HANS COUMANS, man van de heuvels
biografie oeuvre artikelen boek stichting contact

 

Biografie

 

De markante, vrijgevochten Zuid-Limburgse kunstschilder Hans Coumans (1943-1986) trok zijn eigen plan. Hij zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. Terwijl tijdgenoten in de jaren 60 op zoek naar culturele en artistieke bevrijding naar de belangrijke Europese mondaine steden trokken waar de nieuwste ontwikkelingen zich afspeelden en aansluiting vonden bij de mainstream Postmoderne (abstracte/conceptuele) kunst, bleef de gepassioneerde natuurmens Hans Coumans te zeer gehecht aan de Bourgondische cultuur en het al even weelderige landschap van het Heuvelland, en schilderde hij non-conformistisch terzijde de mainstream tendensen in een licht-impressionistische stijl, het zelfbenoemde Coumansisme, het enige 'isme' waar hij fervent aanhanger van was. Door de hartstochtelijke liefde voor het fenomeen "...ut lêve" (de natuur) zouden de natuurmotieven van het Heuvelland gedurende zijn gehele leven blijvend een centrale positie innemen in zijn oeuvre - deze zijn zodoende te beschouwen als zijn persoonlijke oeuvre - en als zodanig kenmerkend zijn voor zijn schilderkunst. Zijn kunst getuigt van een grote verwondering over het natuurschoon van de zuidelijke provincie, welk als uitloper van het Eifelgebergte althans in zijn ogen uniek en zeker in Nederland onovertroffen was. Hoewel Hans Coumans als kindschilder al bedreven was in de landschapskunst, zou hij lange tijd een vrijbuitersleven leiden en zou vooral de ware levenskunst op de voorgrond staan, vooraleer hij zich volledig zou wagen aan de ware schilderkunst en hij uiteindelijk begin jaren 80 faam zou maken als man van de heuvels.

Johannes Jozef (Hans) Coumans wordt op 16 maart 1943 als vijfde telg uit een doorsnee arbeidersfamilie geboren in de Grachtstraat aan de voet van de Sousberg, op dat moment een mijnwerkerskolonie in het lommerrijke kerkdorp Schin op Geul. Het zou niet lang duren voordat duidelijk is, dat Hans Coumans als een onconventioneel figuur door het leven zou gaan. Al op vierjarige leeftijd vertoont hij een opmerkelijke aanleg voor tekenen - heel wat behangrollen en houtskool normaliter bestemd voor de kachel zouden het moeten ontgelden - waarmee hij vanaf zijn zesde levensjaar diverse tekenwedstrijden wint van onder meer de Staatsmijnen, maar net zo vaak wordt gediskwalificeerd, omdat de jury twijfels heeft over de authenticiteit van de tekening en men de inzending niet van een kind acht - dit tot grote woede van datzelfde kind. Om die reden keer ontvangt hij voor een tekenwedstrijd uitgeschreven door verffabrikant Talens waaraan maar liefst 50.000 kinderen deelnemen de tweede prijs, een fraaie pennenset ter waarde van 2,5 Gulden terwijl de hoofdprijs 600 Gulden bedraagt. Rond zijn 8e levensjaar lijkt het dan definitief beklonken zodra hij in vastberaden bewoording "Ik word schilder en ga de wereld in!" zijn toekomstplannen verkondigt, terwijl zijn ouders, die (ofschoon de vader van moederskant een gewaardeerd architect is) geen affiniteit met kunst hebben en geen idee hebben wat ze ermee moeten aanvangen en dorpsgenoten tezelfdertijd enkel hun schouders geamuseerd ophalen. Hij zou (later) gaan studeren aan de kunstacademie in de grote stad en het tot die tijd rustig aan kunnen doen, luidt zijn voornemen. Op school voorziet de jonge creatieveling voorafgaand aan de lessen geregeld het hele schoolbord van tekeningen en neemt hij steevast het voortouw zodra het vak Tekenen & Handvaardigheid aan bod komt. Sporadisch maakt hij al vluchtige 'portretjes' van zijn medeleerlingen, die afgaande op althans de meningen van medeleerlingen toen al verbazingwekkende gelijkenis moeten hebben vertoond. Het hoofd van de basisschool, zelf gepassioneerd amateurschilder die eerder al onder meer kunstenaar Guillaume Stassen verder hielp, ziet al vroeg dat de jonge Hans Coumans zich onderscheidt door zijn bijzonder artistieke talent en moedigt de ouders aan om dit verder te ontwikkelen, maar ondanks dat hij tekenmateriaal voor de jonge Hans Coumans verzorgt en ondanks zijn persoonlijke inspanningen (hoewel tevergeefs) om hem direct na de basisschool op de kunstacademie toegelaten te krijgen, heeft hij allesbehalve een hoge pet op van de kindschilder vanwege diens weerbarstige temperament en daar deze allesbehalve ontvankelijk is voor goedbedoelde adviezen en er zelfs lijnrecht tegenin gaat. In de buurtgemeenschap verspreidt de ambitie van de jonge Hans Coumans zich spoedig, en zodra de overburen hiervan vernemen, stellen zij de schuur naast hun boerderij ter beschikking, waar Hans Coumans op zijn 11e jaar zijn eerste atelier betrekt en waarmee zijn artistieke loopbaan 'officiële' van start gaat. Vanaf dat moment experimenteert de kindschilder, soms vergezelt door een enkele artitieke buurtgenoot volop met aquarel-, goache- en olieverf en daarnaast vervaardigt hij sculpturen van zacht mergelsteen, een veel voorkomend bouwmateriaal uit de regio dat in de omstreken rijkelijk voorradig is. Een plaatselijke illustrator, die in de jonge Hans Coumans een vakbroeder herkent, bezorgt hem gratis papier en tekenmateriaal en onderneemt een poging om hem de beginselen van het perspectieftekenen bij te brengen.
Rond diezelfde tijd onderhouden de familie Coumans en de familie Van Kempen, een gegoede hotelfamilie uit Valkenburg, als gevolg van een liefdesrelatie een vriendschappelijke band met elkaar, en verblijft de jongere schoonzus Christine van Kempen vanwege de drukke vakantieperiodes met enige regelmaat als logé bij de familie Coumans in het rustigere Strucht, van waaruit zij gezamenlijk excursies naar allerlei attracties in de toeristische omgeving ondernemen, echter niemand had toen kunnen vermoeden dat zij met de herhaaldelijk bezwerende bewoording, dat zij en Hans Coumans op latere leeftijd ooit in het huwelijksbootje zullen stappen, op een later tijdstip daadwerkelijk van beslissende betekenis zal zijn voor het leven en de carrière van de toekomstige kunstschilder.

