HANS COUMANS, man van de heuvels
BIOGRAFIE   OEUVRE   INTERVIEW   BOEK   STICHTING   CONTACT

Biografie

De markante, vrijgevochten Zuid-Limburgse kunstschilder Hans Coumans (1943-1986) trok zijn eigen plan. Hij zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 op zoek naar culturele en artistieke bevrijding en masse naar de belangrijke Europese steden trokken en aansluiting vonden bij de mainstream moderne abstracte/conceptuele kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en het unieke landschap van het Heuvelland, en schilderde hij buiten de mainstream om in een licht-impressionieke stijl, het zogeheten Coumansisme, het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was. Door de hartstochtelijke liefde voor het leven (de natuur) zouden de natuurmotieven van het Heuvelland gedurende zijn gehele leven een centrale positie innemen - de natuurmotieven zijn te beschouwen als zijn persoonlijke oeuvre - en als zodanig kenmerkend zijn voor zijn oeuvre. Hoewel Hans Coumans als kindschilder al bedreven was in het schilderen van natuurlandschappen, zou hij lange tijd een vrijbuitersleven leiden en zou vooral de ware levenskunst op de voorgrond staan, vooraleer hij zich volledig zou wagen aan de ware schilderkunst en hij uiteindelijk begin jaren 80 faam zou maken als 'man van de heuvels'.

Johannes Jozef (Hans) Coumans werd op 16 maart 1943 als vijfde telg uit een doorsnee mijnwerksersfamilie geboren in de Grachtstraat aan de voet van de groene Sousberg in het lommerrijke kerkdorp Schin op Geul. Het zou niet lang duren voordat duidelijk werd, dat Hans Coumans als onconventioneel figuur door het leven zou gaan. Al op vierjarige leeftijd vertoonde hij een opmerkelijke aanleg voor tekenen, waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar diverse tekenwedstrijden won van onder meer de Staatsmijnen en later de verffabrikant Talens, maar net zo vaak werd gediskwalificeerd, omdat de jury de inzendingen niet van een kind achtte - dit tot grote woede van datzelfde kind.
Rond zijn 8e levensjaar leek het definitief beklonken zodra hij in vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigde, terwijl zijn ouders, die niets met kunst hadden geen idee hadden wat ze ermee moesten aanvangen en dorpelingen enkel hun schouders geamuseerd ophaalden. Hij zou gaan studeren aan de kunstacademie in de grote stad en het tot die tijd rustig aan kunnen doen, was zijn voornemen. Op school voorzag de jonge creatieveling dikwijls het hele schoolbord van striptekeningen voorafgaand aan de les en nam hij steevast het voortouw zodra het vak Handvaardigheid aan bod kwam. Het hoofd van de basisschool, zelf gepassioneerd amateurschilder, zag al vroeg het talent en moedigde de ouders aan om dit verder te ontwikkelen, maar ondanks zijn persoonlijke inspanning om Hans Coumans direct na de basisschool op de kunstacademie toegelaten te krijgen, had hij allesbehalve een hoge pet op van de kindschilder, daar deze allesbehalve ontvankelijk was voor de goedbedoelde adviezen en er zelfs lijnrecht tegenin ging. Zodra de ambitie zich in de buurtgemeenschap verspreidde, stelden de overburen hun schuur naast hun boerderij ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste 'officiele' atelier betrok en vanaf dat moment volop experimenteerde met aquarelverf, olieverfschilderijen en mergelsculpturen. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkende, bezorgde hem gratis papier en tekenmateriaal en bracht hem de beginselen van het perspectieftekenen bij.
Niemand had in die tijd kunnen vermoeden, dat zijn jongere schoonzus, een telg uit een gegoede hotelfamilie uit Valkenburg aan de Geul, die gedurende de drukke vakantieperiodes geregeld bij de familie Coumans verbleef, met de bezwerende woorden, dat zij en Hans Coumans ooit in het huwelijksbootje zouden stappen, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zou zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.

