken van de schoonheid van de natuur en de werkelijke waarde van het leven. Hij koesterde grote liefde voor het pure, ongekunstelde schilderen. Gedurende zijn gehele schilderscarrière lag zijn interesse bij de ontwikkeling van het meesterschap. De recente kunststromingen aanschouwde hij dan ook als een teloorgang van het ware meesterschap oftewel het echte schilderen. Het experimenteren in de kunsten deed hij af als hysterisch: choqueren om het choqueren. "...Kunstenmakers zijn het, geen kunstenaars: die drie lijnen, dat heeft vrij weinig met schilderen te maken...". Maar belangrijker nog, hij verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos - want dan zat je altijd veilig - volgen van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé - zij initieerde de BKR-regeling, een financiële compensatie-regeling voor kunstenaars, die maandelijks een werk konden inleveren bij de plaatselijke overheid in ruil voor een toelage - terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. Toch vond zijn pleidooi voor volledige vrijheid in de kunsten op dat moment geen weerklank.

Het initiatief voor een nieuwe expositie kon vooralsnog geen doorgang vinden, want in november 1984 bleek Hans Coumans opeens zwaar ziek. Een paar dagen na de jaarlijkse Bokkenmarkt, een welbekende Valkenburgse braderie met ambachten en muziek waar de schilder zoals zo vaak het publiek vermaakte met sneltekenen, werd de schilder met geel gelaat opgenomen in het ziekenhuis St.Gregorius Schuttershof in Brunssum. Hier zou hij de komende zes weken verblijven. De opname kwam nog net op tijd, waardoor hij het ternauwernood overleefde. Het jarenlange enthousiaste drankgebruik had geresulteerd in een ernstige maar niet onomkeerbare levercirrose. Hoewel de lichtgele, bruisende dorstlesser onlosmakelijk verbonden was met zijn bruisende bourgondische levenskunst, was deze hem uiteindelijk bijna fataal geworden. Niets deed de uitgeputte, tengere verschijning herinneren aan de eens zo flamboyante, masculeine kerel van voorheen. Deze ervaring was dermate heftig, voor hem en zijn geliefde gezin dat volkomen afhankelijk was, dat hij besloot om de kwestie 'alcohol' aan te pakken. Dit was het hem toch allemaal niet waard, bij nader inzien. Na overleg met zijn arts over de mogelijkheden werd een experimenteel maag-implantaat bij hem ingeplaatst, een zogenaamde 'bom', die bij nuttiging van alcohol afstraft door een zeer onaangename smaak te veroorzaken. Uiteindelijk zou de schilder vanaf het moment van opname bijna een jaar nodig hebben om zijn ziekte volledig te boven te komen. Bovendien bracht al die weken opgesloten in het ziekenhuis, verstoken van het schilderen maar vermoedelijk vooral van de drank, de schilder bovendien weer even in mineurstemming. Hij was zeer prikkelbaar en ronduit onuitstaanbaar, zelfs naar zijn vrouw die nooit van zijn zijde was geweken. Naast de hevige persoonlijke impact betekende dit voor het kunstenaarsgezin een zware financiële klap, aangezien de schilder als vrije zelfstandige nooit een ziektekostenverzekering of een overlijdensverzekering had afgesloten en niet aan pensioenopbouw deed. Hoe kun je je nou verzekeren tegen overlijden(?), beargumenteerde de schilder, die vooral in het onmiddelijke moment leefde.