 

 

De rusteloze vrije geest, die zich kort na zijn artistieke aanleg openbaart ‘dwingt’ Hans Coumans al vroeg tot een onzeker, ongebonden kunstenaarsbestaan. Hans Coumans zou schilder worden, hierover was geen compromis mogelijk. Hij was op jonge leeftijd al één en al kunst, schilder was hij in hart en ziel, echter het onbegrip en de terechte bezorgdheid van zijn ouders omtrent het kunstenaarschap - kunst bracht geen brood op de plank, is de algemene opvatting in de periode vlak na de oorlog - maar ook de onenigheid over een (in die tijd gebruikelijke) financiële bijdrage van de kinderen aan het huishouden leidt spoedig tot een periode van opstand en verzet en toenemende explosieve conflicten binnen de familie - vooral met zijn moeder ontstaat een gecompliceerde verstandhouding. Terwijl de andere kinderen in de familie al vroeg in de weer zijn met allerlei baantjes, weigert de jonge Hans Coumans zich te conformeren aan de gezinsregels. Hij heeft op dat moment de kunst van het werken zeker nog niet uitgevonden en als hij al iets had verdiend, dan was dat al lang gespendeerd aan gezellige biertjes in de plaatselijke kroegen voordat hij thuis arriveert. Liever struint hij langdurig solistisch door de natuur in het Heuvelland, waar hij diep onder de indrukt van de natuur raakt en doordrongen van de grootsheid en de mystiek van "...ut lêve" (het leven, de natuur). Omdat geld (verdienen) en bezit in zijn ogen niet belangrijk was, richt hij zich voornamelijk op de kunst van het levensgenieten. "Ik ga wel schilderen als ik geld nodig heb..." luidt zijn wijdverspreid motto.
In zijn vroege tienerjaren, na het na twee jaar vroegtijdig beëindigen van de Ulo in Valkenburg, gevolgd door (om zijn ouders tevreden te stellen) een opleiding tot huisschilder aan de Ambachtsschool in Heerlen - hier had hij (op dat moment nog te jong voor de kunstacademie) volgens eigen zegge "... vanwege de materiaalkennis tenminste nog iets aan..." - welke hij in 1960 succesvol afrondt met een diploma, zou hij zich afzetten tegen het (in zijn ogen) petieterige ouderlijke gezag en het al even petieterige Roomse kerkdorp Schin om gevolglijk 'de wijdte' te verkiezen en solistisch de wereld in te trekken, op zoek naar vrijheid en indrukken van andere levenswijzen. De jonge rebel loopt veelvuldig van huis om vervolgens geheel onverwacht weer bij zijn ouders aan de deur te staan (alsof er zich niets had voorgedaan), maar gaandeweg laat hij zich gelden door lange afwezigheid en een leven in ballingschap. Gedurende diverse langdurige clandestiene solistische zwerftochten van enkele maanden tot zelfs driekwart jaar tussen zijn 15e en 19e levensjaar door diverse landen - Duitsland (Laurensberg onder de studenten van de Akense universiteit, Heidelberg, Schwarzwald), Frankrijk (kunstenaarskwartier Montmarte in Parijs), Spanje - met zelden amper meer dan 2,5 Gulden op zak door het op dat moment nog gesloten Europa leert de avontuurlijke vagebond de kunst van het (over)leven via allerlei baantjes (onder andere decorateur, barkeeper, boerenknecht, bordenwasser, knecht op een rondreizende kermis) en door middel van zijn tekentalent, dat geringe inkomsten brengt door het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek op terrassen en in de plaatselijke kroegen alsook op andere openbare gelegenheden. De enige trouwe metgezel is op dat moment zijn tekenblok, waarin hij onderwerpen vastlegt die hem gedurende zijn reizen intrigeren, maar ook talloze ideeën en gedachten van religieuze en wereldbeschouwelijke aard passeren de revue. In de tussentijd hebben zijn ouders echter tot groot verdriet dikwijls geen idee waar hun zoon zich ophoudt. Meermaals wordt het dorp gemobiliseerd en zoekacties georganiseerd, een enkele maal (na een tip) zelfs de internationale politie Interpol ingeschakeld, die de jonge schilder na een afwezigheid van ruim een half jaar in het Schwarzwald aantreft en hem met toch wel enige dwang sommeert huiswaarts te keren. Tussendoor, in 1961, vergezelt de jonge Hans Coumans het beroemde internationale circus Tony Boltini als olifantendompteur en rekwisiteur een seizoen bij hun tour door Nederland en Duitsland, totdat ook de circuspiste hem te zeer benauwt en hij wederom zijn vrijheid opzoekt. Opnieuw heeft de familie Coumans geen idee waar hun zoon verblijft, totdat men toevallig via een documentaire op de televisie met als onderwerp het circusleven over diens avonturen moet vernemen.