 

 

De rusteloze vrije geest, die zich kort na zijn artistieke aanleg openbaarde ‘dwong’ Hans Coumans al vroeg tot een onzeker, ongebonden kunstenaarsbestaan. Het onbegrip en de bezorgdheid van zijn ouders omtrent het kunstenaarsschap - kunst bracht geen brood op de plank, was de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - maar ook de onenigheid over een (in die tijd gebruikelijke) financiële bijdrage van de kinderen aan het huishouden leidde spoedig tot verzet en toenemende explosieve conflicten binnen de familie. Ondanks de andere kinderen in de familie Coumans al vroeg in de weer waren met allerlei baantjes, had de jonge Hans Coumans werken zeker nog niet uitgevonden en weigerde hij zich te conformeren. Liever struinde hij door de natuur waar hij doordrongen geraakte van de grootsheid van het leven en richtte hij zich op de kunst van het levensgenieten: "ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb...". In zijn vroege tienerjaren, na het behalen van zijn diploma in 1960 tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen, waar hij (op dat moment nog te jong voor de kunstacademie) volgens eigen zegge "... vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan had...", zou hij zich afzetten tegen het ouderlijke gezag en het (in zijn ogen) al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om gevolglijk 'de wijdte' te verkiezen en solistisch de wereld in te trekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. De jonge rebel liep aanvankelijk nog kortstondig maar veelvuldig van huis om vervolgens onverwacht weer aan de deur te staan, maar gaandeweg liet hij zich gelden door lange afwezigheid: dan pakte hij zijn buidel en dan was hij 'er weer eens vandoor', zoals dat werd rondgesproken in het dorp. Gedurende diverse langdurige clandestiene solistische zwerftochten tussen zijn 15e en 19e levensjaar door diverse landen - Duitsland (Laurensberg onder de studenten van de Akense universiteit, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs), Spanje - met zelden meer dan 2,5 Gulden op zak in het op dat moment nog gesloten Europa leerde de vagebond de kunst van het (over)leven via allerlei baantjes (o.a. decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser, knecht op een rondreizende kermis) en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten bracht door het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen. De enige trouwe metgezel was zijn tekenblok, waarin de vagebond-schilder onderwerpen vastlegde die hem onderweg intrigeerde, maar ook ideeën en gedachten van religieuze en wereldbeschouwelijke aard. Gedurende deze langdurige reizen hadden zijn ouders tot groot verdriet dikwijls geen idee waar hun zoon zich ophield. Meermaals werden zoekacties georganiseerd en na een tip zelfs Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na een afwezigheid van ruim een half jaar in het Schwarzwald opspoorde en hem huiswaards stuurde. Tussendoor, in 1961, vergezelde de jonge Hans Coumans het beroemde internationale circus Tony Boltini als olifantendompteur en rekwisiteur - Tony Boltiny was een klant van Klants Zoo Valkenburg, die dompteurs en dieren aan internationale circusgezelschappen verhuurde - een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland, totdat ook de circuspiste hem te zeer benauwde - het circusleven was zwaar - en hij wederom zijn vrijheid opzocht.

 

 