Ondanks zijn ziekte moest hij zich al weer snel zien te herpakken - "... Jezus had immers meer geleden dan ik...", beweerde hij - en moest hij schilderen om de monden van zijn gezin te voeden. Maar eenmaal verlost van benauwende muren van het ziekenhuis barstte de schilder binnen de korste keren van de energie. Een enorme geestdrift had het overgenomen en hij werkte als een bezetene aan tal van schilderijen. Hij had het gevoel te hebben afgerekend met het verleden: dit was een soort wedergeboorte. Zijn zijn atelier raakte gestaag overladen met werken. In de buitenlucht bediende hij zich soms van twee ezels, zodat hij aan meerdere schilderijen tezelfdertijd kon werken. De invloed van zijn ziekte zou nog even zichbaar zijn in de werken ()()()()()()(), die hij in deze periode maakte. Deze zijn duidelijk van een ander pallet. Hoewel de schilder steevast dezelfde thema's hanteerde, werd de verf dikker en de kleuren verzadigder. Alsof hij de grip kwijt was en dit trachtte te compenseren door hardere kleuren en meer verf.
Toen in mei 1985 Paus Johannes Paulus II Nederland bezocht, schilderde Hans Coumans een groot kritisch werk van de Paus, knielend op de grond, de heilige gond kussend, terwijl onder de grond (in de mijnen) de kruisraketten, destijds het besluit het CDA en overigens een publiek geheim, gestationeerd waren. Het was de bedoeling dat dit werk onderdeel zou worden van een serie van zes werken, dat vergezeld van kritische proza van de hand van een bevriende bakker en tevens (in Limburg) befaamde activistische dichter uit Schinnen, zou worden uitgegeven.
Doordat de schilder in de periode na zijn ontslag uit het ziekenhuis binnen de kortste tijd weer een omvangrijke productie had gerealiseerd, organiseerde de wethouder samen met de schildersvrouw eind november 1985 (22 november t/m 3 december) eindelijk de eerder voorgenomen (vierde) expositie ()()()()()()()() in het gemeenschapshuis het Kloeëster in Schinveld. Voor deze expositie had hij 20 landschappen geselecteerd voor de verkoop. Onder leiding van de wethouder werd de opening officieel verricht door de burgemeester van de gemeente Onderbanken en werd het geheel omlijst door een klassiek muziek-ensemble. Na de positieve ervaring van de laatste expositie behoorde nu ook de schilder zelf tot de aanwezigen. Al gedurende de drukbezochte opening bleek dat deze expositie de meest succesvolle tot dan toe zou zijn. Alle werken waren binnen een mum van tijd verkocht en nog nooit had de schilder na afloop zo veel geld verdiend, een voor die tijd en zeker voor een schilder astronomisch bedrag van maar liefst 7.000 Gulden, dat hij dit nauwelijks kon bevatten.
Na deze grote expositie stelde de Bingelraadse schilder medio 1986 een tiental werken voor langere tijd tentoon in het Groenekruisgebouw in Schinveld. Op deze wijze was het mogelijk om op een laagdrempelig wijze zijn werk bekend te maken bij een groot publiek.
Omdat Hans Coumans als dank iets terug wilde doen voor de betrokkenheid en inzet van de wethouder, stelde hij voor om een (uiteindelijk onvoltooid) dubbelportet () te maken van zijn twee zonen. Ook stelde hij zich beschikbaar toen het oude Kajottershuis in Schinveld werd geopend en voor de jeugd beschikbaar werd gesteld om de aanwezige jongeren te portretteren.
Nu het werk met hoge snelheid van de hand ging volgden de belanstingaanslagen in een zelfde tempo. In het verleden had de schilder ambtenaren geregeld de deur gewezen met de mededeling, dat ze maar terug moesten komen als hij een schilderij had verkocht. Maar nu met dit recente succes en een volgende (vijfde) expositie in voorbereiding was hij bevreesd voor een inval van de FIOT en stalde hij zijn koopwaar elders.

Dan op 16 november 1986, op weg naar de jaarlijkse bosloop in Malden om de winnaars te portretteren, werd Hans Coumans op de snelweg A73 nabij Heumen slachtoffer van een tragisch auto-ongeluk en kwam plotsklaps een einde aan zijn leven. Nota bene door het automobiel, het voertuig waar hij zijn hele leven een afkeer, zelfs panische angst voor had, was hem noodlottig geworden. Nog in de week voor het fatale ongeluk had hij zijn hoofd er niet naar staan: "Dat geraas met die auto's..!". Maar ja, er moest brood op de plank, zo stelde hij. Ook een dag eerder in de plaatselijke kroeg had hij al laten doorschemeren, dat hij geen trek had om dat hele stuk rijden. Gelukkig zou het de laatste keer zijn dat seizoen, voordat de koude hem het werken in de buitenlucht onmogelijk zou maken. Die mistige novemberochtend paste de schildersezel niet in de kleine auto waarin hij zou meerijden, wat leidde tot een fikse woordenwisseling met zijn vrouw, die hem smeekte om niet te gaan. Maar hij moest gaan, immers, hij had het die mensen beloofd.

Hans Coumans werd 43 jaar.