 

 

Op de momenten dat hij bij zijn ouders verblijft en hij niet als boerenknecht op het land of (geregeld vergezeld van een collega-schilder uit de buurt) als huisschilder-vrijbuiter her en der aan het werk is, struint hij met zijn schildersattributen door de vrije natuur in de omgeving van Schin op Geul (de Sousberg, het Sint Jansbos, het Geerendal) en Oud-Valkenburg (kasteel Schaloen en de Drie Beeldjes) om plein air te schilderen, wat tot belangstelling leidt in het dorp. Plaatselijke bekendheid zorgt gaandeweg voor opdrachten voor natuurmotieven, portretten en decoratieve wandschilderingen (natuurmotieven) bij particulieren en enkele établissementen in het dorp.
Door de emotionele verbondenheid met "... ut lêve" (de natuur) behoort het typische landschap van het Geuldal en het Heuvelland al snel tot een geliefd motief, dat gedurende zijn verdere schilderscarriere een centrale positie zou gaan innemen. Naast zijn 'officiële' kunst tekent zich al vroeg in het leven van Hans Coumans een opvallend emotionele betrokkenheid en diepe interesse in de wereld af, dat vermoedelijk nog eens wordt versterkt door zijn persoonlijke ervaringen en wat hij van de wereld gezien had gedurende de diverse reizen. De betrokkenheid uit zich in diverse religiekritische en maatschappijkritische werken. Zijn schetsblok getuigt van allerlei Bijbelse thema's dikwijls met de jonge schilder zelf in de hoofdrol - als martelaar, verstotene of een andere zoon van God - maar ook onderwerpen over de Verlichting en het Humanisme passeren de revue. Geregeld kent de schilder momenten van neerslachtigheid en grote woede uit machteloosheid over al het onrecht in de wereld waar hij duidelijk niet mee kon omgaan - in de huidige tijd zou hij hiervoor waarschijnlijk psychologische begeleiding krijgen - met als gevolg dat veelvuldig schilderijen in de achtertuin van zijn ouders in rook op gaan.
De militaire dienstplicht, eenmaal (na overigens vijf niet beantwoorde oproepen) gestationeerd in de barakken van de Willem II kazerne in Amersfoort, maakt in 1963 abrupt een einde aan zijn verworven vrijheden, maar al gauw verkrijgt de jonge nogal onconventionele schilder, die geen enkele autoriteit erkent en als pacifist pertinent weigert een wapen ter hand te nemen om te schieten - pas op: hij was geen dienstweigeraar en deelde zijn meerderen mee dat hij echt aan alles meedeed behalve aan schietoefeningen: "schieten verrek ik!!" - een uitzonderingspositie en blijkt hij enkel geschikt om de officieren alsook hun kinderen te portretteren, totdat de jonge schilder na 7 maanden tijdens een oefening op de stormbaan plotsklaps slachtoffer wordt van een zwaar ongeluk en hij vanwege een verbrijzelde voet na enkele weken verblijf in het militaire ziekenhuis in Utrecht van defensie via een officieuze deal - hij mocht vrijuit als hij zou verklaren, dat hij het letsel niet ten tijde van zijn diensttijd had opgelopen - vroegtijdig 'glansrijk' mag afzwaaien.
Na de tucht van het leger, eenmaal terug in het Geuldal, trekt hij weer in bij zijn ouders, die inmiddels overtuigt van het bijzondere talent van hun zoon het kolenhok achter de keuken inmiddels hadden laten verbouwen tot atelierruimte. Toch zullen na aanvankelijke rust de emoties spoedig hoog oplopen totdat de situatie wederom onhoudbaar wordt en zij hun zoon definitief de deur wijzen. Vanaf dat moment verkast de jonge vagebond, de pauperschilder met enkel 3 penselen op zak, van het ene naar het andere adres, soms kortstondig in leegstaande kamers van hotels, soms op een zolder of een langere tijd bij een boer op de Keutenberg in Schin en via een kennis van zijn oudere zus een tijd lang boven een kroeg in Oud-Genhei, en verrekent hij bij gebrek aan geld kost en inwoning met een (muur)schilderij of een portret van de gastheer. Anderzijds blijkt hij behalve een slaapplaats niet veel nodig te hebben, aangezien hij door zijn flamboyante charismatische persoonlijkheid door de mensen en niet te vergeten de kasteleins omarmd wordt en hij in de plaatselijke kroegen en restaurants dikwijls een warme maaltijd aangeboden krijgt. Om zijn schilderijen aan de man te brengen, mag hij zijn werk her en der in de kroegen en in etalages van winkels in Valkenburg en omstreken ophangen en struint hij de vele Zuid-Limburgse kroegen, de wekelijkse markten, kunst- en ambachtsmarkten en de jaarlijkse braderieën af, op zoek naar cultuurminnaars, die voor weinig geld een werkje van het typische Heuvelland op de kop konden tikken. In pension 't Hoonderhöfke in Schoonbron, gerund door een sociaal-betrokken familie die gedurende het laagseizoen hun pension openstelden voor 'moeilijke' jongeren die nergens terecht konden en waar Hans Coumans moe van zijn ongebonden bestaan gedurende de winterperiode van 1964 en 1965 af en aan verblijft, en later in het restaurant van Kasteel Schaloen in Oud-Valkenburg, waar de jonge schilder veelvuldig in de schilderachtige omgeving werkt, mag hij zijn eerste serieuze exposities organiseren. Nadien zou het pension en restaurant geregeld volhangen met zijn werk bestemd voor de verkoop.