Op de momenten dat hij bij zijn ouders verbleef en hij niet als boerenknecht op het land of als huisschilder-vrijbuiter her en der aan het werk was, struinde hij met zijn schildersattributen door de omgeving van Schin op Geul om en plein air te schilderen, wat tot belangstelling leidde. Plaatselijke bekendheid zorgde gaandeweg voor opdrachten voor natuurmotieven, portretten en decoratieve wandschilderingen (natuurmotieven) bij particulieren en enkele établissementen in het dorp. Al vroeg in het leven van Hans Coumans tekende zich een opvallend emotionele betrokkenheid en interesse in de wereld af, die vermoedelijk nog eens werd versterkt door zijn persoonlijke ervaringen en wat hij van de wereld had gezien gedurende zijn reizen. Die betrokkenheid uitte zich in diverse religiekritische en maatschappijkritische werken (waaruit blijkt dat hij kennis had van literatuur over de Verlichting en het Humanisme), die veelvuldig uit pure woede en frustratie over al het onrecht in de achtertuin van zijn ouders in rook opgingen.
De militaire dienstplicht, gestationeerd in de barakken van de Willem II kazerne in Amersfoort, maakte in 1962 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden, maar al gauw bleek de jonge schilder, die geen enkele autoriteit erkende en als pacifist pertinent weigerde een wapen ter hand te nemen om te schieten - pas op: hij was geen dienstweigeraar en deed aan alles mee, behalve aan schieten: "schieten verrek ik!!" - enkel geschikt om de officieren alsook hun kinderen te portretteren, totdat de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening plotsklaps een ongeluk kreeg en hij na een verblijf in het ziekenhuis in Utrecht vanwege een verbrijzelde voet van defensie na een officieuze deal (dat hij het letsel niet ten tijde van zijn diensttijd had opgelopen) vroegtijdig 'glansrijk' mocht afzwaaien.
Na de tucht van het leger, eenmaal terug in het Geuldal, trok hij weer in bij zijn ouders, die inmiddels overtuigd van het talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken lieten verbouwen tot atelierruimte. Toch zouden na aanvankelijke rust de emoties spoedig weer hoog oplopen totdat de situatie wederom onhoudbaar werd en zij hun zoon definitief de deur wezen. Vanaf dat moment verkaste de jonge vagebond, de pauperschilder met enkel 3 penselen op zak, van het ene naar het andere adres, soms leegstaande kamers in hotels, soms op een zolder boven een kroeg of bij een boer op de Keutenberg in Schin en via een kennis van zijn oudere zus een tijd lang in Oud-Genhei, en verrekende hij bij gebrek aan geld kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Anderzijds had hij behalve een slaapplaats niet veel nodig, aangezien hij door zijn charisma door de mensen werd omarmd en hij in de plaatselijke kroegen en restaurants dikwijls een warme maaltijd aangeboden kreeg. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, mocht hij zijn werk ophangen in de kroegen en etalages van winkels en struinde hij de vele Zuid-Limburgse kroegen, de wekelijkse markten en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld een typisch Heuvellandtafereel op de kop konden tikken. In pension 't Hoonderhöfke in Schoonbron, waar Hans Coumans gedurende de winterperiode van 1964 en 1965 af en aan verbleef, en later in het restaurant van Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, waar hij veelvuldig in de omgeving werkte, mocht hij zijn eerste serieuze exposities organiseren. Vervolgens zou het restaurant geregeld volhangen met zijn werk.

 

 

In 1965 verruilde de jonge aspirant-schilder het Geuldal met de Maasoever en mocht hij, inmiddels oud genoeg, toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikte over de vereiste vooropleiding. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans erg aanspraak, stuitte de harde hand van de academische scholing - de ijzeren discipline en de technische aard van de academische opleiding conflicteerde diametraal met zijn emotionele, intuïtieve wijze van werken - de aspirant vrije kunstschilder zo zeer tegen de borst, waardoor hij het na een aantal verhitte discussies al binnen een paar weken voor gezien hield en de academie vroegtijdig verliet. De academische werken waren wellicht vanuit technisch oogpunt perfect, concludeerde hij, maar de werken leefden niet. En dat was nou juist de essentie: "een schilderij moet leven!!", was hij stellig. De techniek ondermijnde het gevoel, de emotie, waardoor het afgebeeldene levenloos verscheen. Te eigenzinnig voor de academie en vol vertrouwen over zijn eigen kunnen, richtte de jonge schilder zich zoals voorheen eigenhandig op de vrije schilderkunst en de al even vrije kunst van het leven. Enige tijd stortte hij zich in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Met mede-aspirant-schilders volgden vele nachtelijke discussies over kunst en het kunstenaarsschap en dat kunstenaars volgens de algemene opvatting 'parasieten van de samenleving' waren. Om het tegendeel te bewijzen (dat de kunstenaar beslist zijn eigen kost kon verdienen) besloot hij samen met een academie-kameraad tot een 3 maanden durende trektocht door de Eifel met enkel tien Gulden als inleggeld voor noodgevallen, die gedurende de winter van 1965-1966 plaatsvond, waarbij het opvallende tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen goed geld verdiende - dit werd overigens net weer zo goed ter plekke gespendeerd - en bij terugkomst bleek, dat de reis ieder zelfs enkele honderden Guldens had opgeleverd. In het voorjaar van 1966 trok Hans Coumans enige maanden naar Haarlem en Amsterdam - in Amsterdam als in tal van andere grote Europese steden halverwege de jaren 60 gebeurde het op het gebied van kunst en democratie - om zich te begeven onder de studenten van de Rietveld Academie en kort daarna aan te sluiten bij het geweldloze, ludieke studentenprotest van de recentelijk opgerichte anarchistische Provo-beweging gericht tegen de gevestigde autoriteit - andere thema's waren ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - echter, de rellen en gewelddadigheden in de hoofdstad deden de schilder al weer spoedig terugkeren naar het gemoedelijkere zuiden.
Terug in Zuid-Limburg vestigde Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder in Valkenburg, waar hij zich intensief bezighield met een bruisende schilderkunst en een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Ofschoon hij zich na de academie eigenhandig plein air verder bekwaamde de landschapskunst, ontplooide hij zich hier in het toeristische Geulstadje aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als sneltekenaar van houtkool portretten in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën, evenementen en weekmarkten) en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e waardering voor kreeg - en vond hij de weg naar de decoratieve kunst in de plaatselijke établissementen en openbare gelegenheden. Hij ontdekte een nichemarkt voor grote thematische wandschilderingen veelal van het landschap van het Heuvelland, wat zijn specialisme werd. Binnen afzienbare tijd was hij een plaatselijke bekendheid, verkreeg hij opdracht naar opdracht en hingen er gaandeweg tientallen decoratieve werken in de kroegen van Valkenburg en omstreken en zou hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders, opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Roermond tot Vaals.

 

 

Op advies van de plaatselijke verfhandelaar, die zag dat Hans Coumans zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, ging Hans Coumans in 1966 in de leer bij de in Valkenburg woonachtige landelijk bekende beeldend kunstenaar Charles Eyck. Hoewel de verfhandelaar Hans Coumans diverse malen met klem aanspoorde om deze keer vol te houden, bleek het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als op de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich liet wachten - beginnende leerlingen mochten enkel basiswerkzaamheden verrichten, "... wat lijntjes trekken..." en penselen schoonmaken - en hij, nadat hij bij afwezigheid van zijn leermeester de schilderijen naar eigen inzicht vervolmaakte, zonder pardon de laan werd uitgestuurd. Achteraf gaf Hans Coumans ruiterlijk toe het nodige te hebben opgestoken op het gebied van kleurgebruik en verftechnieken, hoewel hij kritiek had op de tekenachtige manier van schilderen, of zoals hij dat zelf verwoordde “Eyck was een goede tekenaar die zijn tekening vervolgens inkleurde, maar dat heeft weinig met schilderen te maken.”. Daarentegen vond Charles Eyck de werken van zijn leerling vaak te druk en te rommelig: deze miste een krachtig en eenduidig thema, dat het advies was om er soms maar gewoon een stuk af te snijden. Ondanks de verschillende opvattingen over kunst onderhielden Hans Coumans en Charles Eyck blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten en niet in de laatste plaats in de plaatselijke kroegen.
Een paar jaar later, in het voorjaar van 1969, vergezelde Hans Coumans enkele stadsgenoten naar de Spaanse Costa's - dit was voor de schilder een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg - waar hij spoedig naam maakte als Pintor Holandes en hij naast zijn activiteiten als en plein air sneltekenaar-schilder diverse reclamewerken en decoratieve werken in de horecagelegenheden realiseerde, maar na ruim een half jaar, na een niet uitbetaalde opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, berooid maar niet zonder dat hij het omvangrijke werk waar hij enkele weken mee bezig was geweest met enkele stadsgenoten midden in de nacht met witte verf had overgeschilderd, deels te voet deels liftend terugkeerde naar het Heuvelland.
Aan het einde van de jaren 60 was de markante Hans Coumans door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn charismatische persoonlijkheid uitgegroeid tot een populair cultfiguur, een volkse schilder, zelfs een toeristische attractie à la Montmartre en inspirator voor andere schilders in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg. Hij had de reputatie van een Bourgondiër, een schilder met veel dorst, die op zoek naar inspiratie - "inspiratie komt niet alleen van de Herrgot maar tevens uit onze brouwerijen!" - het aanlokkelijke bruisende sociale leven opzocht en als een theaterman de show steelde in de plaatselijke kroegen - pas op: hij ging nooit aan de bar zitten, altijd aan de stamtafel. Legendarisch waren de vele taferelen van de verlate schildersuitrusting in het centrum van Valkenburg of ergens aan de oevers van de Geul compleet voorzien van een schilderij en de vermelding "de schilder is effe weg!", terwijl de uitrusting daar soms dagenlang onbewaakt stond en de schilder al die tijd in geen velden of wegen te bekennen was.