 

 

In 1965 verruilt de jonge aspirant-schilder het lieflijke Geuldal voor de logge Maasoever en mag hij (inmiddels oud genoeg) toetreden tot de avondopleiding van de Maastrichtse Jan van Eyck Academie van de befaamde Jef Scheffers, ondanks dat hij niet beschikt over de vereiste vooropleiding op basis van zijn werk. Hoewel de door Jef Scheffers gepredikte 'ambachtelijkheid van het schilderen' Hans Coumans erg aanspreekt, stuit de harde hand van de academische scholing - de ijzeren discipline van eindeloos herhalende oefeningen en de technische aard van de academische opleiding alsook het verplichte gebruik van de schilderstok conflicteert diametraal met zijn emotionele, intuïtieve wijze van werken - de aspirant vrije kunstschilder zo zeer tegen de borst, dat hij het na een aantal verhitte discussies al binnen een paar weken voor gezien houdt en hij de academie vroegtijdig verlaat. Hij concludeert al gauw op de academie niks te kunnen leren en dat de academie dus niet de geschikte plek is om hem verder te brengen. De academische werken zijn vanuit technisch oogpunt wellicht perfect, maar de werken leven niet, meende hij. De techniek ondermijnt het gevoel, de emotie, waardoor het afgebeeldene levenloos verschijnt. En dat is nou juist de essentie van een schilderij: "een schilderij moet leven!!", is hij stellig.
Te eigenzinnig voor de academie en vol vertrouwen over zijn eigen kunnen, richt de jonge schilder zich zoals voorheen eigenhandig op de vrije schilderkunst en de al even vrije kunst van het leven. Toch zou het ontbreken van een gedegen academische scholing hem een tijd lang achtervolgen, met name bij onderwerpen waarbij verhoudingen en met name anatomie een rol spelen. Na de weinig succesvolle academietijd stort hij zich enige tijd in het voor jonge kunstenaars aantrekkelijke Bourgondische nachtleven met gewillige vrouwelijke modellen in de Zuid-Limburgse hoofdstad. Met mede-aspirant-schilders volgen vele nachtelijke discussies over kunst en het kunstenaarsschap en dat kunstenaars volgens de algemene opvatting 'parasieten van de samenleving' waren. Om het tegendeel te bewijzen (dat de kunstenaar beslist zijn eigen kost kon verdienen) onderneemt hij samen met academie-kameraad de 'schilderende schipper' of de 'schipperende schilder' (daar was het niemand over eens) een 3 maanden durende trektocht door de Eifel (met enkel tien Gulden als inleggeld voor noodgevallen) die gedurende de winter van 1965-1966 plaatsvindt, waarbij het opvallende tweetal met het portretteren (sneltekenen) van het uitgaande publiek in de plaatselijke kroegen goed geld verdient - dit wordt overigens door betrokkenen net zo goed weer ter plekke gespendeerd - en bij terugkomst blijkt, dat de reis ieder zelfs enkele honderden Guldens heeft opgeleverd.
In het voorjaar van 1966 lonkt de wijdsheid van de polder en het vrije van de stad en trekt Hans Coumans enige maanden naar Haarlem en Amsterdam - in Amsterdam net als in tal van andere grote Europese steden halverwege de 'wilde' jaren 60 ontstaat roering op het gebied van kunst en democratie - om te verblijven onder de studenten van de Rietveldacademie en kort daarna om zich aan te sluiten bij het geweldloze, ludieke studentenprotest van de recentelijk (in 1965) opgerichte anarchistische Provobeweging gericht tegen de gevestigde autoriteit - andere thema's waren ecologie, milieu, emancipatie, vernieuwing van de kunst, democratisering - echter, de massahysterie, de rellen en het gewelddadige politieoptreden in de hoofdstad doen de schilder enigszins gedesillusioneerd spoedig terugkeren naar het gemoedelijkere zuiden.
Terug in Zuid-Limburg vestigt Hans Coumans zich 'officieel' als zelfstandig kunstschilder het bekoorlijke toeristische Geulstadje Valkenburg, waar hij zich intensief bezighoudt met een bruisende schilderkunst en een al even bruisende Bourgondische levenskunst. Ofschoon hij zich na de academie eigenhandig plein air verder bekwaamt in de landschapskunst, ontplooit hij zich hier aanvankelijk voornamelijk als portrettist - eerst als sneltekenaar van houtkool portretten in de populaire kroegen, op de terrassen en op braderieën, evenementen en weekmarkten en gaandeweg als portrettist van volwassen olieverfportretten, waar hij op zijn 25e waardering voor krijgt - en als decoratieschilder van thematische wandschilderingen in de plaatselijke établissementen en andere openbare gelegenheden. Ofschoon Valkenburg vanaf het einde van de 19e eeuw met de oprichting van het eerste VVV-kantoor Het Geuldal als zogenaamd kuuroord met enkele chique boutiquehotels hoofdzakelijk inspeelde op de welgestelden, kwam het mergelstadje als gevolg van de toenemende welvaart in de jaren 60 en 70 in zwang bij de gewone man, met als gevolg dat het horeca-aanbod veranderde en er meer en meer kroegen en restaurants verschenen, die inspeelden op de regionale cultuurbeleving, en waar wandvullende idyllische, geromantiseerde taferelen van het typische Zuid-Limburgse landschap met zijn kenmerkende vakwerkhuizen en grazende paarden en koeien goed bij aansloten, en wat nu het specialisme van Hans Coumans wordt. Hij ontdekt een lucratieve nichemarkt en krijgt het buitengewoon druk en binnen afzienbare tijd is hij een plaatselijke bekendheid. Hij verkrijgt opdracht naar opdracht en gaandeweg hangen er tientallen decoratieve werken in de kroegen van Valkenburg en omstreken en zou hij, soms vergezeld door verschillende assistent-schilders opdrachten realiseren door heel Zuid-Limburg, van Maastricht tot Roermond tot Vaals.