 

 

Ofschoon het gemakkelijke geld (van die commerciële projecten) en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefende, hield dit de vrije schilder evenwel lange tijd gevangen en weerhield het hem om zich daadwerkelijk te richten op datgene waar zijn hart lag, namelijk de vrije kunst. In tegenstelling tot zijn reputatie was deze vrije schilder allesbehalve volledig vrij, besefte hij maar al te goed. Het zelfpredikaat 'schilder van het volk' was in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, puur uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapot ging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Maar hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trokken, bleef de natuurmens Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en aan de natuur van het Heuvelland. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans "... met zijn talenten in die slurf is blijven hangen..." en niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij zijn vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Maar Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Heuvelland oefende een blijvende aantrekkingskracht op hem uit, en dit motief zou blijvend behoren tot zijn geliefde onderwerp blijven, waaraan hij zijn schilderscarriere (grotendeels) wijdde.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de non-comformist dit telkens als bemoeizucht. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, bleek zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus, die hij al 20 jaar niet meer had gezien - zij was door haar 2 tantes naar hem toe gestuurd voor de opdracht van een portret voor haar ouders - en met wie hij na een hartstochtelijke liefdesrelatie een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk trad en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrok. Zijn vrouw gaf hem niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoorde hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Wie wilde hij nou werkelijk zijn, de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en betrekkelijke rust die zijn vrouw hem bracht, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn kunnen, bewoog de schilder uiteindelijk om zich volledig te gaan wijden aan het serieuze schilderen, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidde. Zeker toen de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitbleven en zij hem dreigde te verlaten, moest hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en zijn productie zien te vergroten, op een of andere manier nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment is de schilder dan ook structureel te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden veelal richtte op stillevens stillevens en de (olieverf) portretkunst. Daarnaast gaf hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, op weekmarkten, fancy-fairs, allerlei thematische (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel zou uitmaken van zijn kunstenaarsschap en inkomstenbron.

 

 

Na een moeizame financiële en emotionele periode die volgde, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten bracht en de schilder nog steeds concessies moest doen, trok Hans Coumans met zijn gezin in de zomer van 1974 een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, even weg uit Valkenburg, in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseerde de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden, die de schilder wilde helpen om publiciteit te genereren, een derde grote expositie.