 

 

Op advies van zijn plaatselijke verfhandelaar, overigens zelf enthousiast amateurschilder, die moest aanzien dat Hans Coumans zijn talent rijkelijk aan het verkwanselen was aan allerlei commerciële, quasi-artistieke decoratieprojecten waardoor deze niet meer toekwam aan zijn gewaardeerde vrije werk, gaat Hans Coumans in 1966 in de leer bij de in Valkenburg woonachtige landelijk bekende beeldend kunstenaar Charles Eyck. Hoewel de verfhandelaar Hans Coumans (de schilder kennende) diverse malen met klem aanspoort om deze keer (echt) vol te houden, blijkt het verblijf op het atelier echter al even weinig succesvol als de academie, aangezien het ware meesterschap in de ogen van de rusteloze leerling te lang op zich laat wachten - beginnende assistenten mogen enkel basiswerkzaamheden verrichten, "... wat lijntjes trekken..." en penselen schoonmaken - en hij, nadat hij bij afwezigheid van zijn leermeester de schilderijen naar eigen inzicht vervolmaakt, door een allerminst gecharmeerde leermeester zonder pardon de laan wordt uitgestuurd. Achteraf geeft Hans Coumans ruiterlijk toe, ondanks dat zijn verblijf weinig productief was geweest wat hij op dat moment ronduit vreselijk vond, het nodige van zijn leermeester te hebben gezien en opgestoken over het toepassen van kleuren en verftechnieken. Hij is zeker onder de indruk van Charles Eyck's tekenkunst maar kritisch over zijn schilderkunst, met name waar het de portretten betreft: “Eyck is een goede tekenaar die zijn tekening vervolgens inkleurt, maar dat heeft weinig met schilderen te maken.”. Ofschoon Charles Eyck zijn leerling erkent als aanstormend talent en gecharmeerd was van de wijze van schilderen, vindt hij diens schilderijen soms ronduit maar niks: de werken zijn vaak te druk, te rommelig, te onrustig. Soms is het een compositorische bende, een allegaar en ontbreekt het aan een krachtig, eenduidig thema oftewel het beeld is niet eenduidig in zijn verhaal, dat zijn advies dikwijls is om er soms maar gewoon een stuk af te snijden: dan ontstaat er rust en eenheid (helderheid in de compositie) in het beeld. Alhoewel Hans Coumans en Charles Eyck nogal verschillend dachten over kunst, onderhouden zij blijvend een hechte vriendschappelijke relatie en zouden zij elkaar meermaals opzoeken bij projecten en niet in de laatste plaats in de plaatselijke kroegen.
Als in het voorjaar van 1969 een bevriende Valkenburgse stadgenoot naar Calella de Costa in Spanje vertrekt om een kroeg te openen, vergezelt Hans Coumans hem. Alhoewel de schilder een Godsgruwelijke hekel heeft aan auto's en als medepassagier doodsangsten uitstond, is deze opoffering kennelijk een welkome onderneming om even los te komen van het 'sfeertje' van Valkenburg, maar vermoedelijk speelt het overenthousiast alcoholgebruik ook een voorname rol. Terwijl zijn kameraad zich richt op zijn kroeg en zolang de vergunning nog niet is verleend her en der bijklust, hervat Hans Coumans net als in het Heuvelland zijn activiteiten als plein air sneltekenaar-schilder en reclame-decoratieve schilder en maakt hij hier aan de Spaanse Costa's waaronder in Calella de la Costa, Benidorm en Lloret de Mar met tientallen decoratieve werken in diverse horecagelegenheden spoedig furore als Pintor Holandes. Enkele omvangrijke weelderige jachttaferelen en taferelen van vreetfestijnen met rondborstige vrouwen en honden die er vandoor gaan met wat werd opgediend in (naar wat later bleek) het zeer exclusieve restaurant 'La Olla' van de privékok van Franco, waar enkel diplomaten, rijke zakenmensen en beroemdheden vertoefden, charmeren een graag geziene gast de wereldberoemde Surrealist Salvador Dali zodanig, dat hij deze Pintor Holandes een uitnodiging laat toekomen voor een ontmoeting op de opening van een aanstaande expositie in Barcelona, echter op de betreffende dag aangekomen in de Catalaanse hoofdstad verdwalen de Limburgers al snel in het historische centrum, en bij navraag in een plaatselijke bodéga waar luid flamenco wordt gespeeld en gedanst blijken de geneugten des levens toch boeiender dan een kunstexpositie, waardoor het nooit tot een ontmoeting is gekomen. "Ach, die Dali...", haalde de Pintor Holandes zijn schouders op, bij nader inzien was deze toch te elitair, te overdreven. Bovendien had hij niet zo veel met het surrealisme. Terug in Calella de Costa gaat het Hans Coumans voor de wind, totdat na een klein half jaar, na problemen met de uitbetaling van een omvangrijke opdracht voor het beschilderen van een complete discotheek in Benidorm, welk maar liefst bijna een volle maand in beslag had genomen - een Paraguyaanse krant had melding gemaakt dat dit omvangrijke werk was vervaardigd door een beroemde Paraguyaanse kunstschilder, waar de Limburgse schilder natuurlijk furieus over was - hij besluit volledig berooid maar niet zonder dat hij zich eerst met enkele stadsgenoten midden in de nacht (illegaal) toegang verschaft tot de locatie en het omvangrijke werk in zijn geheel met witte verf overschildert, deels te voet deels liftend terug te keren naar het Heuvelland.