Terwijl na de korte intermezzo de zaken gaandeweg beter gingen en de verbouwing (vergroting) van zijn atelier ook positieve invloed had op zijn productie, ervoer de schilder een toenemende onvrede over de gang van zaken in Valkenburg. Niet alleen stuitte de vernieuwingsdrang van Valkenburg, die vanaf de jaren 70 plaatsvond, waardoor de unieke identiteit van het mergelstadje als gevolg van de afbraak van karakteristieke monumentale historische panden en tezelfdertijd de bouw van grootschalige anonieme nieuwbouw dreigde verloren te gaan, de schilder tegen de borst, ook ondervond de schilder en zijn prille gezin toenemende overlast van het massatoerisme dat recentelijk zijn intrede had gedaan.

 

 

Toen gesprekken en een verbouwing aan zijn huis niets opleverde, restte de schilder niets anders dan zijn eens zo geliefde Valkenburg in 1976 te verruilen met het forenzendorp Nuth, waar het gezin via een bevriende kastelein-projectontwikkelaar tijdelijk antikraak intrek nam in het voormalige Groene Kruisgebouw, een bijgebouw van het voormalige imposante nonnenklooster (op dat moment een AZC), dat binnen afzienbare tijd afgebroken en herontwikkeld zou gaan worden. Ondanks de aanvankelijke rust en de grip op de financiën, wat overigens ook hij de belastingdienst niet onopgemerkt bleef, kwam de schilder al gauw als gevolg van een sociaal isolement - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst had, en zodoende niet beschikte over een rijbewijs, ging hij veelal te voet of kon hij rekenen op kennissen en opdrachtgevers die hem brachten en ophaalden - en dit maal drugsoverlast van het naastgelegen AZC gevolgd door een aanslag (een gericht schietincident op zijn huis) waardoor het gezin gedurende 3 maanden moest onderduiken op diverse adressen in Mechelen, Slenaken en Hoensbroek, medio 1979 in een hevige depressie geraakte welke vervolgens ruim een jaar zou duren. Er waren periodes dat de schilder enkel op de bank lag. Eenmaal terug in Nuth zou het kunstenaarsgezin hier vanwege de aanstaande herontwikkelingsplannen van het voormalige kloosterterrein nog maar kort verblijven en was het gezin gedwongen om hun heil elders te zoeken.

Uiteindelijk zou het kunstenaarsgezin zich in de zomer van 1981 vestigen in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de theaterman-schilder via een bevriende makelaar het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankocht (deels met de hulp van de tante van de kunstenaarsvrouw, die hier haar oude dag zou doorbrengen) en waar hij na een grootscheepse verbouwing tot atelier-galeriewoning onverwacht in een bloeiperiode terecht kwam. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt was, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op zijn schilderkunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt. En die trend zou zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving vond de schilder eindelijk de langgekoesterde geestelijke rust, wat hem de ruimte gaf voor zijn vrije kunst.

 

 


Vanaf het begin van de jaren 80 genoot Hans Coumans met zijn schilderkunst, het zogeheten Coumansisme zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdde zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre en deed geen enkele concessie meer. In de provincie genoot hij inmiddels toenemende naamsbekendheid als respectabele kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen. In al die jaren was er groep van liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankocht. Als gevolg hiervan ontving hij in 1981 de nationale opdracht voor de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder wees hij af, aangezien de activist-schilder immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelde Hans Coumans op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage, van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici. Met een wisselend internationaal gezelschap van leerlingen toerde hij wekelijks door Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder bezocht hij door heel Limburg tot aan Nijmegen toe braderieën, markten en andere (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren. Na een aantal opdrachten in Spanje trok Hans Coumans vanaf 1983 weer vaker naar Valkenburg en omstreken, waar hij als vanouds de markante plekken schilderde en hij weer volop in de belangstelling stond. Een semester lang was hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildervak (de ambachtelijkheid van het schilderen) bij te brengen. Na een buitengewone productieve periode vond begin 1984 op initiatief en met de hulp van wederom de plaatselijke amateurschilder-timmermaneen een succesvolle expositie in Kasteel 'Doonder' in Doenrade plaats, gevolgd door een tweede expositie in de zomer van datzelfde jaar in het kasteel, dit maal georganiseerd door de Onderbankse wethouder.
Na deze succesvolle periode werd de schilder eind 1984 opeens ernstig ziek door levercirrose, het gevolg van een leven lang over-enthousiast alcoholgebruik. Toch gaf de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zou hij na een kort ziektebed in het ziekenhuis in Brunssum, gevolgd door een moeizaam herstelperiode - hij was gehouden aan een streng vet-arm, alcohol-arm dieet - van nagenoeg een jaar eind 1985, wederom met de hulp van de Onderbankse wethouder, een volgende expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, welk zijn vijfde en meest succesvolle expositie tot dan toe werd.