Aan het einde van de jaren 60 is de markante Hans Coumans door zijn toegankelijke werk maar beslist ook vanwege zijn flamboyante charisma uitgegroeid tot een populair cultfiguur, een volkse schilder, zelfs een ware plein air toeristische attractie à la Montmartre en inspirator voor andere schilders in de toeristische hoofdstad van Zuid-Limburg. Hij is de hofschilder van het Geulstadje, die bekende stadsgenoten en de plaatselijke bourgeoisie op linnen vereeuwigd, opdrachten realiseert (soms i.s.m. diverse assistent-schilders) in opdracht van de plaatselijke horeca, banken, carnavalsverenigingen (onder andere van Carnavalsprins Gier II) en schutterijen. Daarnaast neemt hij van Albert Widdershoven het houtskool over en realiseert hij als grottekenaar verschillende omvangrijke werken in de diverse Valkenburgse grotten, waaronder de Gemeentegrot en de Steenkolenmijn. Op de terrassen en in de vele kroegen die de regionale hoofdstad rijk is geeft hij als sneltekenaar acte de présence, net als op de terugkerende Luikse markten en braderieën.
In het schilderachtige stadje heeft Hans Coumans de reputatie van Bourgondiër, theaterman, een schilder met veel dorst, die veelvuldig het aanlokkelijke bruisende sociale leven opzoekt - "inspiratie komt niet alleen van de Herrgot maar tevens uit onze brouwerijen!" - regelmatig voor roering zorgt en steevast middelpunt van belangstelling is in de plaatselijke lokaliteiten - pas op: hij ging nooit aan de bar zitten, altijd aan de stamtafel. Legendarisch zijn de herhaaldelijke taferelen van een verlate schildersuitrusting in het centrum van Valkenburg of ergens aan de oevers van de Geul dikwijls compleet voorzien van een schilderij en de vermelding "de schilder is effe weg!", terwijl de uitrusting daar soms dagenlang onbewaakt stond en de schilder al die tijd in geen velden of wegen te bekennen was.

 

 

Ofschoon het gemakkelijke geld (van die commerciële projecten) en het rijkelijke Bourgondische sociale leven grote aantrekkingskracht uitoefent, houdt dit de vrije schilder evenwel lange tijd gevangen en weerhoudt het hem om zich daadwerkelijk te richten op datgene waar zijn hart ligt, namelijk de vrije kunst. In tegenstelling tot zijn reputatie is deze vrije schilder allesbehalve volledig vrij, dat beseft hij maar al te goed. Het zelfpredikaat 'schilder van het volk' is in feite niets anders dan een schijnijdelheid voor de bühne en een excuus uit zelfbehoud, puur uit onzekerheid over zijn artistieke kwaliteiten, om zich niet te hoeven begeven op het glibberige (onzekere) pad van de vrije kunst. In het artikel 'De andere Hans Coumans' uit 1971, gepubliceerd in de plaatselijke courant Land van Valkenburg zegt de schilder, dat mensen hem van buiten kenden als een vrolijke vagebond, maar dat hij van binnen kapot ging, omdat hij wist dat hij zijn talenten niet gebruikte. Hij moest voortdurend tegen zijn zin in concessies doen - "... ik kan maar tien procent laten zien van wat ik in huis heb..." - waardoor hij gedwongen was de nodige kitsch te produceren. Maar hoewel tijdgenoten op zoek naar artistieke en culturele bevrijding naar de Randstad trekken, blijft de natuurmens Hans Coumans gehecht aan het Bourgondische leven en aan het Heuvelland, en ondanks dat veel tijdgenoten in de traditie van de modernistische tijdgeest werken, heeft Hans Coumans andere opvattingen over kunst en blijft hij het impressionistische palet hanteren. Volgens Lei Molin was het een gemiste kans, dat Hans Coumans "... met zijn talenten in die slurf is blijven hangen..." en niet naar de belangrijke kunststeden getrokken was, waar hij zijn vaardigheden verder had kunnen ontwikkelen. Maar Hans Coumans zou altijd de hartstochtelijke provinciaal blijven. De in zijn ogen onovertroffen schoonheid van het Heuvelland oefent blijvend grote aantrekkingskracht op hem uit, en dit motief zou blijvend behoren tot zijn geliefde onderwerp blijven, waaraan hij zijn schilderscarriere (grotendeels) wijdt.
Ondanks dat Hans Coumans al vanaf zijn kindertijd is aangemoedigd of geholpen om zich verder te ontwikkelen in de kunsten - niet in de laatste plaats door Jef Scheffers, Charles Eyck en Lei Molin - zag de non-conformist dit telkens als bemoeizucht. De enige persoon, die hem werkelijk heeft kunnen bewegen om zijn diepgewortelde artistieke ambitie waar te maken, blijkt zijn geheel onverwacht opdoemende schoonzus, die hij al 20 jaar niet meer had gezien - zij is door haar 2 tantes naar hem toe gestuurd voor de opdracht van een portret voor haar ouders - en met wie hij na een hartstochtelijke liefdesrelatie een half jaar later in de zomer van 1970 in het huwelijk treedt en op diezelfde dag een atelierwoning in de Lindenlaan betrekt. Zijn vrouw geeft hem niet alleen het nodige zelfbesef, maar spoort hem aan om zijn cynische blik gericht op de (buiten)wereld - "..wat heeft het voor een zin om een mooi schilderij te maken terwijl er zoveel rotzooi in de wereld is...?" - los te laten en zijn blik eens op zijn innerlijke wereld te richten. Zij dwingt hem na te denken over wie hij nou werkelijk wilde zijn, de (artistieke) vrijbuiter of toch de serieuze schilder? De stabiliteit en betrekkelijke rust die zijn vrouw hem brengt, maar ook haar onvoorwaardelijke vertrouwen in zijn kunnen, beweegt de schilder uiteindelijk om zich volledig te gaan wijden aan het 'serieuze' schilderen, ofschoon het afslaan van commerciële opdrachten een financieel onzekere periode inluidt. Zeker op het moment dat de broodnodige inkomsten als gevolg van zijn bovenmatige Bourgondische levenskunst uitblijven en zij hem met een zoon op komst dreigt te verlaten, moet hij dit geestelijk knelpunt zien op te lossen en zijn productie zien te vergroten, op een of andere manier nieuwe thema's zien te ontwikkelen. Vanaf dat moment is de schilder dan ook structureel - een nieuw woord voor deze schilder - te vinden op de bekende beeldbepalende plekken in het Geuldal, terwijl hij zich gedurende de wintermaanden veelal richt op stillevens en de (olieverf) portretkunst. Daarnaast geeft hij acte de présence op de vele jaarlijkse Zuid-Limburgse braderieën, op weekmarkten, fancy-fairs, allerlei thematische (sport)evenementen om de bezoekers te portretteren, wat uiteindelijk een blijvend belangrijk onderdeel zal uitmaken van zijn kunstenaarsschap (lees: inkomstenbron).