 

 


Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie populariteit genoot, kreeg hij destijds vanuit de officiële kunstwereld niet de erkenning, die hij gezien zijn artistieke verdiensten volgens zijn mening verdiende. Gedurende een lange schilderscarriere van zo'n 25 jaar had hij zich toegelegd op het ontwikkelen van het meesterschap en eindelijk had hij een niveau bereikt waarvan hij vond dat hij kon zeggen dat hij het schilderen 'toch wel in zijn vingers had' - "nu mag het wat mij betreft echt gaan beginnen!" - echter, omdat hij als een van weinige schilders van dat moment buiten de mainstream kunst om werkte, bleek er weinig interesse in zijn schilderkunst. In de periode na de oorlog werd de kunstwereld gedomineerd door de abstracte/conceptuele kunst, die alle eerdere kunststromingen dood had verklaard. In de Postmodernistische tijd kwam verzet tegen de traditionele opvattingen en werd afgerekend met (oppervlakkige) esthetiek. Alles moest anders, waardoor vernieuwing als belangrijkste ijkpunt voor originaliteit werd gerekend en gold als exclusieve maatstaf voor de kunstkritiek. Ondanks dat Hans Coumans pleitte voor volledige vrijheid in de kunsten werd hij vooral volledig genegeerd door de kunstwereld en de media. Nooit is zijn werk aan een kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de serieuze kunstbladen. 'Wie bepaalt dat, wat kunst is..?" sprak hij zich veelvuldig uit. Niet alleen vond hij de moderne kunst een teloorgang voor de schilderkunst: "die drie lijnen... dat heeft weinig met schilderen te maken!", belangrijker nog, hij verweet veel jonge tijdgenoten kuddegedrag vanwege het kritiekloos volgen van de modegrillen "... wat hen nog geen avant-garde maakt..." en de afhankelijkheid van Marga Klompé (toelage voor kunstenaars) terwijl men van de kunstenaar een onafhankelijke, kritische houding jegens de (kunst-)wereld mag verwachten. Dit verklaard de oorsprong van het Coumansisme, het anti-isme, waarmee Hans Coumans binnen de artistieke discours impressionistische kritiek uitte op de abstracte/conceptuele mainstream kunst van dat moment.

 

 

Met een zesde expositie in voorbereiding een jaar later, overleed Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder was op weg naar Malden om de winnaars en deelnemers van de jaarlijkse bosloop te portretteren. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, was hem noodlottig geworden. Hans Coumans werd 43 jaar. De sneltekenaar-schilder liet een vrouw en vier kinderen na. Hij realiseerde een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.

Aan het einde van de jaren 80 gingen ook andere schilders in Europa en de VS weer impressionistisch schilderen en ontwikkelde de abstracte/conceptuele kunst zich tezelfdertijd met de intrede van het digitale tijdperk (onderzoekstijdperk) tot een brede pluriforme kunststroming, waarin alle eerder kunstromingen op een of andere manier vertegenwoordigd waren en uiteindelijk ruimte kwam voor de volledige vrijheid in de kunsten.

 

 

© 2019 Hans Coumans, man van de heuvels