 

 

Na een moeizame financiële en emotionele periode die volgt, omdat het vrije werk onvoldoende inkomsten brengt en de schilder in zijn kunst nog steeds gedwongen is concessies te doen, trekt Hans Coumans in de zomer van 1974 met zijn prille gezin een half jaar naar Binche (België) om te verblijven op het chateau van een bevriend echtpaar om hier, even weg uit Valkenburg, in de omgeving van Mons, Binch en Charleroi in alle vrijheid te schilderen. Terug in Valkenburg organiseert de schilder in 1975 op uitnodiging van de eigenaar van het plaatselijke hotel-restaurant Zonnig Zuiden, die de schilder wil helpen om publiciteit te genereren en de verkoop van zijn werk te stimuleren, een derde grote expositie.
Hoewel na de korte intermezzo de zaken gaandeweg beter gaan en de verbouwing (vergroting) van zijn atelier begin 1975 een positieve invloed heeft op zijn productie, ervaart de schilder een toenemende onvrede over de gang van zaken in het mergelstadje. Niet alleen stuit de vernieuwingsdrang (modernisatie) van Valkenburg vanaf het begin van de jaren 70, waardoor de unieke identiteit van het mergelstadje als gevolg van de afbraak van karakteristieke monumentale historische panden en tezelfdertijd de bouw van grootschalige anonieme nieuwbouw dreigt verloren te gaan, de schilder tegen de borst, eveneens ondervindt de schilder en zijn gezin direct toenemende overlast van het massatoerisme dat recentelijk zijn intrede heeft gedaan. Als gesprekken met een aangrenzend hotel over geluidsoverlast - "Niet van Valkenburg, maar van de jukebox wordt ik gek!" - en brandgevaar met een kleine verbouwing aan zijn huis tot gevolg niets oplevert, rest de schilder niets anders dan zijn plek in de Lindelaan op te geven.

 

 

Van een bevriende Valkenburgse kastelein, tevens vastgoedontwikkelaar krijgt Hans Coumans in de zomer van 1976, nu met hun tweede zoon op komst, het aanbod om in het rustigere forensendorp Nuth te gaan wonen. De Valkenburgse ontwikkelaar is hier eigenaar van het imposante voormalige gezellenhuis 'Ons Thuis' en latere nonnenklooster (op dat moment een AZC) met bijgebouwen (het voormalige Groene Kruisgebouw) en een groot park aan de Stationsstraat, en is voornemens het complex te herontwikkelen maar tot die tijd kan het kunstenaarsgezin antikraak haar intrek nemen in een van de royale bijgebouwen, uitermate geschikt voor een kunstschilder met een behoefte aan atelierruimte.
Vanuit zijn nieuwe vestigingsplaats trekt de schilder er te voet soms fietsend - omdat de schilder een godsgruwelijke hekel aan auto's had, zelfs doodsangst had, en zodoende niet beschikt over een rijbewijs, gaat hij veelal te voet of kan hij rekenen op kennissen en opdrachtgevers die hem brengen en ophalen - op uit om in de buitenlucht te schilderen in de groene omgeving van Nuth, Terstraten en rondom Wijnandsrade. Daarnaast werkt hij veel op de plaatselijke braderieën en Luikse markten om zijn snelportretkunst te vertonen. Ondanks de aanvankelijke rust en de grip op de financiën - dat blijft overigens ook bij de belastingdienst niet onopgemerkt, die hem voor het eerst een gigantische naheffing doet toekomen van maar liefst 3000 Gulden - komt de schilder al gauw in een hardnekkige mineurstemming terecht. En alsof dat niet genoeg is, ontstaat er vanaf 1978 toenemende drugsoverlast in het naastgelegen AZC en als hij na een inbraak en intimidatie van zijn vrouw verhaal gaat halen bij de buren en slachtoffer wordt van een gerichte aanslag - een schietincident op zijn woonhuis - is het gezin gedwongen om gedurende ruim 4 maanden op diverse adressen in Mechelen, Slenaken en Hoensbroek onder te duiken. Deze ernstige situatie bezorgt de schilder een zenuwinzinking gevolgd door een langdurige depressie medio 1979, die ruim een jaar zal duren. Er zijn periodes dat de schilder enkel op de bank ligt. Eenmaal terug in Nuth verblijft het kunstenaarsgezin hier vanwege de aanstaande herontwikkelingsplannen van het complex nog maar kort en is het gezin gedwongen om hun heil elders te zoeken.

Uiteindelijk biedt een bevriend makelaar soelaas en vestigt het kunstenaarsgezin zich, nu met een dochter op komst, in de zomer van 1981 in het groene plattelandsdorp Bingelrade, waar de theaterman-schilder het voormalige dorpstheater 'de ouw harmoniezoal' aankoopt en waar hij na een grootscheepse verbouwing tot atelier-galeriewoning tegen ieders verwachting in een bloeiperiode terecht komt. Hoewel Nuth een emotioneel dieptepunt was, wat duidelijk zijn weerslag had op de artistieke kwaliteit van zijn schilderijen, had de afzondering hem tezelfdertijd gedwongen om zich, ver weg van alle geneugten en verleidingen, daadwerkelijk enkel en alleen te richten op zijn schilderkunst. Dit was hem eerder met zijn ondernemingen naar Binche en de Spaanse Costa's niet gelukt. En die trend zal zich nu in Bingelrade voortzetten. In deze groene, serene omgeving vindt de schilder eindelijk de langgekoesterde geestelijke rust, wat hem de ruimte geeft voor zijn vrije kunst. Vanuit zijn atelier trekt hij naar Jabeek, Schinveld, Etzenrade, Doenrade, Oirsbeek en Schinnen, waar hij de typische zacht-glooiende vergezichten, de holle wegen en de oude karakteristieke dorpskernen aan het canvas toevertrouwt. In Oud-Amstenrade bezoekt hij geregeld het gebied rondom het kasteel. Ook verkent hij veelvuldig de grensstreek met Duitsland, om in en rondom Gangelt, Minder-Gangelt, Sustersehl, Hillensbergen en Wehr te werken.

 

 


Vanaf het begin van de jaren 80 geniet Hans Coumans met zijn kunst zowel artistieke als financiële voorspoed. De schilder wijdt zijn tijd volledig aan zijn persoonlijk oeuvre, het zobenoemde Coumansisme, "het enige 'isme', waar ik fervent aanhanger van ben!". In zijn carrière is hij op een punt aanbeland waarop hij geen enkele concessies meer doet in zijn kunst en dat kan hij zich ook permitteren. In de provincie geniet hij inmiddels toenemende naamsbekendheid als respectabele kunstschilder, zowel bij de bourgeoisie als in academische kringen, hoewel het een vreemde gewaarwording was om nu zelf een gevestigde schilder te zijn terwijl hij in het verleden altijd fel gekant was tegen de gevestigde orde. Door de jaren heen is een groep van fans en liefhebbers ontstaan, die getrouw werk aankopen. Naar aanleiding van zijn wijdverbreide activiteiten ontvangt hij in 1981 vanuit de kunstcommissie van het Koningshuis de nationale opdracht voor de vervaardiging van een staatsportret van aankomend koningin Beatrix, echter het verzoek tot hofschilder wijst hij af waarmee hij afziet van de eeuwige roem, aangezien de activist-schilder immers zijn hele leven in opstand was gekomen tegen het establishment. Vanaf 1982 stelt Hans Coumans (op initiatief en met de hulp van een plaatselijke amateurschilder-timmerman) zijn atelier open voor onderricht aan leerlingen van verschillende pluimage: van het jeugdwerk tot amateurschilders tot afgestudeerde academici. Met een wisselend internationaal gezelschap van leerlingen toert hij wekelijks door Zuid-Limburg om plein air te werken. Verder maakt hij acte de présence als sneltekenaar op de jaarlijkse Luikse markten, braderieën en andere (sport)evenementen om de winnaars alsook de bezoekers te portretteren, niet alleen in de omgeving, maar als vaste gast via een organisatiebureau voor markten inmiddels door heel Limburg, tot aan Nijmegen toe. Een semester lang is hij gastdocent aan de vermaarde Staatliche Kunstacademie in Düsseldorf om een nieuwe generatie schilders het schildersvak, 'de ambachtelijkheid van het schilderen' bij te brengen. Na een aantal opdrachten in Spanje trekt Hans Coumans vanaf 1983 weer vaker naar Valkenburg en omstreken, waar hij als vanouds de markante plekken schildert en hij weer volop in de belangstelling staat.
Na een buitengewoon productieve periode vindt begin 1984 op initiatief en met de hulp van de plaatselijke amateurschilder-timmerman een succesvolle (vierde) expositie plaats in Kasteel 'Doonder' in Doenrade, gevolgd door een tweede expositie in de zomer van datzelfde jaar in het kasteel, dit maal georganiseerd door de Onderbankse wethouder.
Na een buitengewoon succesvolle periode wordt de schilder eind 1984 opeens ernstig ziek door levercirrose, het gevolg van een leven lang overenthousiast alcoholgebruik. Toch geeft de schilder zich niet zo snel gewonnen aan Bacchus en zal hij na een kort ziektebed in het ziekenhuis in Brunssum, gevolgd door een moeizame herstelperiode van nagenoeg een jaar eind 1985, wederom onder leiding van de Onderbankse wethouder, een volgende expositie in 'het Kloeëster' in Schinveld organiseren, zijn zevende en meest succesvolle expositie tot dan toe.

 

 

Ofschoon Hans Coumans medio jaren 80 in de Limburgse provincie populariteit geniet, krijgt hij destijds tot verbazing en zeker ook frustratie vanuit de officiële kunstwereld niet de erkenning, die hij gezien zijn artistieke verdiensten volgens zijn mening verdient. In de periode na de oorlog werd de kunstwereld namelijk gedomineerd door de Postmoderne kunst, waarmee alle eerdere kunststromingen in de jaren 60 dood werd verklaard, en ondanks dat Hans Coumans pleit voor volledige vrijheid in de kunsten, wordt hij vooral volledig genegeerd door de kunstwereld en de gevestigde kunstbladen. Nooit is zijn werk aan een kunstkritische beschouwing onderworpen of besproken in de serieuze kunstbladen.

 

 

Met een achtste expositie in voorbereiding een jaar later, overlijdt Hans Coumans plotsklaps eind 1986 als gevolg van een tragisch auto-ongeluk. De schilder is op weg naar Malden om de winnaars en deelnemers van de jaarlijkse bosloop te portretteren. Nota bene het voertuig, dat hij mateloos wantrouwde, is hem noodlottig geworden. Hans Coumans wordt 43 jaar. De sneltekenaar-schilder laat een vrouw en vier kinderen na. Hij realiseert een omvangrijk oeuvre van enkele duizenden werken.

Aan het einde van de jaren 80 gaan ook andere schilders in Europa en de VS weer impressionistisch schilderen en ontwikkelt de Postmoderne kunst zich tezelfdertijd met de intrede van het digitale tijdperk (onderzoektijdperk) tot een brede, pluriforme kunststroming, waarin alle eerder kunststromingen op een of andere manier vertegenwoordigd zijn en uiteindelijk ruimte komt voor de volledige vrijheid in de kunsten.

 

 

© 2019 Hans Coumans, man van de heuvels